Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 2 | De Kwaal | Herfst

Wat vooraf ging:
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-proloog-dagen-van-van-putten-boek-1-dat-dient-zich-aan-zomer/

BOEK 2

De Kwaal

Herfst

GISTEREN

Gisteren scharrelde mevrouw Leenschat van Bodegraven
Door de nalatenschap van haar broer
Die zij bewaart in haar kleine prettige huis

Zij stelde zich ten doel het persoonlijke te
Scheiden van de overheid
Met de overheid heeft haar broer veel van doen gehad

De muffe geur van jaren sloeg uit twee
Gevulde kratten en een gevlochten wiegje omhoog
Zo ruikt oud papier dacht mevrouw Leenschat van Bodegraven

Ze las de krabbels
De brieven
Stelde zich hem voor zoals hij was
Af en toe keek mevrouw Leenschat van Bodegraven
Omhoog door de tuimelramen
Zorgvuldig scheidend
Wat getypt en wat geschreven was

Soms brak haar hart
Maar toch ook weer niet
De oogstmaand is begonnen mijmerde ze
Enkele uren later richtte mevrouw Leenschat van Bodegraven
Zich op
Het werk was gedaan

Mevrouw Leenschat van Bodegraven tilde
Voorzichtig het eerste kratje
Van de grond en
Zette het even later op een plank in haar
Archief
Het tweede kratje volgde
Daarna het wiegje

Vervolgens knipte zij de lamp uit

Niet veel later waste mevrouw Leenschat van Bodegraven
Haar handen poetste haar tanden
Bekeek zichzelf kortdurend maar intens
In de badkamer spiegel
Om vervolgens plannen te ontwikkelen
Voor de rest van de dag

INNERLIJK ONTPLOFTE VAN PUTTEN

De lange blonde germaanse man
Die van Putten al zo vele jaren kent
Kan zijn onsamenhangende doch immer
Voortkabbelende koele betoog niet vervolgen
Jij bent de koning van jouw eiland
Begint van Putten
Die daar wonen dwing jij tot jouw vriendschap
Die daar aanspoelen leven in jouw genade
Verlicht voel je je dan
Maar in feite ben je de alleenheerser
Over een lege kuil
Wat er verder binnen de archipel gebeurt
Hoe de eilanden zich tot elkaar verhouden
Schuif je hooghartig weg

Wanneer het plaatsvinden zal als afgesproken
Zonder mij daar verder in te betrekken
Zullen we volstrekt ongeloofwaardig zijn
Dat voorspel ik je
Daar ben ik van overtuigd

Stilte valt
Van Putten kijkt uit het raam
Zijn forse beeldspraak
Zorgvuldig wegend

De lange blonde germaanse man
Zwijgt gedurende enige tijd
En zegt vervolgens
Eigenlijk van Putten ben ik alleen gekomen voor de dossiers

VAN HET LEGE HUIS

Daar van Putten eerstmaals vond dat zijn leven
Er nogal verward uitzag trof hij die morgen
Duidelijke maatregelen welke er even later toe
Bijdroegen dat hij besefte zijn leven beter te hebben
Ingericht dan hij even daarvoor nog had gedacht

Van Putten beoordeelde nauwkeurig zijn aanpak
Ten aanzien van de dingen die op hem af komen
Geen enkele omissie was zijn slotconclusie
Gelukzalig niet was van Putten terwijl hij wegzonk
In zijn ronde bordeel bed
Maar wel heel rustig

Regen kletterend op het dak liet de gordijnen gesloten
In zijn beschutting pakte van Putten het boek
Waarin hij lezen zou gaan over verwikkelingen
In de geest van een zakenman uit Triëst
Ruim een uur dwaalde van Putten met hem mee

Het was begin oktober er was niemand thuis
Het boek terzijde leggend stond van Putten langzaam op
In de badkamer maakte van Putten nauwgezet toilet
Koos zorgvuldig zijn kleding voor de rest van de dag
Om niet veel later te dwalen door de stille kamers

VAN PUTTEN HEEFT EEN CASSETTEBANDJE

Van Putten heeft een cassettebandje uit de nalatenschap
Van Kees Keeman kunstschilder uit de arbeidersindustriestad
Die terwijl hij zich bukte onder het lesgeven
Dood neerviel uitgezocht en opgezet
Een radiodocumentaire betreffende middeleeuwse muziek
Heel aangenaam met mooie stemmen
Commentaren en beschouwingen
Maar bovenal muziek

Daarmee doet van Putten Kees Keeman recht
Vindt van Putten
Zijn broer heeft indertijd een fiks aantal bandjes gered
Uit een afvalcontainer nadat Kees Keeman
Uit zijn flat was gezet de flat in welke
De twee jaar geleden ontslapen broer van van Putten
Eveneens resideerde

Na het verscheiden van zijn broer
Heeft van Putten uit weer zijn nalatenschap
Opnieuw de bandjes meegenomen

Nu in het jaar onzes heren tweeduizend
Op de tiende dag van de tiende maand beluistert
Van Putten ze en mijmert

Van Putten zal het onderwijs in gaan
Dat besluit hij na zorgvuldige overweging
Morgenochtend zal hij Alexander bellen om
Hem mede te delen dat hij instemt met het aanbod
Van Putten is overtuigd
Van Putten wil

EN RUSTGEVENDE KLANKEN DALEN NEER

Het is verbazingwekkend
Maar het is waar
Alle feiten tot op heden bekend
Wijzen in die richting

Van Putten zal na zes en twintig jaar
Het dorp
Waarin hij al die tijd gearbeid heeft
Verlaten om
Zijn loonderving te gaan plegen
In de provinciestad aan zee

Van Putten zit aan tafel met een half oor luisterend
Naar de luitsuites van Bach
Voor zijn geestesoog ziet van Putten
In mild en weemoedig gemoed
De tragedies de liefdesgeschiedenissen
De vreugdes daar beleefd
Aan zich voorbijgaan

Wat hem ertoe gedreven heeft
Daar mijmert van Putten over
Waarom toch dat broeinest van leven verlaten

Het is dat ik een adempauze nodig heb
Spreekt van Putten plotseling voor zich uit
Vervolgend met

Onderwijl hij opstaat
Er is veel aan voorafgegaan
Ik zal het dorp gezond verlaten
Hetzelfde dorp waarin ik ooit
Erg ziek ben geweest

Met een zucht gaat van Putten weer zitten
En zwijgt
Eindelijk kan Bach zijn werk doen

HOOGZOMER EENS

Inderdaad heeft Nerina hem zonder tromgeroffel verlaten
Naar van Putten onlangs vernomen heeft zou Nerina arbeiden gaan
In de hier dichtstbijzijnde grote provinciestad
Dat schijnt op het laatste moment niet te zijn doorgegaan
Toch is Nerina weg

Daarmee is het afgesloten
Eindelijk voorbij
Toen van Putten haar leerde kennen was Nerina onbeschrijfelijk mooi
Hoogstwaarschijnlijk is Nerina dat nog
Dat is zestien jaar geleden nu

Van Putten rekent het zich aan
Dat het zo gelopen is
Maar van Putten had zijn eer
Er zijn grenzen

Daarmee is het afgesloten
Het is niet aan hem
Het is aan haar

Het zij zo

Gelukzalige uren heeft van Putten
Destijds
Met Nerina op het strand doorgebracht

ZONDER ENIG GEVOEL VAN TRIOMF

IJsma komt plotseling
Uit haar kantoor gelopen
Als gewoonlijk straalt ze diepe minachting
Uit

Ongevraagd mengt ze zich in het gesprek
Dat van Putten voert met haar knappe secretaresse
Van Putten kijkt naar haar en luistert naar haar
Messcherpe stem
Haar nauwelijks verholen drift
Van Putten denkt na

Van Putten peinst over de blonde germaanse man
Die naar haar gunsten dingt
Aan de jongeman van twee en vijftig
Die ergens zo mediterraan aandoet
Die sidderend voor haar buigt
Die alle plezier in zijn werk verloren heeft

Van Putten haalt diep adem en
Nadat van Putten even uit het raam gekeken heeft
Dient van Putten IJsma genadeloos van repliek
De knappe secretaresse verstijft
Ook in de belendende burelen moet
Het te horen zijn hoewel van Putten
Beheerst en zonder stemverheffing
Zijn zinnen uitspreekt
Wat een verdienste is van van Putten zelf
Want van Putten is een zeer gevoelsrijk mens

IJsma beheerst zich ternauwernood
Van Putten vat de zaak nog eens kort
En bondig samen

Bijna stikkend van ingehouden woede
Sist IJsma
Van Putten je hebt gelijk
En
Terwijl ze onmiddellijk in haar paperassen
Duikt wuift ze hem met haar linkerhand weg
Ga nu maar van Putten

Dank je IJsma
Geeft van Putten haar ten antwoord
Niet veel later loopt van Putten
Nog nagloeiend
Kaarsrecht naar zijn kantoor terug

EN SCHENKT ZICH EEN JONGE KLARE IN

Een van de zitkamer stoelen die Brumming liefheeft
Glanst donker in het licht van een enkele kaars
Een rijk geornamenteerde stoel
Mechelse school naar Brumming is verteld
Het is donker hout
Welke soort peinst Brumming
Hij zou het niet weten

De stoel lijkt hem voornamelijk handgesneden
Maar zeker weten doet Brumming dat niet
Het middenstuk is riet gevlochten
Daaromheen
Hoe omschrijf je dat
Brumming kan er niet opkomen

Bloemen in ieder geval bloemen
Twee fraaie knoppen ja knoppen
Aan weerszijden aan de bovenzijde

Het is november
Wie zal er op die stoel gezeten hebben
Een meisje van drie wellicht
Zeventig jaar geleden of daaromtrent
Aan deze zelfde tafel
Want de tafel ging samen met de stoelen

Brumming fantaseert
Brumming is dronken van weemoed
Barokkig zwijgt de stoel
Brumming staat van de tafel op
Brumming streelt de rug van de stoel

DOPPERTJE KID IN GULCH CITY

Doppertje droomde
Doppertje wreef zich de ogen uit
Het kon toch niet mogelijk zijn dat hij
Hij las de brief nogmaals
Doppertje voelde een withete gloed door zijn
Aderen trekken

Ogenschijnlijk routinematig gespte hij zijn
Riem en holster om
Met daarin zijn vijf en veertig
Zorgvuldig poetste hij zijn tanden en
Stapte even later door de klapdeuren
Mainstreet op

Op de hoek van de Trust National Bank
Zag hij juist nog van Putten wegbenen
Een koffertje dragend onder zijn arm
Die moet ik spreken besloot Doppertje fluks
Die wil ik mijn onderhavige geval eens voorleggen
Zijn oordeel zou mij waardevol kunnen blijken
Doppertje zette de pas erin

Pas later die dag kwam Doppertje tot rust
Hij overdacht de kordaatheid waarmee
Van Putten langzaam het koffertje opende
Vooral de kordaatheid denkend nu daaraan
Bracht Doppertje zijn gemoed tot kalmte
Want het koffertje bleek leeg

Dan is het avond geworden
Een zandstorm jaagt over de veranda beneden
De kaars op de tafel waaraan Doppertje slaapt
En droomt
Flakkert

Doppertje wordt langzaam wakker
Gaapt en gespt zijn riem en holster af

MEVROUW LEENSCHAT VAN BODEGRAVEN ONTVANGT EEN BRIEF

Het regent niet
Buiten is de avond stil geen wind
Alleen een brommer die zacht door het duister knort
Stemmen op het pad
Hier is alles rustig de verwarming is afgeslagen
Geen muziek
Eindelijk rust contemplatie
En overweging

Ik heb vandaag geen slechte dingen gedaan
Ik sprak vriendelijke woorden tot een ieder die ik ontmoette
Ik dronk wat kopjes koffie her en der
Ik kuste niemand
Maar toch was het erg gezellig
De tafel kraakt een beetje
Het loopt tegen Sinterklaas
De diepe stilte van kerstmis nadert

Mevrouw Leenschat van Bodegraven staat op
In haar slaapkamer kleedt zij zich om
Keert terug in een zware kamerjas
Van superieure kwaliteit
Opnieuw zet mevrouw Leenschat van Bodegraven zich
Aan tafel en onderwijl zij even uit het raam kijkt
Pakt zij schijnbaar achteloos de brief
Die links voor haar op tafel ligt

Met in haar rechterhand de briefopener
Snijdt ze in een vloeiende beweging
De bovenzijde open

ALSOF HET ALTIJD ZO IS GEWEEST

1

Morgen gaat ze beginnen
Zij
Van wie van Putten nog niet lang geleden dacht
Dat ze weg was
Die hem naar hij meende
Zonder tromgeroffel verlaten had
Dat het daarmee afgesloten was

Van Putten zit aan tafel
Jongstleden vrijdag bezocht hij de school
Waar van Putten werken zal gaan
In de lerarenkamer sprak hij even met
De directrice die zich had gekrabd
Een tissue tegen haar kin drukkend vroeg ze
Kom je sfeer proeven

Ik kom kijken of er nog iets nieuws
Onder de zon is
Antwoordde van Putten energiek
Eens even zien zei de directrice
Ja
Je weet dat Deola ziek is
Dat zal ze nog wel even blijven
Daarom hebben we iemand aangesteld
Iemand die je kent
O
Zei van Putten
Onmiddellijk doemde haar verschijning
Onweerstaanbaar voor hem op
Het is Nerina ging de directrice verder
Het duizelde van Putten
Het was waar
Natuurlijk
Het was waar

2

Van Putten probeerde er met een paar gemeenplaatsen
Vanaf te komen
Maar het was te voelen en te zien
De lerarenkamer zinderde

Van Putten schenkt zich een grappa in
Het is december vier december
De verwarming slaat af
De radiatoren tikken na
Het is stil in huis
De kaars links van van Putten
Zal moeiteloos het einde van de avond
Halen
Van Putten mijmert over een muziekje

Door stromende regen met harde wind tegen
Fietste van Putten niet veel later naar huis terug
Moeiteloos sliep zijn jongste dochter
In het fietskarretje achter hem
Koortsachtig joegen verbijsterende gedachten
Door van Putten zijn geest

Wij
Dacht van Putten
Die al zo lang aan het afscheid nemen zijn
Bij wie dat eindelijk geslaagd leek te zijn
Zullen hoogstwaarschijnlijk dus
Op de dag acht januari van het jaar onzes heren tweeduizend en een
Elkaar opnieuw ontmoeten

Terwijl een harde windstoot van Putten
Tot een extra inspanning dwong

3

Dacht van Putten
Een van de raadselen van mijn leven
Zal worden ontrafeld
Ik zal haar de vraag die niet beantwoord is
Nogmaals stellen

Deze maal moet ze antwoord geven
Dacht van Putten niet bitter
Nerina zal mij niet meer ontlopen nu
Wij worden vakbroeders opnieuw
Vijf stilte jaren
Zullen worden verbroken

Van Putten reed zijn fiets en karretje
Nauwkeurig door de tuinpoort
Nauwkeurig omdat de tuinpoort iets
Te smal is voor het karretje
De avond begon
Van Putten deed de dingen die hij meestal doet
Daar is van Putten goed in
Ondertussen laaide het oude vuur in van Putten op
Het vuur dat bijna leek gedoofd

Niet dat hij Nerina ooit heeft begeerd
Dat heeft altijd anders gelegen
Weliswaar vrij ingewikkeld allemaal maar
Dat heeft van Putten dan ook nooit ontkend
Daar is van Putten zich volledig van bewust

De geschiedenis van twee jong volwassenen
Die elkaar leerden kennen bij toeval
Die jaren iets met elkaar hebben gehad

4

Al was het eerbaar
Oneerbaar was het ook

Heeft van Putten
Al zijn nobele bedoelingen ten spijt
Nerina dan toch liefgehad
Zelfs begeerd misschien

Maar Nerina haar voor van Putten
Onaantrekkelijke boezem dan
Wat zo belangrijk voor van Putten is

Van Putten weet het niet goed meer
Dat vindt hij niet erg
Van Putten weet nog precies hoe het was
Dat meent van Putten oprecht

Van Putten schenkt zich zijn laatste grappa
Van de avond in
Van Putten dompelt zich in de zoete dromen
Die eens van Putten had
De spanning en verrukking
Wanneer hij Nerina zag
Op zomerdagen aan zee

Van Putten denkt aan Nerina
Aan de bittering die ontstond op de dag
Dat een beeldschone jonge vrouw
Die juist naar de kapper was geweest
Zich voorstelde aan van Putten zelf

Daarmee is het begonnen
Meent van Putten
Daar moet de ontluistering begonnen zijn
Jaren later heeft van Putten Nerina dat nagevraagd
Werkelijk
Nerina zei dat het niet waar was

5

Na die dag ging alles mis
Van Putten kon het Nerina niet meer naar
De zin maken
Nerina was haatdragend naar van Putten
Er viel niets meer aan te doen
Machteloos legde van Putten zich erbij neer

En nu
Hoe moet het nu verder
Van Putten neemt een laatste slokje
Van Putten kijkt uit het tuimelraam
Nu moet God het verder zelf maar bestieren
Besluit van Putten zijn mijmering
Hij heeft ons opnieuw samengebracht
Hij alleen weet hoe het verder moet

Van Putten knipt de lampen uit
Dooft de kaars en
Onderwijl van Putten de trap afdaalt
Denkt hij nog eenmaal aan de directrice

Van Putten sluit en opent een deur
Gaat een andere trap op
Om even later
Nadat van Putten zijn tanden heeft gepoetst
En van Putten zijn nachtgoed te hebben
Aangetrokken
Naast diezelfde beeldschone jonge vrouw
Zijn aanstaande
In slaap te vallen
Dicht tegen haar aan

HET IS KOUD GEWORDEN

Het is koud geworden
Dagen kort en merels schichtig
Van Putten draagt zijn schipperstrui nu hoog gesloten
Een pet en fijne wollen handschoenen
Een kwaliteitscolbert uit vroeger dagen

IS ZIJ HEM TOCH NOG ONTGLIPT

1

Toen van Putten tijdens Het Winterfeest even
Gelegenheid zag glipte hij met een bekertje cappuccino
De trap op naar waar zich binnenkort zijn nieuwe
Kantoor bevinden zal

De deur staat half open hij klopt tegen het raam
Daar zit Nerina
Iets na te kijken
Ogenschijnlijk kijkt ze licht aangenaam verrast op
Hallo Nerina zegt van Putten en gaat zitten
Van Putten is zo kalm dat Nerina het bemerken moet

Deola is acht januari weer beter begint ze
Het dringt onmiddellijk tot van Putten door
Opnieuw zal van Putten het zo benauwend belangrijke
Nerina niet kunnen navragen
Onderwijl het gesprek snel tot kabbelen overgaat
Bedenkt van Putten een eenvoudig plan
Van Putten zal het Nerina nu vragen zo meteen
Al babbelend blikt van Putten rond
Heel wat minder dan zijn huidige kantoor
Geen weids raam
Een vreemd wasbakje met een spiegel erboven
Weggedrukt in de rechterhoek

Nerina is nog even mooi
Een en veertig is ze nu
En zo vreemd
Nog even dan zal van Putten het haar vragen

Het moet een soort school bibliotheekje zijn geweest
In de schappen staan nog rijen boeken
Schots en scheef maar keurig geëtiketteerd
Een sofkantoor meent van Putten

2

Nerina vertelt van Putten van haar wederwaardigheden
In de grote provinciestad waar zij werken zou gaan
Wat uiteindelijk niet plaatsgevonden heeft

Van Putten beziet haar kleding en gezicht
Alleen als Nerina lacht wat kraaienpootjes bij
Haar slapen
Verder niets
Nerina draagt een stijlvol wollen col truitje
Nerina heeft smaak dat jasje
Altijd gehad

Juist als van Putten adem wil gaan halen
Om het te gaan vragen
Ziet hij een hoogzwangere dame het kantoortje naderen
Weer te laat
Verbijt van Putten zich op het moment dat ze
Terwijl ze de deur opent zegt
Hallo ik stoor toch niet

Weer te laat

Van Putten blijft maar niet te lang meer
Besluit van Putten vrijwel tegelijkertijd
Zinloos zou het zijn
Nu zal het wel eeuwig een raadsel blijven

Welnu
Zegt van Putten
Dat was het dan voor mij dames
Terwijl van Putten zijn stoel aanschuift
Ik moet verder
Tot weerziens dan maar

Beneden is Het Winterfeest nog in volle gang
Van Putten aanschouwt Het Meisje Met De Zwavelstokjes
Hij betaalt vijftig cent om rond te mogen dwalen
In De Tovergrot

Niet lang daarna vertrekt van Putten in lichte haast
Om niet te laat komen op de laatste vergadering
Die van Putten bijwonen zal in het bos van de directeur
Waar eens zij samen werkten en meer dan dat
Alleen

6 Trackbacks & Pingbacks

  1. Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 4 | De rook | Lente | Rob Scholte Museum
  2. Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | BOEK 5 | Een pak warmte | Zomer | Rob Scholte Museum
  3. Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 6 | Draden | Herfst | Rob Scholte Museum
  4. Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 7 | Het afrekenen | Winter | Rob Scholte Museum
  5. Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 9 | Het bevrijden | Zomer | Rob Scholte Museum
  6. Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 11 | het verval | Winter | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*