Micha Kat – Lees mee met vluchteling Micha Kat (84): Robert Hughes | The Fatal Shore: The epic of Australia’s Founding

In de winter (daar zomer) van 2009 op 2010 was ik in West Australië samen met mijn toenmalige vriendin Aline met wie ik in die tijd woonde in Laos. De lokale vliegtuigmaatschappij opende een lijn naar Perth en de prijzen voor de eerste vluchten waren zeer aantrekkelijk. We huurden een camper en het plan was om langs de westkust naar Darwin te rijden, maar dat bleek veel te ver. We kwamen niet verder dan Broome. Tijdens deze reis beleefden we een gruwelijk avontuur, waarover ik een artikel schreef op mijn website KlokkenluiderOnLine op 14 december 2009. Het verhaalt hoe de kust van Australië ons bijna fataal werd, net als in de titel van het beroemde boek van Robert Hughes uit 1986, dat de ‘geboorte’ beschijft van Australië als ‘opbergplaats’ voor criminelen uit Engeland.

Reizen in Australia is best tough. De afstanden zijn immens en als je unprepared met autopech of zonder gas komt te staan kun je er in de zinderende winterhitte zo maar zijn geweest, zeker als opeens blijkt, dat Vodafone down under tussen de dorpen nauwelijks bereik biedt. Om de 200, 300, kilometer heb je de roadhouses, waar je kunt tanken, eten, pinnen, dat soort nuttige zaken. Deze roadhouses zijn een verhaal op zich. In de Kimberley worden ze overlopen door Aboriginals, die zich daar volgieten met cola en volproppen met vette snacks, complete families van drie generaties of meer. Ze worden getolereerd als ze tenminste een shirt aanhebben, want de roadhouses hebben in de regel een no nikkie policy. Met temperaturen tussen de 40 en 50 graden zou iedereen er overigens wel als een Aboriginal bij willen lopen. De tragiek van de Aboriginals is niet te beschrijven en wordt in volle omvang duidelijk the moment, dat je zo’n familie ziet zitten in zo’n roadhouse tussen de lege flessen cola en de patatbakjes of ergens onder een boom in een stadje of in de koelte van een overdekt winkelcentrum. De blik in de ogen is terrifying en verraadt een tragiek, die misschien alleen vergelijkbaar is met die van de holocaust. Maar in deze streken lopen er ook massa’s blanke desperado’s rond, zoals we op schokkende wijze ondervonden in het stadje Port Hedland.

We waren die middag vertrokken bij vrienden in Karratha in de hoop Port Hedland nog voor het donker te kunnen bereiken, maar dat lukte niet. Het was zaterdagavond. Steden in Australië zijn heel anders dan in Europa, er is vaak geen duidelijk centrum en naar hotels moet je echt goed zoeken. Het eerste hotel was stampvol. Er waren meerdere feesten (huwelijken?) aan de gang, waarbij stevig werd gedronken. Op de parkeerplaats van het hotel hoorde mijn vriendin mensen roepen: ‘Gee… look… tourists!‘ en we werden aangesproken door een lallende Aussie, die vroeg wat we aan het doen waren. Geen lekker sfeertje. De receptionist was overigens een erg aardige Indiër en belde met een ander hotel, waar nog een kamer zou zijn. Aldaar waren echter ook diverse feesten en partijen aan de gang, alles fully booked… We besloten koers te zetten naar South Hedland, waar nog enige hotels zouden zijn, maar het was inmiddels pikdonker en wie Australië kent weet, dat het dan vrijwel onmogelijk is je weg te vinden… Er is geen straatverlichting, borden zijn niet meer leesbaar en je rijdt in feite compleet op de tast. In die omstandigheden probeerde mijn vriendin die chauffeerde (ik heb zelf geen rijbewijs) diverse standen uit van de verlichting, ook om te vermijden, dat tegenliggend verkeer zou worden verblind. Dit geknipper met onze verlichting moet een andere auto hebben geprovoceerd, want deze vehicle – een Toyota of Nissan met open achterbak – begon ons met zijn verlichting terug te seinen en te achtervolgen, waarbij wij via onze achteruitkijkspiegel werden verblind door een ongekend fel lichtorgel. De auto begon ons te tailen en dwong ons, ofwel steeds harder te rijden, ofwel ergens te stoppen. Mijn vriendin koos voor het laatste en de auto scheurde ons voorbij.

Maar enkele honderden meters verder dook hij weer op, nu als tegenligger, waarbij onze camper werd bekogeld met een bierfles. Ook hoorden we kreten: ‘we will get you‘ en nog erger. Dit zag er niet goed uit. We hadden geen idee, waar we waren of wat we moesten doen. We reden door en daar kwamen ze weer van achteren, weer met vol licht en opnieuw troffen ze onze wagen met een projectiel. We werden gedwongen harder en harder te gaan rijden in het pikkedonker en we wisten: als we door blijven rijden crashen we. Het zag er hopeloos uit, zeker toen ik me iets probeerde voor te stellen van de confrontatie met de inzittenden, een man of vijf, zes, zo schatten we. De weg maakte een scherpe bocht naar links. In de koplampen zag ik een man staan met een enorme hond en twee kleine kinderen. ‘Stoppen!‘ schreeuwde ik. Mijn vriendin had blijkbaar hetzelfde idee en gierend kwamen we tot stilstand. Ik sprong uit de wagen en rende op de man af: ‘They are following us! They try to kill us! They attack us with stones!‘ riep ik wijzend op de auto van de Aussies, die recht op ons af kwam rijden. Onze achtervolgers sloegen – was het de enorme hond, die het hem deed? – echter direct op de vlucht door hun auto te keren en weg te scheuren, waarbij ze de lichten doofden.

Wij waren intussen in gesprek geraakt met de man tot tot onze immense vreugde een mobiele telefoon uit zijn zak haalde, waarmee hij zei de politie te zullen bellen om deze lunatics op te pakken. Geen overbodige luxe, omdat we inmiddels hadden geconstateerd, dat de lunatics ons alweer stonden op te wachten aan de andere kant van de weg. We vertelden de man, dat we geen hotel konden vinden, dat we inmiddels terrified waren van angst en tot niets meer in staat. De man zei, dat precies in de bocht waar we waren gestopt een camping lag met de ingang om de hoek. We wisten niet wat we hoorden. We vonden de ingang, maar er was natuurlijk niemand meer aanwezig in de office. We waren dus nog altijd niet veilig. Naast het office was een vaag gebouw met een soort huiskamer, een keuken, een tv en twee banken. We bonkten op de deuren en een Koos Koets-achtige zwerver deed open. Hij kon ons verder niets vertellen, maar we waren wel binnen. ‘We blijven hier gewoon,’ zei ik. Maar na enige minuten liep ik toch weer naar buiten, waar de man met de hond nog altijd rondhing. Of het via hem gebeurde of langs een andere weg weten we niet meer, maar kort daarop kwam de bedrijfsleider van de camping opdraven aan wie we ons hele verhaal kwijt konden. Ook hij zei de politie te zullen bellen. Nu waren we veilig. De man gaf ons een kamer in het gebouwtje van ‘Koos Koets’ wat een soort herberg bleek te zijn met kleine kamer en een gemeenschappelijke douche. Shakend namen we nog een glaasje witte wijn vanuit een fles, die we nog in de fridge van onze camper hadden staan.

Even weer terug naar de Aboriginals. We begonnen dit verhaal met de stelling, dat ‘er in Australië ook massa’s blanke desperado’s rondlopen’. We gaan er dus maar vanuit, dat onze kwelgeesten blank waren. Honderd procent zeker is dat niet. Maar de point, die we hier nog willen maken, is, dat niemand moet denken, dat het lot van de Aboriginals in Australië te vergelijken is met dat van onze Turken en Marokkanen. Deze mensen leven nog in de steentijd, ook als ze tussen de cola en de patatbakjes onder een boom zitten! De regeringen van Australië doen wat ze kunnen, maar de resultaten zijn zero. De vriend, waar ik over sprak in Karratha is vice-president bij Woodside, Australië grootste producer van energie. Hij vertelde, dat Woodside een speciale recruiter in dienst heeft voor Aboriginals, maar dat er, geloof ik, nog niet een is aangenomen. De G-facory van Woodside boven Karratha bij Dampier is trouwens waanzinnig indrukwekkend.

De dag na onze narrow escape in Port Hedland zagen we bij een roadhouse bij Broome een echte white desperado. Toen we onze benzine wilden afrekenen, kwam een naakte witte man binnen met een hond. Het keurige meisje achter de kassa hield de man tegen, waarbij ze verwees naar de no nikkie policy, die in grote letters op de deur is aangekondigd. De man, verwilderde blik, duidelijk gevaarlijk, begon te schreeuwen en te tieren, waarbij hij onder meer riep, dat ‘als zijn hond naar binnen mocht, hij toch zeker ook wel mag binnenkomen?’ Het meisje, amper 18, bleef echter voet bij stuk houden. Gespannen wachtte ik af hoe dit zich zou ontwikkelen, waarbij ik me gesterkt voelde door de goede afloop van de gebeurtenissen van gisteren. De man nokte af, net als onze achtervolgers de avond daarvoor. We gaven met meisje een groot compliment. ‘Does this happen often?‘ vroeg ik. Het meisje had het nog niet eerder meegemaakt. Buiten zagen we de witte desparado in zijn vehicle stappen. Hij begon als een ware wilde over het terrein te crossen met woeste s-bochten, waarbij enorme stofwolken op spoten. Twee oudere Aussies onder een boom riepen: ‘lunatic!’ In Broome maakt men zich intussen op voor een hurricane. Saai is het niet down under.

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Micha+Kat
https://mijnlevenin100boeken.com/

Leave a comment

Your email address will not be published.

*