Koen Schuiling, burgemeester – Brief aan Dick Berts, 24 februari 2016 + Commissie Bezwaarschriften gemeente Den Helder – Advies bezwaarschrift D.A. Berts, 9 januari 2016

Gemeente Den Helder

De heer D.A. Berts

A A N T E K E N E N

verzendgegevens
datum: 24 februari 2016
kenmerk: AU16.01616
bijlagen: 1

behandeld door
Concernstraf
dhr. mr. W. Huizinga
telefoon (0223) 67 817
uw gegevens
brief van 22 september 2015 en 22 februari 2016

kenmerk:

onderwerp
Beslissing op bezwaarschrift van 22 september 2015

VERZONDEN 25 FEB. 2016

Geachte heer Berts,

Bij brief van 22 september, AI15.05910, heeft u een bezwaarschrift ingediend tegen mijn schriftelijke reactie van 25 augustus 2015, AU15.09106. In die reactie beantwoord ik uw brief van 19 augustus 2015, AI15.05372, waarin u met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), een verzoek om informatie heeft ingediend.

Uw bezwaarschrift is om advies in handen gesteld van de Commissie voor de bezwaarschriften. Haar advies zend ik u bij deze brief toe. De commissie is van oordeel dat uw verzoek van 19 augustus 2015 geen bestuurlijke aangelegenheid betreft als bedoeld in de Wob en om die reden geen verzoek is als bedoeld in de Wob. De commissie merkt uw gedane verzoek aan als een algemeen verzoek om verstrekking van informatie en neerkomt op het verzoek van het verrichten van een feitelijke handeling. De schriftelijke reactie van 25 augustus 2015 op uw verzoek kan daarom volgens de commissie niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt. Binnen het kader dat de commissie in haar advies aangeeft voor het kunnen indienen van een bezwaarschrift, leidt deze beoordeling de commissie tot het advies om uw bezwaarschrift van 22 september 2015 niet-ontvankelijk te verklaren. Deze bevinding stelt de commissie voorts in het licht van het bepaalde in artikel 7:3 Awb, wat voor haar reden is geweest om af te zien van het horen van u.

Naar aanleiding van het ontvangen advies van de Commissie voor de bezwaarschriften merk ik op dat ik daarin bevestiging aantref van de zienswijze die ik in mijn reactie aan u van 25 augustus 2015 heb vermeld. U heeft mij in uw brief van 19 augustus 2015 aangeschreven over een aan mij persoonlijk gerichte, anonieme brief, op mijn huisadres afgeleverd, waarin aan mij particulier bepaalde gedragingen worden tegengeworpen. In deze gegeven omstandigheden stelt u geen bestuurlijke aangelegenheid aan de orde zoals die in artikel 1, aanhef en onder b., van de Wob is omschreven. In de anonieme persoonsgerichte bejegening van mij waarop u met uw verzoek van 19 augustus 2015 hebt aangehaakt, is ook geen functioneren van mij als ‘bestuursorgaan’ aan de orde.
Omdat uw verzoek geheel buiten het kader van de Wob viel en het verzoek een mij persoonlijk gedaan feitelijk verzoek om informatie betreft, is mijn schriftelijke reactie van 25 augustus 2015 niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, Awb, Om deze reden vermeldt de reactie ook geen rechtsmiddelen clausule.

Het advies geeft mij wat de wijze van de totstandkoming ervan betreft en de argumentatie geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen. Ik maak de overweging van de commissie mede tot mijne.

Op grond van het vorenstaande heb ik besloten uw bezwaarschrift van 22 september 2015, AI15.05910, tegen mijn schriftelijke reactie van 25 augustus 2015, AU15.09106, niet-ontvankelijk te verklaren omdat die schriftelijke reactie van 25 augustus 2015, AU15.09106, niet-ontvankelijk te verklaren omdat die schriftelijke reactie geen besluit bevat in de zin van artikel 1:3 , lid 1, van de Awb.

Het college heb ik over uw bezwaarschrift en de genomen beslissing op bezwaar geïnformeerd.

In dit verband bericht ik u tot slot dat ik kennis heb genomen van de inhoud van uw vandaag, 24 februari 2016, onder nummer AI16.00833, voor ontvangst geregistreerde brief van 22 februari 2016. Met de toezending van de in deze brief vervatte beslissing op uw bezwaarschrift van 22 september 2015 wordt tijdig aan uw ingebrekestelling tegemoet gekomen. Ten aanzien van uw inhoudelijke opmerkingen in uw brief ben ik van oordeel dat de beslissing op bezwaar een voldoende reactie daarop bevat.

Hoogachtend,
de burgemeester van Den Helder,

Koen Schuiling

Wanneer u het niet eens bent met de bovenvermelde beslissing op uw bezwaarschrift, dan kunt u daartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht beroep instellen. In dat geval dient u binnen zes weken na de verzenddatum van deze beschikking een gemotiveerd beroepschrift indienen bij de Rechtbank Noord-Holland, Sector Bestuursrecht, Postbus 1621, 2003 BR Haarlem. Het beroepschrift dient te zijn gedagtekend, uw naam en adres te vermelden, het besluit waarvan beroep te omschrijven en in kopie bijgesloten te zijn en de gronden van beroep te vermelden. Het indienen van een beroepschrift schorst niet de werking van het besluit. Wanneer u van oordeel bent dat gelet op de in deze zaak betrokken belangen onvoorwijlde spoed een voorlopende voorziening vereist, kunt u daartoe op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht gelijktijdig met de indiening van het beroepschrift een verzoek indienen bij de hiervoor reeds genoemde Rechtbank Noord- Holland. Voor de genoemde procedure(s) bij de Rechtbank Noord-Holland griffierechten verschuldigd.

Drs. F. Bijlweg 20
1704 MC Den Helder

Postbus 36
1780 AA Den Helder

kcc@denhelder.nl
http://www.denhelder.nl

telefoon 14 0223
fax (0223) 67 1201

———————————————————————————————————

Advies aan burgemeester Schuiling inzake bezwaarschrift D.A. Berts, 9 januari 2016

Gemeente Den Helder
COMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN

Aan de burgemeester van de gemeente DEN HELDER

Betreft:
Het bezwaarschrift, gedateerd op 22 september 2015, ontvangen 22 september 2015, (AI15.05910), ingediend door de heer D.A. Berts, gericht tegen de schriftelijke reactie van 25 augustus 2015, verzonden 25 augustus 2015, waarbij de brief van 19 augustus 2015 is beantwoord.

CASUS-INFORMATIE
Door tussenkomst van de afdeling Concernstraf is de commissie een dossier ter hand gesteld, waarin zijn opgenomen: het betreffende bezwaarschrift, de schriftelijke reactie van 25 augustus 2015 waartegen het bezwaarschrift is ingediend, alsmede aanvullende documentatie met betrekking tot de in geding zijnde feiten en daarop van toepassing zijnde regelgeving.

OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE TER AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID
Het bezwaarschrift is binnen de termijn van zes weken na bekendmaking van de brief waartegen het is gericht ingediend en is daarmee tijdig ontvangen. Voor bezwaarde geldt dat zijn belang rechtstreeks betrokken is. Het bezwaarschrift voldoet verder aan de eisen die artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daaraan stelt.

De commissie overweegt dat op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. In gevolge artikel 7:1 van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens dit beroep tegen dat besluit, bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 1:5, eerste lid Awb wordt onder het maken van bezwaar verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Het bezwaarschrift van de heer Berts richt zich tegen de schriftelijke reactie van 25 augustus 2015.

In artikel 1:3 lid 1 van de Awb is aangegeven dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling gericht op extern gerechtsvervolg. De beslissing moet zijn gericht op rechtsvervolgen die ontstaan in de verhouding van het bestuursorgaan tot een of meer anderen. Dit is het geval indien zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel een juridische status van een persoon of zaak vast te stellen.

In het verzoek om informatie wordt verwezen naar de Wet openbaarheid van bestuur. Deze wet ziet op verzoeken om informatie die betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid. Het verzoek om informatie ziet echter niet op een bestuurlijke aangelegenheid. Er is derhalve geen sprake van een verzoek in de zin van deze wet.

Het verzoek van 19 augustus 2015 om toezending van informatie dient te worden gezien als een algemeen verzoek om verstrekking van informatie. Het moet derhalve worden aangemerkt als een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling. De schriftelijke reactie van 25 augustus 2015 kan om deze reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb.

De commissie overweegt dat het doen van deze mededelingen niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De commissie is op grond van het vorenstaande van oordeel dat op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is nu het bezwaarschrift niet gericht is tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

VERGADERING
Op grond van artikel 7:3 van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzitter heeft gelet op bovenstaande overwegingen besloten om van het horen van belangen af te zien.

CONCLUSIE
Op grond van het bovenstaande is de commissie van oordeel dat op het bezwaarschrift dient te worden beschikt naar de inhoud en strekking van dit advies.

ADVIES
Op grond van het bovenstaande adviseert de commissie u om het bezwaarschrift van de heer D.A. Berts niet- ontvankelijk te verklaren.

DEN HELDER, 9 januari 2016

De commissie bezwaarschriften

mevrouw mr. J. Tophoff, voorzitter

de heer mr. S.D. Wagenaar, secretaris

Commissie bezwaarschriften: bezwaarschrift de heer D.A. Berts (1.15.156.001)

Leave a comment

Your email address will not be published.

*