Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 16 | Over het achteloze | Lente

Wat vooraf ging:
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-proloog-dagen-van-van-putten-boek-1-dat-dient-zich-aan-zomer/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-2-de-kwaal-herfst/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-3-het-grauw-winter/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-4-de-rook-lente/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-5-een-pak-warmte-zomer/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-6-draden-herfst/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-7-het-afrekenen-winter/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-8-het-gefilterde-lente/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-9-het-bevrijden-zomer/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-10-een-nevel-herfst/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-11-het-verval-winter/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-12-een-berusten-lente-epiloog/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-proloog-dagen-van-van-putten-boek-13-kijkend-over-de-velden-zomer/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-14-veel-meer-dan-een-alibi-herfst/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-15-dagen-waarop-het-regent-winter/

Boek 16

Over het achteloze

Lente

DIE UITERAARD HELEMAAL NIETS VAN COWBOYS WIST

De aanstaande ligt in bad en wast zijn haar met azijn
Dat is goed tegen de luizen en de luizen eitjes die zich
Vastkleven aan zijn haar laten los bok het gebruik van
Azijn zo is hem verteld

Vervolgens gaat de aanstaande een stripboek lezen
Hij leest over Lucky Luke en Billy the Kid over hoe
Het stadje beeft beeft en siddert onder de grillen van
Billy en hoe Lucky Luke een in al zijn eenvoud geniaal
Plan ontwerpt en ten uitvoer brengt om de algemene
Angst voor Billy voor eens en altijd weg te vagen

De azijn prikkelt de hoofdhuid van de aanstaande op
Aangename wijze en de aanstaande droomt weg

De aanstaande staat voor het altaar en zijn aanstaande
Staat naast hem
Het is vredig in het kerkje en er wordt geroezemoest
De dochters van de aanstaanden zien er adembenemend uit
In hun midden zit de half Chinese vrouw hun grootmoeder
Het moet zomer zijn de kerkdeuren staan wijd open
Helder licht valt door de gebrandschilderde ramen
Naar binnen

Plotseling schrikt de aanstaande op
De onderzijde van Billy the Kid dreigt in het badwater
Te zakken
Zonder aanwijsbare reden denkt de aanstaande aan het
Feit dat het precies maandag twee en twintig maart in het jaar
Tweeduizend en vier onzes heren is

En andere dingen zoals
Onderwijl hij gapend uit bad stapt
Dat gisteren de eerste lentedag zoals te doen gebruikelijk de
Geboortedag van Johann Sebastian Bach is

DAT WEET VAN PUTTEN

Van Putten is verkouden en hij verlangt naar lenteweer
Het is avond en in zijn huiskamer is het stil
De kaarsen en olielampen branden
Gistermorgen dacht Van Putten nog dat hij werkelijk ziek
Worden zou

Dat is niet gebeurd en daar is Van Putten dankbaar voor
Maar de tuindeur kan voorlopig nog niet open
Daar is hij nu wel zeker van
Van Putten hoort ruwe en agressief schreeuwende
Jongemannenstemmen op het fietspad

De koelkast slaat aan en opnieuw snuit hij zijn neus
Morgen gaat Van Putten voor iets belangrijks naar de grote stad
Het is echt heel belangrijk denkt hij en nauwgezet is
Hij aan het overwegen welke kleding Van Putten dragen zal

Groot belang hecht hij aan voor hem belangrijke zaken
Wat belangrijk voor hem is waardevol en alle
Aandacht verdient die hij tot zijn beschikking heeft
Belangrijke dingen behoren tot de grootste schatten
Die Van Putten zichzelf gemaakt heeft

Op het fietspad is de stilte weergekeerd
De onrust veroorzakende jongemannenstemmen zijn
Verdwenen en de koelkast slaat af
Van Putten vraagt zich af wat voor belangrijks zij nastreven
En wat ze morgen allemaal moeten doen

Van Putten hoeft niet bang te zijn voor ze
Het zijn domme en ongelukkige jongens
Die niet weten wat waard is na te streven
En wat niet

Van Putten is verkouden en verlangt naar lenteweer
Hij wil de tuindeur openen en de merel horen
Maar zover is het nog niet

DAT STAAT VAST

Het is een fijne avond en het is lente
Na de kille ochtend is het verder zwoel geweest
Tot laat in de avond

Tegen half elf sluit Doppertje het raam
Hij heeft de merel gehoord en gezien hoe langzaam
Het donker wordt

Nu drink Doppertje een laatste bourbon en luistert naar de
Twee en driestemmige inventionen van Johann
Sebastian Bach vertolkt door de grote grijze
Geitenbreier op zijn trekharmonica

De koelkast snort en het is stil op het pad
In alles is God aanwezig het is onontkoombaar
En Doppertje voelt het
Deze lenteavond

Doppertje zijn zicht wordt minder en minder scherp
Hij heeft zijn zonnebril op sterkte bril afgezet en de lampen in de
Huiskamer lijken onmiddellijk misthoorns
Voor de ogen

Toch zit Doppertje lekker
En wat hij ziet vindt hij mooi
Het loopt tegen twaalven en straks gaat Doppertje naar
Bed

Hij weet niet precies hoe oud hij is
Maar Doppertje tolt door de jaren dat weet hij wel
Heel zeker te menen
Hij is iets van zoveel jaar

UIT DE WIND

Van Putten zit in de lentezon voor zijn huis
Het is vrijwel april en Van Putten zit lekker
Hijleest een boek
Zijjnhart slaat rustig
Er is niets urgents

Deze morgen was Van Putten van plan
In huis was het warm en buiten scheen de zon
Vandaag eens lekker naar het
Voormalige eiland te fietsen
Misschien om te zien hoe het bootje erbij ligt
Alles lekker zwoel

Maar op weg naar het kanaal voelde hij het al
Een koude noordooster en het zou de zon nog
Heel wat moeite kosten om de boel binnen een
Paar uur een beetje aangenaam op te warmen

Van Putten besloot snel
Berekeningen in het hoofd makend die te maken
Hadden met windrichting en de minst mogelijke inspanning
Langs het kanaal naar de provinciestad aan zee
Te fietsen om vervolgens langs de haven en het dijkhoofd
De dijk op te draaien dan de dijk af de wind half mee
Het duin in om in ruim anderhalf uur weer thuis te zijn

Evenzogoed ook nog een behoorlijke tocht

Dat alles heeft Van Putten gedaan
Nu zit hij voor zijn huisje
Hij leest een boek
De zon schijnt
Er is geen kille noordooster
En Van Putten geniet

DAT ZACHTE EN WARME WAAR MEVROUW LEENSCHAT 
VAN BODEGRAVEN O ZO VAAK AAN DENKT

Het derde glas rode wijn sla je beleefd af
Het is een aangenaam feest
De gasten hebben dat bepaalde verfijnde
Je voelt je minder geremd en behoedzaam
De weldadige drank heeft zijn werk gedaan
Maar voor jonge vrouwen is het met de drank
Altijd dubbel oppassen geblazen
Een dronken man dat weet je uit ervaring
Is griezelig maar een dronken jonge vrouw
Is het allerergste
De vrienden en kennissen die je toen in die
Staat gezien hebben kunnen dat niet licht
Vergeten
Sommigen hebben het er nog wel eens over

Als jonge vrouw in het bijzonder moet je goed
Op jezelf passen
Teveel van de geestrijke drank ontneemt je van
Je behoedzaamheid die je beslist nodig hebt om
Veilig te zijn

Je kunt werkelijk niet voorzichtig genoeg zijn
Op feesten en gezellige vakanties in een
Wijnkelder of bierhuis
Houd je verstand erbij

Denk alsjeblieft niet
Ach kom voor deze keer
Het is hier zo gezellig
En de jongeheren zo charmant

Je weet immers best zelf wel
Dat je je hele verdere leven lang
Door zo een gedachteloos pretje
Met de wonderlijke nasleep ervan
Kunt blijven zitten

MORGENOCHTEND VROEG

(Mevrouw Leenschat van Bodegraven droomt verder)

Wat doet zij dan
Dan slaapt zij
Jawel
Maar als zij wakker geworden is
Ruw door de wekker
Of wat minder ruw
Omdat haar meisje roept
Of langzamerhand
Omdat zij grondig uitgeslapen is
Wat doet zij dan
Dan gaat zij zich wassen en aankleden
En daarna
Dan gaan ze ontbijten
Met of zonder krant
En dan het huis uit
Naar het werk
Of de trein
Naar de menschen

EN DAN GAAN WE LEKKER SLAPEN

Rie is niet uitgenodigd voor het tweejaarlijkse
Dichtersfestival van de provinciestad aan zee
Zij heeft het Van Putten zelf verteld
Het is een late avond in april Rie zit in de
Voorkamer aan haar schrijftafel haar bureaulamp
Brandt niet
Toon wast de kopjes af in de keuken

Rie voelt zich gekrenkt noch beledigd
Maar wel verdrietig
Tijdens het festival zal de eerste stadsdichter
Van de provinciestad aan zee worden geproclameerd
Rie is niet genomineerd

Rie denkt aan haar vele in oprechte genegenheid
Geschreven kronieken in dichtvorm betreffende de
Provinciestad aan zee en haar inwoners die zij nu
Al jarenlang op zondag publiceert in het stedelijk
Weekblad
Rie denkt aan de talloze ontroerende reacties die
Ze van de mensen heeft gehad
Alle brieven heeft Rie bewaard
Tientallen forse dozen vol voor welke dozen Toon
Op zolder een heus archief heeft getimmerd

Alleen landelijke prominenten en plaatselijke talenten
Zullen het podium betreden
En zij zullen zo staat het in de krant de provinciestad
Aan zee op haar grondvesten doen laten trillen

Toon betreedt omzichtig de voorkamer
Met zich mee
Draagt hij twee tot de rand toe doorzichtig gevulde
Glaasjes drank
Zo en nu nog een nachtmutsje schat
Zegt Toon zachtjes

DE MENSEN

De mensen moeten af en toe plezier hebben
Dat weet de kleine man als geen ander
Dat is goed voor ze en het verlicht hun zorgen
Voor even vergeten ze de nare beslommeringen
Van alledag die hen kwellen en vaak neerslachtig
Maken

Tijdens het plezier dat ze hebben dansen ze wild
Ze drinken veel en zingen en schreeuwen
Ze maken ruzie en de mannen vechten met elkaar

Maar ze zijn gelukkig en de vrouwen gillen van genot
Vele glazen sneuvelen en de stoelen gaan door de ruiten
De honden gaan te keer en rukken woest aan hun
Kettingen
En de kinderen huilen

Het is goed dat de mensen plezier hebben het schenkt
Ze troost aangezien ze juist dan denken dat ze iets
Betekenen in de wereld van de machtige mensen
Hun bazen en voormannen hun deurwaarders en
Schuldeisers

De zondagen brengen ze zwijgend wrokkig door
Af en toe grauwen ze naar de kinderen
De maandagen gaan ze weer naar het werk
Op het land of de fabriek

God denkt aan ze want op zaterdagavonden hebben
Ze plezier en God weet dat het goed voor ze is
Hoe het hun zorgen verlicht en de nare beslommeringen
Van overdag vergeten laat die hen kwellen en maar al
Te vaak neerslachtigheid te weeg brengen

De kleine man schenkt zijn glas nog eens
Bij om te verzinken in een die gepeinzen

PRATEN DOEN ZE NIET MEER

Als Van Putten zorgvuldig zijn kleding uitzoekt
Op zijn slaapkamer boven en even nadenkend wanneer
Hij twee overhemden naast elkaar houdt uit het raam ziet
Ontwaart hij over de tuinen heen glashelder een manspersoon
Van Putten vergeet de overhemden en onwillekeurig moet
Hij volgen wat zich recht voor zijn ogen ontwikkelt

De man aan tafel drinkt en rookt
En staat op
De deur naar de tuin staat open
In de keuken hoort hij de trein naar de grote stad
Voorbijgaan

Met een schoteltje gevuld met olijven zet hij zich
Opnieuw aan tafel en schenkt zich een brandy in

De kamer wordt verlicht door een staande
Schemerlamp in de linkerhoek van de kamer
Naast het balkon
Een wit kleed bedekt de tafel en de man zit doodstil
Zijn ellebogen rusten op het tafelblad

Bedachtzaam gesticulerend komt een vrouw de kamer
Binnengelopen er schittert iets in haar rechterhand
Dan zet ook zij zich aan tafel en zwijgt

De gedeeltelijk opengeschoven glasgordijnen bewegen
Zachtjes in de avondwind
Het is begin mei
Aan de muur tegenover de openstaande balkondeuren
Hangt een fors en kleurrijk schilderij

De vrouw klieft een grote ronde bol doormidden
Een helft wikkelt zij in zilverfolie en brengt het
Naar de keuken
Als zij terugkeert snijdt ze de overgebleven helft
In vier forse delen

Het licht van de televisie flikkert van tijd tot tijd
Op de wanden van de huiskamer
Dan brengt de vrouw een part naar haar mond
En begint te eten
De man schenkt zich nog een brandy in

TIJD VOOR DOPPERTJE OM OP BED TE GAAN LIGGEN

Er woedt een felle brand in het stadscentrum
Het grote warenhuis en de drogisterij ernaast
Lijken het zwaarst getroffen
Vlammen slaan opklimmend uit gitzwarte rook
Door de gebroken ruiten naar buiten
Kleine groepjes mensen staan op veilige afstand
Toe te kijken
Sirenes gillen en brandweermannen rollen
Uiterst bedrijvig keurig opgerolde maar nog
Platte brandslangen uit

Je staat aan de overkant op het stationsplein
Rillingen lopen je over de rug en je handen
Voelen plakkerig aan van het zweet
Je vraagt je af of er wellicht doden te betreuren
Zijn maar er is niets te bespeuren dat daar op wijst
De verplegers staan rustig naast de ambulance
Met elkaar te praten
Een rookt er zelfs een sigaret

Tot je spijt en schrik betrap je je op de gedachte
Dat het allemaal wel meevalt en dat je dat
Behoorlijk teleurstelt al met al
Je weet dat je zo niet behoort te denken
Maar je kunt er werkelijk niets aan doen

Na enige tijd draai je je om en vol
Verwarrende gedachten sla je de weg in
Die naast het station loopt
Naar huis terug
Naar je kamer boven

ALLEEN THEODOOR BRUMMING SCHIJNT DAT
NOG TE BESEFFEN DENKT THEODOOR ZELF

Goede manieren zijn een zegen voor de mensen
Een ieder die goede manieren kent zal die uitspraak
Met beheerste kracht onderschrijven om daar
Naar alle waarschijnlijkheid onmiddellijk aan
Toe te voegen dat goede manieren helaas een
Schaars en kostbaar goed geworden zijn en dat
Terwijl de eenvoudige structuur en regelgeving
Van goede manieren in vele boekwerkjes en
Geschriften helder zijn vastgelegd en gemakkelijk
Na te zoeken

Goede manieren zijn antiquarisch geworden
De fijne en correcte aanspreekvormen
Het aannemen van de jas
Het begeleiden van een dame naar haar tafel
Dat hele soepele spel is vrijwel verdwenen op
Enkele kleine weliswaar edele kringen na die
Meer en meer kwetsbaar worden naarmate
Goede manieren onstuitbaar geworden nu
Aan kracht inboeten

Dat weet je en je zucht nauwelijks hoorbaar
De wijnglazen fonkelen in de keuken en je staat op
Je ontkurkt vaardig een grand crû
Het is half mei en de merel zingt
De tuindeur staat open en je luistert
Naar de avondgeluiden het is windstil
Ergens slaat een deur dicht
Vanuit de verte hoor je de trein die naar
De provinciestad aan zee gaat

Het is half tien in de avonden en hoewel je ze niet
Kan verstaan hoor je duidelijk twee vrouwen
Fluisteren op het voetpad naast de tuin

EN DE KLEINE MAN WEET DAT HET LENTE IS

In het duin is het prachtig
Het is volop lente
De wielen van je fiets rollen snorrend
En glanzend in het zonlicht over het fietspad
Je bent vrij en zachtjes neurie je voor je uit

Vijftig meter voor je nadert
Je blik is heel scherp nu
Een prachtige jonge vrouw
Ze draagt een los zomerjurkje een zwarte zonnebril
En ze bezit werkelijk heerlijke vormen
De vormen die jij het allerfijnste vindt

Onbewogen en nonchalant tracht je te zijn als ze
Snel nader
om strak voor je uitkijkend
Dan is de prachtige jonge vrouw voorbij
Je zucht diep en hoorbaar
Over je schouder zie je onrustig nog even om
Tegelijkertijd kijkt de prachtige jonge vrouw
Ook om
En je verstart

Duidelijk ontwaar je een babyhondenkopje dat
Uit haar decolleté omhoog steekt
Onmiddellijk richt je je blik op het asfalt
En trapt stevig door

Niet heel veel later moet ze ver achter je zijn
Je pedaalslagen nemen in snelheid en frequentie af
Je kijkt rond en ziet de oerossen grazen
Even verderop is de dijk
Daar moet je heen

Op de dijk zie je dat het zeezwembad weer geopend is
De deuren van clubhuis staan open en het clubhuis
Wordt gereedgemaakt voor de zomer nakende
De drijflijnen met de oranje en wit gekleurde bollen
Zien er feestelijk uit en maken een vierkant in zee

Onder aan de dijk hebben de sportvissers
Hun plaatsen weer ingenomen

OP EEN AVOND WAAROP VAN PUTTEN ZICH EEN AANSTAANDE VOELT

De aanstaande schoonzus van de aanstaande
Is een aanbiddelijke jonge vrouw wier blik
Overigens niets ontgaat
Dat is een van de redenen die er toe bijdraagt
Dat de aanstaande haar bewondert en liefheeft
Als aanstaande schoonzus

Aan al dat denkt de aanstaande en het is een
Late avond laat in mei
Al weken waait er een kille noordwestenwind
In een hoekje uit de wind in de zon is
Het desondanks heerlijk
Maar gaat de aanstaande een tochtje maken
Dan moet hij een jasje aan
En dat vindt de aanstaande in het geheel niet erg

Nu is het avond en de aanstaande zit aan tafel
In zijn huis hij luistert Bach en drinkt bier
In de woning die grenst aan de zijne
Weet hij
Is zijn aanstaande schoonzus op visite bij zijn
Aanstaande
De aanstaanden zijn naar de film geweest en nu
Zitten ze te praten en ze hebben het vast leuk met
Elkaar

De aanstaande heeft de tuindeur gesloten
Het werd wat kil in huis
Het is elf uur in de avond en de aanstaande
Wil nog wat dingen doen

De aanstaande terwijl hij aan de slag gaat
Voelt zich heel prettig als hij mijmert over
Zijn aanstaande schoonzus en zijn aanstaande
Eenvoudige bezigheden zijn het

EN DERGELIJKE

Het is begin juni negen uur in de avond en erg moe
Is mevrouw Leenschat van Bodegraven nog niet
Het tuimelraam staat half open
Aan tafel in het kleine kamertje boven
Zit zij uitgelezen

Zij luistert naar nietszeggende aangename muziek
Misschien wel de Anita Kerr Singers
Schenkt zich een glaasje absint in en steekt zich een
Fijn sigaartje op

Over haar schouder kijkt zij door het tuimelraam naar
Buiten
Het schemert al flink en niet denkt zij aan vroeger
Zo is het geschikt en de kaars brandt
Waar toch zijn de helikopters gebleven
Die zo vaak over haar huis vlogen
Ze zijn verdwenen
Wellicht zijn de aanvliegroutes naar het vliegveld
Verlegd
Mevrouw Leenschat van Bodegraven weet het niet
En God komt hier niet vaak

De avond verstrijkt en er gebeurt niet veel
De afgelopen weken droomde zij veel over
De vrouw die zij vergeten wil
Die nog straf krijgen moet

Dat dromen over haar is de laatste dagen gestopt
Dat is voorbij nu
Buiten is het vrijwel donker nu
Een buitengewone lentedag is ten einde gekomen
Maar nu nog is het zwoel

Eigenlijk hoeft het tuimelraam helemaal niet dicht
Maar zo direct gaat zij naar beneden
En onwillekeurig denkt mevrouw Leenschat van Bodegraven
Aan inbrekers

VOOR WRAAK EN ANDERE DINGEN

Wraak is een goed ding wraak lucht op en
Regelt zaken die anderszins nooit geregeld
Zouden worden
Niets is er rechtvaardiger dan zoete wraak
De glans die afstraalt van de opgezette val
Brengt Doppertje al bij voorbaat stil en rillend genot
Nu al hoort hij het gehuil en gesmeek van
Hen die Doppertje op hooghartige wijze groot en
Onherstelbaar onrecht hebben aangedaan

Dan rest Doppertje niet veel meer dan meedogenloze
Wraak en ongevoelig zul hij zijn voor hun
Kermen en smeken om genade en vergiffenis
En dat ze nu ten volle begrijpen wat allemaal
Ze Doppertje hebben misdaan
Maar hij lacht om ze en pookt het vuur waarin
De brandijzers liggen nog wat hoger op

God almachtig wat zijn ze bang en wat hebben
Ze plotseling een spijt van al die dingen
Onbewogen pakt Doppertje de zwepen uit het rek
En begint uiterst zorgvuldig de strengen
Met zacht geurende oliën in te wrijven

Het is een warme lenteavond
De merels zingen en Doppertje voelt zich uitstekend
Een klein glaasje bourbon schenkt Doppertje zich in
En hij steekt een fijn sigaartje op
Dromerig staart hij voor zich uit
Er is tijd genoeg
Meent Doppertje

EN EVEN SLUIT HIJ DE OGEN

Verveling is iets fijns
De Kleine ,man weet niet wat te doen
Dan zegt hij tweemaal ik verveel me
En dat is dan dat

Tegen wie hij dat zegt
Voelt zich meteen schuldig
Die komt onmiddellijk in beweging
Om iets aan die verveling te doen
Dat is heerlijk

Of de kleine man wellicht een wandeling
Zou willen maken
Iets eten of drinken
Dat hij lekker vindt
Maar de kleine man wil helemaal niets

Dat maakt tegen wie hij dat zegt radeloos
Die bedenkt weer iets anders
Iets spannends of opwekkends
In die ogen ziet de kleine man al iets van wanhoop gloren

Dat is eigenlijk zijn dierbaarste moment
Dat tegen wie hij dat zegt beseft dat er
Werkelijk geen beginnen aan is
Vrijwel onmerkbaar rilt de kleine man van genot

Met vlakke stem en uiterlijk onbewogen
Zegt de kleine man ik dank u voor uw medeleven en
Compassie
Maar ik heb echt nergens geen zin in
Laat mij maar

DE REST VERDER IS AAN GOD

Stijl is doelmatigheid
Dat moet de dichter weten
Dan interesseert hij zich onmiddellijk voor stijl
In ieder geval geldt dit voor de dichter die het
Hoogste in zijn kunst bereiken wil
Dan is hem duidelijk geworden dat het streven
Naar een telkens zich verbeterende stijl van
Wezenlijk belang is voor het almaar maar hoger
Opvoeren van zijn dichterlijke verrichtingen
Uiteindelijk stelt hij dan het nu van de stijl
Boven alles
En door dit nut in volle ernst te dienen begeeft
Hij zich langzaam maar ontegenzeggelijk naar
De schoonheid
Het allerhoogste

De doelmatige woordkunstenaar is een gemakkelijk
Eenvoudig en geolied werkende ambachtsman
Een figuur van een hartveroverende allure

Men houde echter dit in het oog
De stijl moet de dichter van nature liggen
Het is dan ook ten zeerste af te raden
Zichzelf de stijl van die-en-die bij te willen
Brengen
Hoogstens kan hij zeggen
Laat ik mij beijveren naar dat voorbeeld
Maar blijf geheel en al mijzelf

Bedachtzaam legt Van Putten zijn pen neer
Om starend uit het raam een lange mijmering
Aan te vangen

Leave a comment

Your email address will not be published.

*