Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 3 | Het grauw | Winter

Wat vooraf ging:
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-proloog-dagen-van-van-putten-boek-1-dat-dient-zich-aan-zomer/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-2-de-kwaal-herfst/

BOEK 3

Het grauw

Winter

WAAR HIJ ZIJN REDENEN VOOR HEEFT

Brumming houdt zich niet te veel bezig met hedendaagse
Dichters
Vanwege de arbeid die Brumming pleegt leest Brumming weleens Wat
Doch plaatsvervangende schaamte overvalt Brumming immer weer
Dilettanten snoevers en diep ongelukkigen zijn het
Waarom doen ze wat ze doen
Wat drijft hen er toe
Vaak zucht Brumming dan

Vluchtig meestal leest Brumming sommige tijdschriften door
Allemaal humbug vindt Brumming
Geen spoortje waarheid te ontdekken
Nergens waarachtigheid
Ze zouden zich moeten schamen
Zelden echter ontwikkelt zich bij Brumming
Het vuur van de kwaadaardige woede
Mededogen heeft Brumming dan eerder
Deemoed voor hen die naar zijn mening
In onwetendheid dichten

Niet dat Brumming ijdel is
Want ijdel is Brumming slechts in zelf bepaalde mate
Zijn maatstaf is de arbeid
Die Brumming avond na avond pleegt

Niet dat Brumming klagerig is
Want zo is Brumming niet
Het is dat Brumming zich liever niet te veel
Met hedendaagse dichters bezighoudt
Dat is in feite alles

OM OP TE STAAN TEGEN IETS

Nauwgezet ruimt van Putten zijn schrijftafel op
Je weet maar nooit wat er in een gedicht
Terecht komen kan wanneer de directe omgeving
Waarin het geschreven wordt niet voldoet
Aan de strikte wetten der ordening

Enige tijd later is de schikking naar zijn tevredenheid
Van Putten schenkt zich een glas goede wijn in
Leunt even achterover en pakt zijn pen

IN MIJMERING OP ZIJN KAMER SCHRIJFT HIJ

Dat is de titel die van Putten vrijwel onmiddellijk noteert
En dan

Denkt hij aan hoe zijn kamer is
Hij ziet Gouden Jordaan Successen voor zich liggen
Precies zoals hij wenst
Een houten doosje met sigaartjes
Pessoa bedolven onder kerstkaarten
Een kaars
De telefoon
Nu alleen nog een titel peinst hij
Dan pakt hij zijn pen

Van Putten heeft een sigaartje opgestoken
Even leunt van Putten achterover
Om goed te kunnen zien wat hij heeft neergeschreven
Opnieuw beziet van Putten zijn tafel
En staat op

PARELS EN OLIE

Zelfs het ontbreken van licht doet nauwelijks ter zake
Wat geschikt moet worden weet nog nergens van
Zon vandaag is onzichtbaar geweest
Twijfel ligt hoog opgetast
De dag is nog niet voorbij
Doppertje Kid ligt onder zijn muskietennet
In de Tennessee avond eind oktober hoort hij
De krekels tjirpen
De olielamp naast Doppertje zijn veldbed
Walmt

De hitte is beklemmend Doppertje veegt een haarlok
Van zijn bezwete voorhoofd weg
Morgen zal Doppertje zwemmen gaan
Zwemmen in de Missisippi
Op zijn rug drijvend zal Doppertje
Een sleepboot aan horen komen
In lage bedwelmende dieselmotoren klanken

Verrukt zal Doppertje dan zijn
Een lied zingend zal Doppertje
De oever verlaten
Om het koele water in te gaan

Doppertje is in koortsige slaap verzonken
In zijn droom verschijnen
De contouren van Mainstreet
Het geluid van een ambulance
De geur van de aanstaande zomer
Een gedoofde stem
Alsmede allerhande kleuren

GEEN ANTWOORD HEEFT VAN PUTTEN TOT ZIJN BESCHIKKING

Hij loopt naar beneden vindt het verzameld werk
Gaat opnieuw naar zijn kamer boven
En legt het voor zich neer
Buiten loeit de winterstorm
Op zijn kamer klinkt lieflijke muziek
Daarna wordt het stil op de kamer
De plaat is afgelopen

Luisterend naar de storm slaat hij de uitgave open
Zijn ogen richten zich op het gedicht dat hij
Lezen gaat
Snel wordt hij meegevoerd in een beangstigend en
Formidabel vers dat hem onmiddellijk na
Het lezen ervan in volledige eenzaamheid
Achterlaat

VAN PUTTEN ZIJN EERSTE DAG OP SCHOOL

En wat gebeuren moet gebeurt natuurlijk
Deola is er niet
Van Putten loopt de lange gang door
Daar wordt van Putten geroepen
Het is Konstantin die hem wenkt
Van Putten loopt op Konstantin toe

Je moet op V10 surveilleren zegt Konstantin
Terwijl Konstantin van Putten een blauw
Bakje met papieren
In de handen drukt
Joyce loopt wel even met je mee
Van Putten weet waaraan hij begonnen is

Niet veel later zit van Putten in een klaslokaal
Dat een tiental meisjes bevat
Het is half negen in de wintermorgen
Nog donker buiten

Van Putten staart uit het raam
De meisjes zitten druk te schrijven
In de papieren die van Putten juist
Heeft uitgedeeld

Van Putten ziet de neonreclame van een autohandel
Nu ze schrijven blikt hij voorzichtig rond
Even weet van Putten niet meer waar hij is
Daar zit Joyce
Mooie Joyce
Die van Putten nog kent van het bos

Wat doe ik hier denkt van Putten
Wat heeft mij hier gebracht

Plotseling hoort van Putten ritselen achter in de klas
Een tas wordt dichtgeritst
Een stoel aangeschoven
Een meisje loopt op van Putten toe
Leg daar maar neer
Zegt van Putten met keurig ingehouden stem
Godzijdank doet zij het
En verlaat het klaslokaal

GOD HEEFT DOPPERTJE KID NOG NIET VERLATEN

God heeft Doppertje Kid nog niet verlaten
Doppertje heeft getwijfeld
Twijfelt nu misschien nog
Maar het ergste is voorbij
Dat weet Doppertje

Doppertje zit op de veranda
Het is zondagochtend half zeven
Zwijgend drinkt Doppertje zijn koffie
Doppertje heeft zich zorgen gemaakt
Beseft Doppertje
Zorgen die Doppertje niet achteloos terzijde
Schuiven kon
Onaangedaan roert Doppertje zijn tweede kopje koffie

Bij het geluid van een naderende postkoets
Staat Doppertje langzaam op
Licht voorovergebogen neemt Doppertje
Een laatste slokje
Daarna gespt Doppertje zijn riem met holsters om
En loopt uiterst bedaard Mainstreet op

Doppertje spreidt zijn benen
Zijn handen losjes aan de heupen

Niet veel later houden briesende paarden
Twintig meter voor Doppertje stil

Vrouwen en kinderen eerst
Beveelt Doppertje met zakelijk kalme stem
In de stilte van de vroege ochtend

EN DER GROTE DOCHTERS VAN AFRIKA

Het is ook een vreemd mannetje
Het is een onzeker mannetje
Dat is duidelijk te zien wanneer dat grappige
Venijnige vrouwtje hem te pakken neemt
Daar heeft ze lol in namelijk
Dan kleurt hij
Dat weet hij
Dan praat hij door want hij is de voorzitter
Met ogen die zich richten naar het bureaublad
Wegdraaiend van de aanwezigen ze geniet
Ze heeft hem volkomen in haar macht
Haar ogen fonkelen van Putten geniet

Zojuist stormde ze de vergadering binnen
Die mat begonnen was
Tien minuten te laat riep ze
En voegde de voorzitter toe dat ze koffie ging drinken
Ze had een uur herkansingen gehad
Ze was wel aan een pauze toe vond ze
Hij kon geen woord uit brengen
Onder gespeelde kalmte daalde hij in de diepste diepten af
De grond was onder hem weggeslagen
Het was hem aan te zien
Twee minuten later stormde ze opnieuw de vergadering binnen
Met een mok koffie in haar hand

Ik dacht ik neem toch maar geen koffiepauze
Dat vind ik toch zo goed van mij
Ga ik lekker naast jou zitten Alexander
Zei ze pestend tegen de voorzitter
Toen pas besefte van Putten wie ze was

HIJ ZAG HAAR OGEN VOCHTIG EN GLANZEND WORDEN

Om en nabij twaalf uur in de middag terwijl
Van Putten zich in van Putten zijn nieuwe kantoortje
Te scheren stond ging de deur open

De lichtinval bevatte de vrouw met wie van Putten
Een lang verleden bezit

Na niet veel plichtplegingen
Debiteert van Putten uiterlijk en innerlijk kalm
Nerina je weet het ik moet het je vragen
Heb jij mij toen een brief terug geschreven
Of niet

Ik ben er aan begonnen zegt Nerina onmiddellijk
Maar halverwege vond ik het wel goed zo
Zeker nadat we elkaar in de schouwburg hadden ontmoet
Dus liet ik het er maar bij
Ik ben erg ziek geweest Nerina zegt van Putten
In het begin van mijn ziekte heb ik dagenlang urenlang kilometers
Langs de vloedlijn gelopen
Almaar dat ene zinnetje prevelend
Het moet goed komen
Het moet goed komen
Het moet goed komen
Net als die beroemde acteur in die beroemde film

Jullie hebben mij laten vallen toen
Vijf jaar Nerina heeft het mij gekost om er weer bovenop
Te komen
Van Putten zegt het zonder wrok
Nauwkeurig beschouwt van Putten Nerina
Jij was de spin in dat web Nerina
Het was tussen ons
Niet de anderen
En dat wist je

Ik vond je hard en onbewogen

EN DAT IS HEEL ERG VOOR HAAR

Het is natuurlijk niet zo dat daar kwesties
Mee werden opgelost
Daar ging het ook niet om
Het was dat van Putten eindelijk aan dat
Wat al zo lang in van Putten brandde
Uiting geven kon zonder dat iets dergelijks
Als gewoonlijk op het laatste moment
Verhinderd werd
Alleen daarmee al was van Putten zeer tevreden

Wat van Putten later in gedachten bleef
Was hoe helder en eenvoudig van Putten de woorden
Vond die mild maar genadeloos
Beschreven hoe van Putten Nerina ziet
Hoe van Putten even in Nerina haar ogen meende waar
Te nemen Nerina haar diepste geheim
Dicht genaderd te zijn
Dat stemde van Putten niet milder
Integendeel
Zorgvuldig zijn gedachten wegend
Kwam van Putten tot de slotsom
Dat de passie en vergevingsgezindheid
Die van Putten vroeger altijd voor Nerina bezeten had
Verdwenen waren

Later die avond besloot van Putten
Dat van Putten al die tijd gelijk heeft gehad
Er is iets mis met Nerina
En Nerina weet het

HET IS DINSDAGMIDDAG TWAALF UUR

Het is dinsdagmiddag twaalf uur
De deur gaat open en daar is Nerina opnieuw
Van Putten voelt zich licht wrokkig
Eigenlijk heeft van Putten helemaal geen zin in Nerina
Al snel bemerkt van Putten dat Nerina als gewoonlijk
Haar beminnelijkste masker heeft opgezet
Tezelfdertijd voelt van Putten Nerina haar serene twijfel
Maar ook het vertrouwen in haar stalen burcht
Die meent Nerina van Putten nooit zal kunnen slechten

Desondanks lijkt er wat onzekerheid bij Nerina binnengeslopen
Maar het zal Nerina niet meer baten mijmert van Putten
Te lang heeft Nerina dat pad bewandeld en meters dik zijn de muren
Van de bunker die Nerina rondom zich heeft opgetrokken
Waarschijnlijk is Nerina reddeloos verloren

Ik had gedacht vanmiddag wat leeswerk te doen zegt Nerina
Onderwijl ze zich glimlachend tegenover van Putten neerzet
Dat komt dan goed uit zegt van Putten
Ik was namelijk hetzelfde van plan

Ze pakken hun boeken en gaan lezen

In de zinderende stilte die hen het half uur
Daaropvolgend omringt
Is niets te horen dan geritsel van bladzijden
Die omgeslagen worden
Het kreukelen van het bruinpapieren zakje waaruit Nerina
Een boterham neemt
Haar rustige kauwen daarna
Dat duidelijk hoorbaar is

VIJFTIG MIJL EN EEN CANYON VERDEROP

Doppertje kijkt van een afstand toe en denkt na
Is hier van verdwazing sprake
Doppertje weet het niet
Routineus maar uiterst zorgvuldig
Kamt Doppertje zijn haar achterover

Waar is Doppertje mee bezig mompelt Doppertje
Doppertje moet verder
Wat houdt Doppertje hier
Een stofwolk wordt groter en lost niet op
Er komen geluiden bij

Doppertje staat op vanuit zijn hinderlaag
Nieuwe aandrift kan Doppertje onmogelijk dulden
Doppertje gaat als gewoonlijk zijn werk doen
Dat lijkt Doppertje het beste

De stofwolk houdt langzaam stil en
Dan pas trekt Doppertje zijn vijf en veertig
Een wat trage reactie beseft Doppertje
Maar niemand die het merkt

Dan hervindt Doppertje zich
En handelt kordaat het zaakje af
Even later geeft Doppertje Fernando de flanken
En rijdt
Twee rijk gevulde leren zadeltassen
Glanzend in de middagzon
Met zich meevoerend
Stapvoets het stadje uit
Op weg naar Nowhere

DINSDAGMIDDAG TWAALF UUR

Het doet van Putten niet veel meer
Weliswaar heeft van Putten vandaag
Van Putten zijn kleding zorgvuldiger
Uitgekozen dan doorgaans het geval is
Maar verder
Nee het doet van Putten niet veel meer
Van Putten legt een bedrijvigheid aan de dag
Die Nerina verlamd maken moet
Nodeloos papieren doorbladerend
In hun kantoor
Dat eigenlijk dat van van Putten is

Het is voorbij eindelijk voorbij
Meent van Putten
Totdat Nerina even achter hem staat
Zich licht over van Putten zijn rechterschouder buigt
Van Putten Nerina haar stem van heel dichtbij hoort
Van Putten Nerina haar adem zijn hals strelen voelt

Maar niet overgeleverd meer aan Nerina is van Putten
Het doet van Putten niet veel meer
Met uitzondering van de herinnering aan die wrede tover eens
Lang geleden nu
Maar verder nee
Niet meer
Tegen half vijf zegt van Putten
Ik heb het gezien voor vandaag
Van Putten trekt zijn jas aan
Veel succes morgen zegt van Putten
Tot volgende week
En van Putten gaat weg

DAN ZAL HIJ DE TRAP OPGAAN

Het is kwart over acht in de avond begin februari
Straks gaat Brumming een speelfilm zien
Dat heeft Brumming zich voorgenomen
En Brumming gaat het doen

Te lang heeft Brumming geen film gezien
Dat kan zo niet langer beseft Brumming
Vanavond gaat het gebeuren
Brumming weet het zeker

Een Franse film gaat Brumming zien
Van een filmmaker die eens De Slager maakte
Welke film Brumming
Brumming weet het nog goed
Destijds een geweldige film vond

Over een kwartier gaat Brumming lekker boven zitten
Dan is zijn werk gedaan
Brumming neemt een flesje wijn en wat te roken mee
En niet veel meer dan anderhalve meter
Zal Brumming van de beeldbuis af gaan zitten

Al met al vindt Brumming het een goed plan
Ook al is Brumming er wat zenuwachtig onder
Aangezien iets vaags als plichtsverzuim
Door Brumming zijn gedachten speelt

Desondanks is Brumming vastbesloten
Nog vijf minuten

IT NEVER ENTERED MY MIND

Mevrouw Leenschat van Bodegraven zit lekker
Op haar kamer
Deze middag zat zij
Even heerlijk
In de deuropening van haar huis genietend
Van de mid februarizon

Zij voelde voor het eerst dit jaar het verlangen
Naar de lente door haar aderen stromen
En bijna aanminnig groette mevrouw Leenschat
Van Bodegraven de mensen
Die haar bij tijd en wijle passeerden

Heel het hofje lag als goud voor haar
Mevrouw Leenschat van Bodegraven las een boek
Filosofie van het Landschap
Maar eigenlijk las ze niet

Mevrouw Leenschat van Bodegraven heeft de
Verwarming aangezet het werd wat kil
Zij schenkt zich een glas rode wijn in
Neemt een fijn sigaartje uit het houten kistje
Dat rechts van haar op tafel staat

Mevrouw Leenschat van Bodegraven mijmert
Over Cornelis en Theodoor
Ze maakt het vanavond maar niet te laat
Het is een schone dag geweest vindt zij

Lichtjes verschuift mevrouw Leenschat van
Bodegraven haar linker boezem houderbandje
Waaronder het wat jeukt
Dan staat mevrouw Leenschat van Bodegraven op
Trekt haar rok recht
En gaat de trap af naar beneden
Zachtjes zingend

HEEL EVEN VOELDE VAN PUTTEN HAAR LICHTE BEWONDERING

Fikse onenigheid hadden van Putten en Deola
Van Putten had het moeilijk droge lippen
En vooral een droge mond
Alhoewel van Putten vond dat hij in zijn recht stond
Werd van Putten in een positie gedrongen die
Van Putten in het geheel niet beviel
Deola speelde het spel niet eerlijk
Achterbaks en geniepig vond van Putten
Van Putten boog diep maar breken deed van Putten niet
Wel was van Putten behoorlijk ontdaan
Daarna ging Deola naar een vergadering

Om twaalf uur stapte Nerina binnen
Van Putten zat peinzend voor zich uit te staren
Hoe gaat het vroeg ze
Terwijl Nerina haar tasje neerzette
Nou niet erg best zei van Putten
Deola en ik hebben problemen
Je weet er wel wat van denk ik
Van Putten begon het hele verhaal omstandig uit te leggen
Zorgvuldig omschreef van Putten zijn motieven en stelde ze
Telkens scherp tegenover die van Deola

Jij wilt ook eigenlijk altijd alles tegelijk zei Nerina
Niet onvriendelijk
Nadat van Putten zijn beschouwing even onderbroken had
Laat het toch eens gewoon over je heenkomen
Maar dat kan ik niet Nerina antwoordde van Putten
Ik kan niet tegen gesjoemel en gedraai
Ik ben een rechtlijnig mens

DIE EENS WAREN

Lange tijd was het mooi en spannend
Vervolgens gebeurde er iets als gevolg
Van broeienis die zich vrijwel onmerkbaar
Diep binnenin genesteld had
Iets dat heel het plan op losse schroeven zette

Wandelde hij soms niet heerlijk in zijn pauzes
Door het bos niet lang geleden nog
Was zijn oude kantoor niet veel aantrekkelijker
Lichter luisterrijker en toegankelijker soms
Dan het bedompte hok waarin hij
Nu resideert

Zijn zijn uitgeslagen vleugels dan toch
Niet meer dan sleepsporen in het zand
Van Putten weet het niet goed meer

Buiten in de avond ronkt een helikopter over
Het loopt tegen half twaalf
Voor van Putten is het de hoogste tijd
Naar bed te gaan

De twijfel voelt niet hol en leeg meer
Eigenlijk voelt van Putten zich behoorlijk goed

Het is verbijsterend zoals het gaat
Nee
Wonderbaarlijk corrigeert van Putten zich
Onderwijl van Putten de trap afdaalt
Wonderbaarlijk
Zoals de dingen gaan

DOPPERTJE KID IN EEN DORPJE AAN DE NOORDERKUST

Vier dagtochten later arriveerde Doppertje
In het al lang door zomer vergeten
Dorpje aan de noorderkust

Het was koud
Wind joeg ijzig door de verlaten straten
Doppertje sloeg Fernando een extra deken om
Gaf hem wat suikerklontjes
Knoopte de leidsels vast aan de veranda
Van het drinkhuis waar Doppertje binnen wilde gaan
Om zijn connectie te ontmoeten

Doppertje blikte rond en zag
Tegen de saloon aangeleund
Een wit tentachtig onderkomen
Dat Doppertje onmiddellijk intrigeerde
Doppertje moest naar binnen

Met zijn hand losjes aan zijn vijf en veertig
Maakte Doppertje zoals Doppertje zich wenste
Een onopvallende entree

Onmiddellijk besefte Doppertje
Nadat hij een vluchtige blik over
De menigte geworpen had
Dat dit dan een asylum moest zijn
De hel op aarde
Waarvan Doppertje gehoord had
Maar nog nooit met eigen ogen aanschouwd

Bedacht op elk onverwacht geluid
Dwaalde Doppertje
Nieuwsgierig als Doppertje is
Een uur of twee in het pandemonium rond

Daarna
Maar niet eerdat Doppertje Fernando als een ware vriend
Begroet had
Fernando water en hooi gegeven had
Sprong Doppertje soepel op Fernando zijn rug

Toen pas verlieten zij het dorpje aan de noorderkust
Doppertje en Fernando
Om in volle galop
De binnenlanden in te gaan

FRAGMENT UIT VAN PUTTEN ZIJN DAGBOEK

Nadat zij haar laatste woorden uitgesproken had
Zag ik hoe de hand waarmee ze haar pen vasthield
Verkrampte en trilde
Ik zag haar knokkels wit worden
Alsmede angst in haar ogen
De angst van het uitverkoren
Topwijfje dat de troep moest gaan leiden
Ik had medelijden een soort medelijden
Met haar
Het zwarte rechthoekige modieuze
Brilletje maakte haar kwetsbaar
In tegenstelling tot de strenge maar rechtvaardige juf
Die zij zijn wilde
Die zonder twijfel is
Die boven alle partijen verheven is
Om haar aangeboren schattigheid
Te verbloemen

Ach ik had medelijden met haar
En ik meende
Ach ijdele ik
Een en ander nu reeds te herkennen en ik dacht
Doe dit jezelf niet aan de aanwezigen hier
Zijn aasgieren en wolven
Dat bedoel ik beeldend dan
Want aasgieren en wolven acht ik hoog
Maar waarom doe je dit dacht ik
Wanneer je weet dat je er
Als het er werkelijk op aankomt
Niet werkelijk tegen bestand bent
Ik keek naar haar en zag haar rechterhand zich
Ogenschijnlijk willoos ontspannen
Iemand nam het woord over
De aandacht was niet meer op haar gericht
Ik zag rechte rode streepjes in haar hals

Ze is net zo oud als ik
En ik heb haar lief zoals ze is
Want wie beschermt haar verder

OP EEN KOUDE AVOND BEGIN MAART

Op een koude avond begin maart
Zit iemand aan tafel het is half elf
Een glas witte wijn staat rechts van hem
Hij vraagt zich af of hij gelukkig is danwel wanhopig
Bedachtzaam kijkt hij zijn kamer rond
Muziek uit lang vervlogen tijd klinkt op
Hij wacht totdat de muziek voorbij is
Dan pakt hij zijn pen en schrijft

OP EEN KOUDE AVOND IN MAART

Op een koude avond in maart
Maakt van Putten zich gereed
Om terug te keren naar wat hij
Verlaten had om nooit nog naar
Terug te keren

Van Putten zit aan tafel
Het is tien over elf
Rechts van hem staat een leeg glas wijn

Kalm in de stilte die er is
Blikt van Putten zijn kamer rond
Hij loopt naar de platenkast omdat hij
Iets dierbaars wil gaan horen
Iets dierbaars van lang geleden
Daar heeft van Putten nu behoefte aan
Dan haalt zijn hand de pen van het papier
Om vervolgens de pen naast het schrijfblok
Neer te leggen

NOCH MOKKEND NOCH GROMMEND

Doppertje is wat ontevreden over zichzelf
Heeft hij eindelijk gedichten naar het literaire
Tijdschrift opgestuurd keurig uitgetypt op zijn
Nieuwe Remington
Ziet hij nu hij de doordrukken naleest
Fouten staan die Doppertje niet had gewenst
Doppertje kijkt uit het raam
Wat zal Doppertje doen
Gedachteloos speelt Doppertje
Met zijn vijf en veertig

Laat ik tevreden zijn met mijn bedoeling
Doppertje zucht
Want eigenlijk is Doppertje een heel
Nauwkeurig mens
Het is een zware avond voor Doppertje
Doppertje tracht zijn genoegens te tellen
Dat gaat heel snel
Want het zijn er niet te veel

Doppertje staat op en beent zijn kamer rond
Niet goed gedaan mompelt hij
Niet goed gedaan
Zo kom ik nooit in
Gulch City’s Chronicles Poetry & Review

Dan zet Doppertje zich aan zijn bureau
Doppertje schenkt zich een whisky in
Pakt de doordrukken
Draait een nieuw vel in zijn Remington
En begint zijn correctiewerk

NOCH ZIJN

Onder zo vele jonge vrouwen is zij allang
De knapste niet meer
Misschien wel nooit geweest
Maar toch is een en ander lastig vast te stellen
Vanwege haar trieste heldere oogopslag
En de blauwzwarte wallen daaronder

Wellicht zelfs is ze vroeger
Een ware schoonheid geweest
Maar dat moet dan minstens vijftien
Of twintig of tien jaar geleden zijn
Door de hoge ramen valt overdadig
Zonlicht binnen

In het tekenlokaal dat hoog en ruim is
Pakt ze kalm en gestadig de tientallen
Verhuisdozen uit om de inhoud ervan

Zorgvuldig in twee kleine magazijntjes
Weg te bergen met de hulp van van Putten

Het is een fijn lokaal lijkt ze
Vrijwel onmerkbaar te vinden
Een ieder die daar komen wil
Moet de brede trap opgaan
De enige trap die naar het
Tekenlokaal leidt

Hier zal ze anderhalf tot twee jaar verblijven
Haar leerlingen met gestrenge hand leiden
Haar leerlingen die
Pas vele jaren na nu
Beseffen zullen
Wat een vaststaand feit is dan
Dat zij haar niet
En nimmer
Vergeten zullen

Dat weet van Putten zeker

EVEN SLUIT ZIJ HAAR OGEN

Het is dinsdagavond twintig maart
En het zijn roerige tijden
Mevrouw Leenschat van Bodegraven
Denkt aan haar neefje
Terwijl zij de koffie roert

Vanmiddag zag mevrouw Leenschat van Bodegraven
De krokusjes en sneeuwklokjes
Teer nog maar desondanks heldhaftig bevend in de
Gure maartse wind
Mevrouw Leenschat van Bodegraven wilde ze beschermen
Natuurlijk wilde mevrouw Leenschat van Bodegraven dat
Maar ook wist zij dat het niet nodig was

Vroeg in de avond is mevrouw Leenschat van Bodegraven
De polder ingegaan om het rode autootje op te halen

Nadat mevrouw Leenschat van Bodegraven de man betaald had
En in het autootje wilde stappen
Moest mevrouw Leenschat van Bodegraven haar hoed afzetten
De hoed en mevrouw Leenschat van Bodegraven samen
Pasten niet in het rode autootje

Dat wist mevrouw Leenschat van Bodegraven natuurlijk wel
Maar ze vond het leuk om de verbazing op het gezicht van de man te zien
Daarom had mevrouw Leenschat van Bodegraven de hoed gekocht
En het rode autootje
Zo een leuk klein ding
Zo een machtige hoed
Mevrouw Leenschat van Bodegraven

Schenkt zich een glas wijn in en
Brengt vervolgens het koffiekopje glimlachend
Naar de keuken
Dan gaat ze genietend zitten
Het is stil op haar kamer
Slechts de verwarmingsbuizen tikken
God is overal denkt mevrouw Leenschat van Bodegraven
Alles komt goed
Alles sal regkom

1 Trackbacks & Pingbacks

  1. Kees Engelhart – Proloog + DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 13 | Kijkend over de velden | Zomer | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*