Kees Engelhart – Proloog + DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 13 | Kijkend over de velden | Zomer

Philip Larkin

“In great attempts it is
Glorious even to fail”

Cassius Longinus

Proloog

HEE MINGUS

Hee Mingus
Ik heb ook weleens een brief geschreven net als jij
Misschien dachten ze wel dat ik gek was
Net als ze van jou dachten Mingus

Hee Mingus
Ik ben ook weleens in een ziekenhuis geweest
Maar nooit in the psychiatric wing
Of the Bellevue Hospital in New York
Zoals jij wel Mingus

Hee Mingus
Je sloeg hem op zijn bek zei je Mingus
Omdat het een verdomde junk was zei je
Weet je nog dat je dat zei Mingus
Hee Mingus
Hee

Mingus
Weet je nog hoe je de piano speelde
O ik weet het nog goed Mingus
Ik luister er nog wel eens naar
In een wit autootje Mingus
Met altijd een vrouw die ik ken Mingus
Achter het stuur

Hee Mingus
Dat is zoals het leven gaat
Alleen maar ware dingen Mingus
Dat zei je toch Mingus
Alleen maar ware dingen
Of niet soms

Boek 13

Kijkend over de velden

Zomer

DAN PAKT DOPPERTJE ZIJN SCHRIJFGEREI EN BEGINT

Doppertje wil een gedicht schrijven dat er toe doet
Dat willen alle dichters
Dat weet Doppertje ook en doet daarom erg zijn best
Eindelijk zit hij aan tafel het is avond en de
Dag is lang geweest
De morgen en middag waren broeierig warm
Doppertje maakte een lange wandeling langs zee en
Het was te voelen hoe de spanning in het
Weer die almaar toenam zich ontladen wilde
Nabij de vuurtoren zag hij de lucht vuilgrijs
Worden en daarachter de horizon inktzwart
Net had hij zijn regenkleding aangetrokken of
Het barstte los het begon te hagelen en harde
Windstoten bolden zijn regenkleding op
Boven zee zag Doppertje het weerlicht flitsen en even
Later stroomde regen op hem neer
Warme regen
Het is zomer eindelijk zomer dacht Doppertje en
Hij nam zich voor diezelfde avond nog een
Gedicht te schrijven een gedicht dat er toe
Zou doen
Het gedicht dat alle dichters schrijven willen

Nu is het avond
Doppertje wil dat gedicht schrijven zegt hij
Het gedicht dat aanvecht dat zich miraculeus
Ontworstelt aan het gemiddelde
Een gedicht dat gekend zal worden
Dat weet Doppertje en hij dwingt zich tot het uiterste
Eindelijk zet hij zich aan tafel en hij heeft alle tijd
Nu aarzelt Doppertje
Hij weet niet of hij dat gedicht wel schrijven kan
Zoals hij vanmiddag nog vol overtuiging dacht
Een gedicht dat waarachtig is en dat er toe doet
Eigenlijk weet hij het helemaal niet meer zegt hij
En Doppertje wil van tafel opstaan en meteen naar bed

EN MEENT TE GAAN LEZEN

De vrouw bezit een vriendelijke stem
Iets in haar houding echter vertelt Van Putten dat zij
Hem niet vertrouwt
Hij weet niet hoe hij het aan moet pakken
Snel en koortsachtig denkt Van Putten na

Ze staan in de keuken en de vrouw snijdt plakjes
Leverworst af voor de honden
Hij gaat maar even in de tuin kijken zegt hij
Zij zegt niets

Opgelucht staat Van Putten even later in een weelderige tuin
Het is zomer de zon schijnt en meteen is hij sprakeloos
In het midden van de tuin staat op twee schragen
Een doodskist waarin een man ligt
Hij lijkt vredig te glimlachen de man en zijn handen
Liggen gevouwen op zijn buik
Als hij naderbij treedt om het gezicht van de man
Nader te beschouwen zet een kauwtje zich op de
Rand van de kist neer en kijkt hem doordringend
Aan
Hij meent de man van de kist te kennen
Geen naam echter wil hem te binnen schieten
Dan draait Van Putten zich om

Door het kralengordijn betreedt hij opnieuw de
Keuken waar de honden zich te goed doen aan
De leverworst
De vrouw met de vriendelijke stem is nergens
Te bekennen
Dan loopt Van Putten de riante huiskamer binnen en zet
Zich neer op een tweezitsbankje
Even later pakt hij gedachteloos een tijdschrift
Van het bijzettafeltje

ZO HIJ HET ONS WIL DOEN LATEN VOORKOMEN ALTHANS

Het is een zeer warme dag eind juni
De wind is stilgevallen
Een harde oostenwind heeft de gehele dag de bomen
Die nu heel vol zijn naar zee doen buigen
De tuindeuren staan open en overal
Op de voetpaden op de hofjes en pleintjes zijn
Mensen buiten
Ze praten met elkaar en maken armgebaren

Meisjes van zeventien schaars en strak gekleed
Paraderen rond niet goed wetend wat te doen
Meent Brumming vol overtuiging
De jongens kijken naar ze terwijl ze onmachtig
Op hun brommers zitten
De merels laten zich niet meer horen
Het is zomer nu en zij maken zich niet druk meer
Voor dit jaar is het grote werk gedaan

De schemering vangt aan
Een lichte windvlaag gaat door de bomen
Een zwaarlijvige man ligt bedwelmd voor café Woud
Een wat oudere vrouw sjort even aan hem
Dan wist ze zich het zweet van haar voorhoofd en
Gaat café Woud in Brumming ziet alles

Het is beslist een heel pak warmte dat over de
Provinciestad aan zee is gelegd en geen der inwoners
Van de provinciestad aan zee is bij machte zich eraan
Te onttrekken

Aan de Spoorgracht zit een vrouw links van de brug te
Vissen uit een tas pakt ze een flesje bier
Aan de overkant van de gracht ligt een bootje te koop
Peinzend steekt de vrouw een Gauloise op
Dan gaat de dobber onder de vrouw ziet het onmiddellijk
En haalt op

Een meisje slaat heupwiegend de Nieuwstraat in
Een jongen sluipt ogenschijnlijk achteloos achter haar aan
Brumming sluit de ogen

DAT VRAAGT DE KLEINE MAN ZICH AF

Het regent eindelijk regent het
Eerst langzaam en aarzelend maar later zwaar en
Nu sijpelt de regen in stralen van de bladeren en takken
De regen dropt van de stijlen van de openstaande tuindeur
Overal is regen nu
Het is zo warm geweest vandaag
Je hoort de donderslagen van ver en het zwakke weerlicht
Is niet instaat hem werkelijk te verontrusten
De klam makende hitte in huis is niet verdwenen

De kleine man denkt terug aan de twee uren eerder deze avond
Dat hij bevangen was door de warmte en de alles verterende
Angst om hevig lijdend te moeten sterven
De dood daar is de kleine man niet bang voor dat is iets moois
Maar in verstikking angst en wanhoop te moeten sterven
Dat lijkt hem iets verschrikkelijks
Voor twee uren doorstond hij deze gedachten lijdzaam
En hij wachtte af of het over zou gaan

Nu zit de kleine man aan tafel en luistert naar het onweer
Dat snel naderbij lijkt te komen
Niet groter is de wereld dan de huiskamer waarin
Hij nu aan tafel zit en zijn hart bonkt zo zwaar niet meer
Dan plotseling splijt een lichtflits de kamer in twee
Helften
De kleine man zijn hart slaat over en hij snelt naar de tuindeur om
Deze te sluiten
Een hevige donderslag volgt

Heel zijn leven draait om angst
Dat weet hij nu wel heel zeker
En er is niemand die dat beseft
Heel veel dingen beangstigen de kleine man

En of dat ergens goed voor is

BRUMMING HEEFT EEN ANGSTDROOM

Zij wenst niet te eten
Nukkig met de armen over elkaar gevouwen staat
Zij kaarsrecht aan het raam
Het is twaalf uur in de middag

Hij opent de deur en loopt op haar toe
Hij ziet het gevulde etensbord onaangeroerd
Dicht bij haar gekomen slaat hij haar met zijn
Vlakke rechterhand hard op haar linkerwang
Zij vertrekt geen spier

Over vijf minuten zal ik wederkeren zegt hij
En deze zelfde hand zal u opnieuw treffen wanneer
De voortreffelijke maaltijd die daar op tafel staat
Nog altijd onaangeroerd gebleven is
Hij loopt terug naar de deur
En verlaat de kamer

Zij wenst niet te eten
Broodmager is zij maar desondanks zo tanig dat
Menig zeeman op de grote vaart jaloers op haar zou zijn
Haar linkerwang moet hevig gloeien nu
Niets daarvan is te merken
Geen hand bedoeld om haar troost en verzachting te bieden
Brengt zij naar haar aangezicht

Na vijf minuten keert hij weer
Het bord eten staat onaangetast op tafel
Hij loopt op haar toe en volvoert zijn
Vernederende en pijnlijke voornemen
Vervolgens voegt hij haar toe over vijf minuten
Opnieuw zijn opwachting te maken

In het geval wat hij zegt niet te hopen
Zij de kostelijke maaltijd zal blijven versmaden
Zal hij opnieuw en opnieuw haar bezoeken
En wanneer het noodzakelijk mocht blijken te zijn
Zal hij dat de gehele middag volhouden

Met een schok wordt Brumming wakker

EN DOPPERTJE PROBEERT VOORZICHTIG DE EERSTE
NOG WAT VAGE GLIMLACH VAN DEZE DAG

Opnieuw alsof het de gewoonste zaak van de wereld is
Is het avond
De drukte en het vele zinloze bewegen van overdag
Zijn voorbij
Eindelijk hoeft Doppertje niet meer na te denken noch
Behoedzaam te zijn voor woorden die hij achteloos
En onbedachtzaam uit zou kunnen spreken
Het is beslist een bevrijdende gedachte te noemen
Op dat soort zaken niet meer te hoeven letten
En Doppertje bedenkt zich de vele genoegens die de avond
Hem nog bieden zal

Ontdaan van plicht zit hij peinzend aan tafel
Onweerstaanbaar moet Doppertje denken aan de aardige vrouw
Die hij vanmiddag ontmoette en hoe weinig zinvol de
Dingen waren die hij haar melden kon
Laat staan een werkelijk gesprek met haar te voeren
Terwijl Doppertje luistert naar de stilte
Van de zomeravond slaat de koelkast aan
In de opening van de tuindeur hangt het
Bamboegordijn roerloos stil en in de verte
Blaft een hond

Doppertje is blij dat het avond geworden is
Kalm en licht opgewekt zit hij aan tafel
En vraagt zich af hoe het gekomen is dat nog nooit
In zijn leven hij een bordeel heeft bezocht
Waarin hij niet is gaan wonen

De bourbon begint eindelijk te smaken
En de zware vermoeidheid die voor lange tijd
Bezit van Doppertje had genomen trekt langzaam
Maar duidelijk merkbaar uit zijn kuiten weg

MEVROUW LEENSCHAT VAN BODEGRAVEN HEEFT EEN LITERAIRE MIJMERING

Dat is goed nieuws
Dat is heel goed nieuws
Daar hadden wij eigenlijk niet meer op gerekend
In feite zijn wij verbijsterd
Wij waren zo ingesteld op en vertrouwd geraakt met
Het slechte nieuws dat wij niet goed weten hoe
Te handelen nu

Nu meteen zullen wij eerst maar eens de begrafenisondernemer
Afbellen
Dat lijkt ons wel zo netjes
Daaropvolgend nemen wij direct contact op met de notaris
De verdeling van het geld onder de kinderen zal
Nog even op zich moeten laten wachten

Het is voortreffelijk nieuws
Wie had dat nu nog verwacht
Zijn vrienden zullen onverwijld een feestmaal aanrichten
Zijn vele vriendinnen zullen daar hun opwachting maken
De een nog begeerlijker dan de ander

Maar welke rol
Welke nog overgebleven rol is er voor ons weggelegd
Opnieuw zullen wij de wachtenden zijn
De wachtenden
Wij die meenden met zijn fortuin onze rampzalige levens
Dankzij die bescheiden weelde ten goede te kunnen laten keren
Waarop wij naar wij van overtuigd waren oude rechten konden laten gelden
Opnieuw zullen wij de wachtenden zijn
En uiterst geduldig zullen wij wachten
Totdat het eindelijk werkelijk zover is

DAARMEE IS DAT AFGESLOTEN MAAR HET LEVEN GAAT VOORT

1

Vooralsnog beschouwt hij zichzelf als een
Eenvoudig man
Een man die met zijn harde werken niet heel veel
Heeft bereikt
Maar nu het een warme juli avond is
Zit de kleine man desondanks aan tafel in zijn tuin
En hij drinkt een volle rode wijn
De vlam van de kaars op tafel
Flakkert nauwelijks

Het harde werken heeft hem niet alleen zijn jeugd
Afgenomen maar erger en meer nog zijn vroegere
Tomeloze kracht waarmee hij uitbundig wenste te
Smijten

De stilte van de zomeravond wordt onderbroken
Door het opgewonden geschreeuw van jongens
En meisjes in de vatbare leeftijd
Het klinkt de kleine man vertrouwd in de oren en hij voelt
Hoe de angst en het verlangen naar elkaar een
Oncontroleerbare extase te weeg brengen die hem
Lichtjes huiveren doet

Nooit heeft hij zich gemengd in de strijd om het
Recht te mogen paren

Wel meent hij te weten wat de jongelui aanvliegt
Het is de rauwe en tedere schreeuw van drift
De aanjager van alle levende dingen

Twee weken geleden trachtte de slanke zwarte kater
Onopvallend een wit bungelend dingetje in huis te
Brengen
Juist nog zag de kleine man het en hij voelde dat er iets niet
In orde was de slanke zwarte kater schoot onder het
Dressoir

2

Snel liep de kleine man op het dressoir toe hij knielde en
Keek onder het dressoir de zwarte kater schoot weg
Om een ontslapen wit dwergkonijntje achter te laten

Even sloeg het hart van de kleine man over
Haalde diep adem en liep naar de keuken
Hij kan geen dode dieren aanraken vandaar dat hij
Naar de keuken liep om de stoffer en het blik te
Pakken

Even later met de ogen half gesloten probeerde hij
Het witte dwergkonijntje met de stoffer op het blik
Te schuiven
Hij bemerkte dat het lichaampje al wat stijf geworden
Was
Toen was het gelukt en uit de kast pakte hij een lege
Schoenendoos
De kleine man schoof het dwergkonijntje erin en plaatste
Het deksel op de doos
Vervolgens zuchtte hij lichtjes
De slanke zwarte kater was weer binnengekomen en
Schurkte zich behaaglijk tegen de kuiten van de kleine man

De kleine man ontwaakt uit zijn dromerij als hij plotseling
Harde en krakerige jongemannenstemmen hoort op het
Fietspad achter zijn huis

Het is vrijwel geheel donker nu
In zijn tuin is het bladstil
Het licht van de brandende kaars heeft door de almaar
Toenemende duisternis aan kracht gewonnen en de kleine man
Voelt hoe gemakkelijk hij nu gezien kan worden vanaf
Het pad
Dan staat hij op en gaat zijn huiskamer binnen
Nog even denkt de kleine man aan de verregaande afschuw
Die hij bezit ten aanzien van het aanraken van
Dode dieren

3

Tegelijkertijd schiet hem een kleine flits door het hoofd
Die onmiddellijk leidt tot bescheiden tevredenheid
De kleine man kan er beslist beter mee omgaan tegenwoordig
De grote schrik voor ontbinding
Is minder geworden

Opnieuw loopt de kleine man de tuin in en blaast de kaars uit
Het glas bourbon neemt hij van tafel
Zo blijft hij een tijdje staan
Af en toe neemt hij een slokje
Snel wennen zijn ogen aan het halfduister

Werken zal hij niet meer spreekt de kleine man onverwacht voor zich uit
Niet meer
In ieder geval
Niet meer dat werk
Met dat werk is het gedaan

ECHTE DIEREN DOEN DAT ALS VANZELF

De macht van de moeheid goede vriend
Dient Van Putten de jongeman van repliek
De moeheid die alle dagen duurt
Is van een tergende onnatuurlijkheid
Die naar het schijnt alleen het fenomeen
Mens treffen kan
Andere dieren grazen voor het aangezicht
Gods dagenlang zonder maar een
Greintje vermoeidheid op te lopen
Weer andere dieren die dagen in de
Schaduw liggen te puffen ondernemen
Razendsnel een fikse jachtpartij om vervolgens
Opnieuw dagen in de schaduw te gaan liggen
Puffen
Werkelijk vermoeid zijn zij niet geweest

Vandaar is de moeheid die de mens ten deel valt
Iets om over na te denken jonge vriend
Gaat Van Putten verder
Iets om uitgebreid bij stil te staan
Waar wij dat weet u net als ik goede vriend
Zeer zelden tijd voor hebben
Zo druk als wij het hebben
Die moeheid door dat jachtige veroorzaakt
Jaagt ons aan tot waanzin mijn beste
Leidt tot vele onzuivere beslissingen tot
Monogamie en verder talloze veelal diep
Tragikomische misverstanden

De macht van de moeheid jongeling
Heeft velen zich voor de trein doen werpen
En weer anderen vanaf hemelhoge gebouwen
Hoe zijn zij daarboven in Godsnaam gekomen overigens
Zich een zekere dood tegemoet laten storten

Moeheid goede jonge vriend is de grootste vijand
Van de mens daar bestaat geen twijfel over
Moeheid vergiftigt ons heldere denken
Wij maken ons druk en luieren weinig
Onze leefgewoonten zijn tegennatuurlijk
En levensgevaarlijk
Neem dat van mij aan

Van Putten staat op zet zijn hoed op
Neemt zijn wandelstok en zegt
Ik groet u jongeling en wens u een
Opmerkzame verdere dag toe

OF HET BIER

En hier twaalf gloednieuwe gangmakers
Van het Schönberg Consort
Debiteert mevrouw Leenschat van Bodegraven
Een dozijn humoristische hits die het in
Het afgelopen jaar opperbest deden op de
Bühne of de buis
Ulrik Bader het muzikale brein van het
Onafscheidelijke viertal kent dan ook al
Jarenlang het geheim om muziek voor
Uw feestavonden tot zo een cocktail te
Mixen dat de stemming er steeds in blijft
Ook deze langspeler is weer goed gevuld
Met hun bekende komische effecten
Meezing repertoire en vrijetijdsplezier
Kortom het vrolijke vertier voor bij de borrel
En mevrouw Leenschat van Bodegraven heft haar
Glas opgewekt naar niemand in het bijzonder

WAT BRUMMING NIET WIL ZIEN

Brumming loopt door die straat het is een warme avond
Voor een helverlicht raam staat een volle geblondeerde
Vrouw met haar handen in haar zij
Op de bank zit een kale man
Hij kijkt televisie
Zij draait zich om en klaarblijkelijk zegt zij iets tegen hem
Zonder dat hij zijn blik van de televisie afwendt
Ziet Brumming zijn lippen bewegen
Dan draait zij zich opnieuw naar het raam

Brumming kijkt strak voor zich uit als hij het raam voorbijgaat
Hij meent weet te hebben van de dingen die zich
In huiskamers afspelen
Licht beschaamd sluit hij zijn ogen

Stevig stapt Brumming door en snel heeft hij het raam ver achter zich
Gelaten
Een beeldschone jonge vrouw passeert hem achteloos
Zij is zo luchtig gekleed dat het Brumming de adem beneemt
Nog nooit heeft hij met een dergelijke jonge vrouw een
Gesprek gevoerd dat ergens over ging

Dat haar schoonheid zijn begeerte aanjaagt zonder
Dat hij een dergelijke jonge vrouw werkelijk kent
Beangstigt hem en
Opnieuw schaamt Brumming zich als hij onwillekeurig denken
Moet aan wat zich zonder twijfel onder haar jurkje
Bevinden zal

MET WIJDE PIJPEN

Van Putten heeft iets met geld en soms is hij daar kwaad
En soms verdrietig over
Hij telt veel en de waren die te koop worden aangeboden
Onderwerpt hij meestentijds aan een nauwgezet onderzoek
Hij probeert na te gaan of de aangeboden waar wel de
Kwaliteit bezit die het bedrag dat er voor wordt gevraagd
Verantwoord maakt
Dat doet hij altijd

Hij heeft iets met geld dat hem woedend maakt
Dat er veel echt domme mensen zijn die er veel te veel
Van hebben en ermee omspringen alsof het niets
Betekent

Dat vindt hij schandelijk daar moeten gepaste straffen
Voor bedacht worden
Die vervolgens in wetboeken behoren te worden opgenomen
Voor rechters om na te lezen zodat zij recht kunnen spreken
Zodat ten slotte door de krachtige arm van diezelfde wet
De daad bij het woord kan worden gesteld

Het is een laatzomeravond en Van Putten bezit geen directe zorgen
Morgen is het donderdag
De hitte van de afgelopen twee weken heeft hem niet
Tot waanzin gebracht
Hij drinkt een glaasje wijn en mijmert zo wat
De tuindeur staat open en de zomeravondgeluiden
En de zomeravondwind zijn tot meesterlijke dingen in staat
Dat bemerkt Van Putten

Morgen is het donderdag het is ruim na elven nu
Van Putten heeft zijn bril afgezet en met toegeknepen ogen
Kijkt hij zijn kamer rond

Van Putten vraagt zich af waar hij is
En wanneer hij tot zijn grote schrik en plotseling
Bemerkt dat hij een ouderwetse jongensbroek draagt
Is hij plotseling bij vader en moeder thuis

MAAR VROEGER HAD HIJ BESLIST TALENT

De jongeman van een en veertig die Brumming half goed kent
Vraagt in de pauze of Brumming met hem koffiedrinken wil
Hij wil ook roken en vraagt of Brumming met hem naar
Buiten gaat want binnen is roken niet toegestaan
Brumming stemt met zijn voorstel in

Even later zit Brumming op de stenen trap
Brumming kijkt naar hem en ziet dat zijn volle bos studentikoze
Haar kort geknipt en grijs geworden is het zit beslist
Niet meer zoals het vroeger zat

Het is zeven uur in de avond en de zomer loopt af
Een lichte maar onmiskenbare dranklucht walmt
Hij Brumming toe onderwijl hij vlot en losjes pratend een
Sigaret naar zijn volle en gulzige lippen brengt die
Hij met een goudkleurige aansteker ontbrandt

Brumming denkt er aan hoe weinig hij werkelijk van hem weet
Dat deert Brumming niet dromerig als Brumming is en vol gedachten
Het schoolpleintje is volkomen leeg en uiterst rustig
Door de openstaande deur hoort Brumming het geroezemoes

Hij is snel oud geworden de jongeman van toen
Het jongensachtige echter en de lichte bravoure
Hoewel wat routineus geworden
Heeft hij desondanks behouden

Hij trouwde met de voor velen begeerlijke
Voluptueuze vrouw en schonk haar kinderen
Voor hobbies heeft hij geen tijd meer

Hij zit in de autohandel en dat vergt wat
Brumming merkt op dat hij er vermoeid
En lusteloos uit ziet

DOPPERTJE ZIJN VADER HEEFT GEZEGD

Doppertje zijn vader heeft gezegd dat hij die rat in een ton
Met een stok heeft doodgeslagen
Ze waren op weg naar oma en die rat kruiste
Hun pad
Doppertje zijn vader pakte het stuk hout en de rat vluchtte
In de ton
Zo is het gegaan
Want Doppertje gelooft zijn vader

Het is middag
Doppertje loopt van de huiskamer naar het kleine keukentje
Met het gaskomfoor en hij opent de deur naar de waterkast
De pot is gebroken hij kijkt erin en een zwaar geurende
Inktzwarte duisternis klimt omhoog
Doppertje sluit de deur en gaat door het keukentje de
Huiskamer weer in

Dat is zijn moeder die daar zit en hij zorgt er voor bij haar
Uit de buurt te blijven
Ze klaagt al haar wee met hoge snikkende uithalen
Naar buiten
Haar gezicht wordt gemaskeerd door een verwrongen
Door afschuw getekend aangezicht
Dan ziet ze Doppertje

O jongen het is zo erg snikt ze
De pot is gebroken en toen moest ik naar de waterkast
En toen stak
Die rat zijn kop zomaar uit dat gat
En hij glom van natheid en met die oogjes
O jongen het is zo erg
O jongen begrijp je

Zonder iets te zeggen
Wil Doppertje er niets meer mee te maken hebben
En sluipt naar zijn kamer boven

AL WAS HET MAAR VOOR EVEN

De meestergitarist van het spelen moe geraakt zet
Zich neer aan de kleine ronde tafel naast de bar
Het is een late avond en de tuindeuren
Van het etablissement waar hij die avond een optreden
Verzorgt staan wijd open
Het publiek roezemoest en loopt ruisend in en uit
Glaswerk rinkelt en iemand roept met verschrikte stem
Pas Op Theodoor Achter Je
Brumming springt opzij
Brekende en vallende geluiden klinken op

De meestergitarist glimlacht vermoeid en nipt van zijn
Bourbon
Plots duikt een jonge vrouw naast de meestergitarist op
Zij vraagt hem of het haar gepermitteerd is bij hem te
Komen zitten
Ondanks zijn vermoeidheid stemt de meestergitarist in
Onmiskenbaar betoverd beseft hij door de diepte van haar
Decolleté die hem een voorbode toeschijnt van zachte rust
En een langzaam dovend verlangen ver tot in de diepe slaap

Ik zag uw handen zegt ze terwijl u speelde
Meteen vond ik ze mooi en blank en fijn
De klanken die uw handen voortbrachten
Dempten onmiddellijk mijn nerveuze onrust
Ik had vandaag een nare dag op kantoor moet u weten
Terwijl ik luisterde wilde ik telkens opnieuw mijn ogen
Sluiten
Maar ik dwong mijzelf dat niet te doen
Zo mooi vond ik uw handen dat ik ze steeds wilde zien
Totdat het pauze was
En tegelijkertijd nam ik mij voor
Hoe angstig ik dat ook vond
Dat ik u spreken wilde
Koste wat kost

WAARIN DOPPERTJE VERHAALT OVER ZIJN MAGISTRALE OOM

1

Mijn oom trekt zijn rechterschoen uit en slaat met de hak
Hard en ritmisch een flink aantal malen op de lange eettafel
Waaraan gezeten allemaal vrolijk lachende wijn en
Bier drinkende en met smaak etende familieleden

Onder hen bevinden zich neven en nichten die je nog niet
Eerder hebt gezien en van alle aanwezigen ken je er hooguit
Een stuk of tien
Je oom ken je goed en hij kent ze vast allemaal of hij trekt
Zich er gewoon niets van aan dat hij niet iedereen kent

Het wil maar niet stil worden en nogmaals maar nu driftiger
En nog harder slaat hij met zijn schoen op tafel en zijn ogen
Spuwen vuur
Langzaam wordt het stil en mijn oom die ik zeer bewonder
Maakt zich nog iets groter dan hij al is
Dan is het muisstil

Bedaard gaat mijn oom zitten en trekt kalm zijn rechterschoen
Weer aan
Uiterst zorgvuldig knoopt hij de veter vast

Ergens achter aan de eettafel valt een glas aan stukken
Verstoord in zijn bezigheid kijkt mijn oom in de richting
Vanwaar het glasgerinkel komt
Met de gezichten strak in de plooi beschermen de familieleden
De schuldige die zich ongetwijfeld in hun midden bevindt

Dan staat mijn oom op en zet de handen in de zij
Mijn oom schraapt plechtig de keel en zegt klaar en helder
Dierbaren
De daad is gedaan
Vanmiddag tussen half twee en half drie heb ik de brief geschreven

2

Lang heb ik nagedacht over de toe te passen retoriek vanwege
Mijn zeer krachtige overtuiging dat de brief direct en intraveneus
Zijn weg zou behoren te vinden namelijk te weten rechtstreeks
Naar het hart van de directeur van het bos

Niet begrijp je waar oom het over heeft
Je kijkt rond en de volwassenen staren strak voor zich uit
Mijn onbekende neven en nichten spelen stiekem en
Zachtjes met servetten stukjes gebak messen en vorken
Alles dat voor handen is
Ook zij weten niet waar oom het over heeft
Dat meen je duidelijk aan ze te kunnen zien

Mijn oom zet zijn glas wijn met een plofje op de tafel neer
De directeur van het bos gaat hij verder is een gerespecteerd en naar
Hij zelf beweert gewetensvol man
Maar mijn dierbaren is hij dat ook werkelijk
Dat nu is het thema geworden van de brief die ik namens
De gehele familie geschreven heb

De retoriek die ik mij daarbij voorstelde en waar ik het al
Eerder over had werd die besloot ik van het zich telkens maar
Herhalende sarcasme de wrede bijtende humor die
Wrang en beladen de directeur van het bos geen enkele mogelijkheid
Bieden zou tot voor derden ook maar enig aanvaardbaar
Verweer

En hier nu aan de warme zachte boezem van de familie
Kan ik u reeds op voorhand mededelen dat de brief
Voor de gehele familie een groot succes zal zijn
Genadeloos zal de directeur van het bos in het hart getroffen worden
En niet goed zal hij weten wat nog te doen
De brief namelijk heb ik onmiddellijk in afschrift gezonden
Aan alle denkbare belanghebbenden die op hun beurt
Ongetwijfeld de wenkbrauwen hoog op zullen trekken

Mijn oom nu biedt een vreemde triomfantelijke aanblik
Zijn ogen schitteren
En
Vol bewondering en gefascineerd beschouw ik mijn oom

DE KLEINE MAN KENT DE HUIZEN VAN DE LIEFDE NIET

1

Hij kent de huizen van de liefde niet
Ze liggen aan de andere zijde van de stad
Hij moet er de oude stenen brug van de rivier voor over
Die langzaam en doelloos stroomt naar zee
Zijn moeder heeft hem verboden ooit daar te komen
En vele jaren lang heeft hij
Wanneer de avond duisternis over de stad bracht
Gekeken uit zijn kleine slaapkamerraam op zolder
Naar de krans van licht die opwelde uit de
Oude stadswijk aan de overzijde van het water
Al die avonden staarde hij naar de huizen van de liefde
Iedere vallende duisternis opnieuw waarbij hij
Sterker en sterker het verlangen groeien voelde
Dat hem uiteindelijk over de brug drijven zou
Om de huizen van de liefde te bezoeken en
Mocht zijn bonzend hart het toestaan
Binnen te gaan in de huizen van de liefde
Om er de weg voor altijd te leren kennen

Nu op deze septemberavond loopt hij eindelijk door
Achterstraatjes en stegen heimelijk opdat niemand
Hem zien zal naar de oude stenen brug
Het is een lange wandeling die hij maakt
Maar de tocht vermoeit hem geenszins
Zeventien is hij nu en zijn kolkend bloed zal hem
Jagen over de brug naar de andere zijde van de stad
Waar de huizen van de liefde zijn
Het bundeltje geld waarvoor hij een jaar lang heeft
Gespaard omknelt hij stevig in zijn rechtervuist

Juist wanneer hij de brug over wil gaan
Ontwaart hij midden op de stenen brug

2

Een onguur uitziend manspersoon die onder een booglantaarn
Leunend tegen de balustrade uiterst traag een sigaret rookt
Als hij de rook uitblaast brengt hij zijn kin omhoog en
Zijn rechterhand duwt de rand van zijn hoed dieper
Over zijn ogen
Langzaam zet hij zijn rechtervoet tegen de onderste
Spijl van de balustrade
Dan draait zijn hoofd zich een halve slag

Hij verstijft als hij voelt hoe de man hem ziet
Hij durft niet goed verder meer
En zonder dat hij dat wil denkt hij aan het gebod
Van zijn moeder dat hij eindelijk overtreden zou
Vanavond nog
Zijn moeder die niet van hem houden kan
Omdat zij niet weet wat liefde is
Vanwege dat zij nooit geleerd heeft
Wat de moeite waard is na te streven
En wat niet
Zijn moeder die alleen zichzelf ziet
En niet de wereld kent

Daar denkt hij aan als hij staat voor
De oude stenen brug kijkend naar de man
Een twintigtal meters voor hem
Het is beslist een onguur en onbetrouwbaar type
Desondanks jagen zijn geld en bloed hem aan
Maar hij aarzelt

Plotseling loopt hij ter linkerzijde van de brug
De onguur uitziende man ter rechterzijde voorbij
De brug schommelt hevig en de man kijkt naar hem
Verder gebeurt er niets verontrustends

3

Dan is hij over de oude stenen brug
Dan is hij nabij de oude stadswijk
Hij ziet het licht stralen hoog boven de huizen uit
Dankzij dat licht bepaalt hij de richting die hij in zal slaan
Om zijn uiteindelijk doel te bereiken
De huizen van de liefde
Die hij binnentreden wil om er de weg te leren kennen
En het onrustbarende bonzen van zijn hart
Tot kalme en bedaarde slagen te maken
Om hem uiteindelijk na al zijn verzoeken
En betrachten uitgeput aan de welvingen van
De echte liefde in slaap te laten vallen

Want dat is wat de kleine man
En dat weet hij heel zeker te menen
Meer dan alles nodig heeft

HET OPENINGSNUMMER

1

De goochelaar die eigenlijk brandweercommandant is
En de beste vriend van Van Putten
Komt op met witte zijden handschoenen
Het talrijke publiek applaudisseert
Diep en statig buigt de goochelaar en Van Putten kent hem goed
In een flits ziet Van Putten een doorzichtig stuk elastiek bevestigd
Aan zijn rechter handschoen dat strak gespannen diep
Zijn zwarte rechter mouw ingaat

Het is een warme nazomermiddag begin september
De kantine van de brandweerkazerne is volgepakt
Met opgewonden kinderen die hun enthousiasme
Aangaande de voorstelling niet onder stoelen of
Banken schuiven

De goochelaar richt zich op en ontdoet zich beslist
Elegant van zijn linkerhandschoen die hij even later
Sierlijk toont aan het publiek
Nu trekt hij zijn rechter handschoen uit en je ziet
Hoe aandachtig hij dat doet en hoe vakkundig hij
Nonchalant de rechter mouw wat omhoog schuift
Dan stopt de goochelaar de linkerhandschoen in
De rechter en zijn rechterhand sluit zich langzaam

Het publiek voelt de toenemende spanning nu het
Hoogtepunt van de begoocheling nader lijkt te komen
De goochelaar doet enige stappen voorwaarts
Zijn rechterhand met de vuist gesloten houdt hij
Met gestrekte arm voor zich uit

2

Het publiek is niet stil meer te krijgen
Van Putten ziet hoe moeilijk het is voor de goochelaar
Om zich te concentreren
Als de goochelaar enige tijd verstild voor op
Het podium blijft staan wordt het godzijdank
Langzaam stil
Van Putten ziet pareltjes zweet glinsteren op het voorhoofd
Van de goochelaar

Nu eindelijk is het volledig stil en ademloos
Kijken de kinderen naar de goochelaar
Plotseling gooit hij de handschoenen
Met een weids snel gebaar hoog in de lucht
Onmiddellijk zijn de handschoenen verdwenen
Het strakgespannen elastiek dat weet Van Putten heeft de
Rechter handschoen met daarin gepropt de linker
Razendsnel de rechter mouw van de met goud stiksel
Versierde goochelaars jas in doen laten schieten

Het jeugdige publiek is verbijsterd
Een mysterieuze glimlach neemt bezit van
Het gelaat van de goochelaar
De kinderen komen los en klappen en stampen
Ze joelen dat het een aard heeft
Van Putten voelt een weldadige bewondering
Voor de goochelaar in zich opkomen
Opnieuw buigt hij diep en statig
Een lichte verwachtingsvolle koorts neemt bezit van Van Putten
Vanwege wat er allemaal nog komen zal beseft hij
Want dit was nog maar het begin

MEVROUW LEENSCHAT VAN BODEGRAVEN WEET HET EN HUIVERT EVEN LICHTJES

Daar staat ze midden op het trottoir de twintigjarige leerlinge
Van de tekenacademie
Het is een zonovergoten dag in september zo tegen het middaguur
Niet heel erg druk is het in de brede winkelstraat dicht nabij het
Centrum van de stad
Maar druk genoeg

De twintigjarige staat stil en dromerig maar beslist aandachtig
Kijkt ze naar iets dat zich rechts voor haar bevindt
Losjes houdt de leerlinge een slappe gevlochten rotan
Boodschappentas met haar linkerarm tegen haar ranke leest gedrukt
Over haar hagelwitte hesje vallen schaduwen die haar vormen
Pril nog maar desondanks vol ontluikende verwachting
Tot een wonder van
Schoonheid maken

Achter de leerlinge van de tekenacademie lopen twee vrouwen naast
Elkaar
Een man rechts van ze zegt iets tegen de vrouw links van hem
Een oudere dame fietst voorbij
Verderop gaat een auto de hoek om

Haar gezichtje is zo aantrekkelijk
Haar fijne maar toch volle mond
De ideale lijnen van haar slapen naar haar kin
Het dikke zwart krullende haar dat ze met een elastiek
Achter de korte ranke nek heeft samengebonden

Rond haar taille draagt ze een stoere riem
Daaronder haar driekwart rok die haar benen grotendeels aan
Het zicht onttrekt
Dit alles geeft onbedwingbaar te raden
De twintigjarige leerlinge van de tekenacademie is adembenemend
Mooi
Op dit moment behoort zij zonder twijfel tot het aller schoonste
Dat het leven op aarde te bieden heeft

Ongezien en onopgemerkt vanuit een beschaduwde portiek
Aan de overkant van de straat kijkt mevrouw Leenschat van Bodegraven
Naar haar
En ze slikt

1 Trackbacks & Pingbacks

  1. Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 14 | Veel meer dan een alibi | Herfst | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*