Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 10 | Een nevel | Herfst

Wat vooraf ging:
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-proloog-dagen-van-van-putten-boek-1-dat-dient-zich-aan-zomer/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-2-de-kwaal-herfst/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-3-het-grauw-winter/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-4-de-rook-lente/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-5-een-pak-warmte-zomer/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-6-draden-herfst/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-7-het-afrekenen-winter/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-8-het-gefilterde-lente/
http://robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-dagen-van-van-putten-boek-9-het-bevrijden-zomer/

Boek 10

Een nevel

Herfst

IETS MOEDERLIJKS HEEFT BEZIT VAN HAAR GENOMEN

1

Mevrouw Leenschat van Bodegraven heeft vandaag
De open dag van het plaatselijk asielzoekerscentrum
Bezocht in de hoedanigheid van mens tot medemens
Alsmede bezoldigd lid van het gemeentebestuur
Het was een boeiende en leerzame middag

Nu is het avond en laat september
Mevrouw Leenschat van Bodegraven heeft de
Tuimelramen gesloten en de verwarming op
Achttien en een half gezet
Dat is exact de temperatuur die haar het best bevalt
Zij heeft zich een whisky ingeschonken en
Luistert naar Purcell

Mevrouw Leenschat van Bodegraven denkt na over
De toekomst van van Putten
Mevrouw Leenschat van Bodegraven is diep
Doordrongen van haar besef dat het op deze manier
Met van Putten niet verder kan
Dat kan de voorzienigheid van Putten niet aandoen
Daarvoor heeft van Putten te hard gewerkt en te veel
Gedaan

Mevrouw Leenschat van Bodegraven is ervan
Overtuigd dat het moment gekomen is om in
Te grijpen
Bedaard tipt ze de askegel van haar kruidensigaret af
Voor een paar seconden kijkt ze gedachteloos
Uit het gesloten tuimelraam

Een weg slechts is er overgebleven
Om van Putten zijn wens tot een nobel
En arbeidzaam leven in vervulling te
Laten gaan om hem op die wijze nog
Wat broos geluk te schenken

2

Van Putten moet zich volledig richten op
Het schrijven alleen
Dat zal hem van al zijn kwalen genezen
Daar is mevrouw Leenschat van Bodegraven
Nu ten volle van overtuigd

Het is begonnen met regenen
Hoewel het eind september is
In plaats van begin april
Voelt mevrouw Leenschat van Bodegraven
De vruchtbaarheid van de regen die nu hard
Op de ramen slaat

Morgen zal mevrouw Leenschat van Bodegraven
Van Putten een brief schrijven om hem uit te
Nodigen voor een tête á tête te harent

Niet goed nog weet mevrouw Leenschat van Bodegraven
Hoe van Putten zijn obsessies te bestrijden die hij al zolang ten
Opzichte van zijn werkgever koestert

Hoe het ook zij in ieder geval zal zij hem wijzen op zijn
Schrijftalent en de ijzeren discipline die hij naar mevrouw
Leenschat van Bodegraven haar stellige overtuiging ten toon
Heeft gespreid

Dat van Putten daarmee in zijn onderhoud zou
Kunnen voorzien
Dat van Putten dat alleen nog beseffen moet

Mevrouw Leenschat van Bodegraven
Schenkt zich een wodka in die niet
Uit Rusland komt

3

Een warme en genoegzame gloed baadt zich in de
Heldere trekken van mevrouw Leenschat van Bodegraven haar
Gelaat

Rechtop zit ze nu en ze meent
De merel in haar tuin te horen zingen
Dan schrikt mevrouw Leenschat van Bodegraven wakker

Ze kijkt haar kamer rond en merkt op
Dat de regen gestopt is te vallen
Morgenochtend direct na het ontbijt
Schrijft ze van Putten de brief

Nog even luistert ze naar Purcell Music for a While
Mevrouw Leenschat van Bodegraven heeft
In het algemeen niet zoveel op met countertenoren
Maar nu vindt ze
Is het mooi

VAAK DAN IS DE KLEINE MAN GELUKKIG

De kleine man fietst veel want dat is goed voor hem
Lange tochten maakt de kleine man
Niet meer wandelt de kleine man de werkdagen door
Het bos dat de kleine man nog altijd liefheeft
Die jaren liggen achter hem

Dat weet de kleine man en daarom fietst hij
Daarom fietst de kleine man veel
Vrijwel iedere werkdag fietst de kleine man van
Zijn huis naar de zee om door de duinen en over
De dijk het uiterste puntje van de provinciestad aan
Zee te bereiken
Daar waar het land waar de kleine
Man woont ophoudt te bestaan

Dan fietst de kleine man langs de veerhaven van de
Boot die vele malen per dag van en naar het oude eiland
Vaart
Het oude eiland dat enkele kilometers over zee verwijderd ligt
Van de provinciestad aan zee

Vervolgens rijdt de kleine man regelrecht naar de
Haven waar de kleine man altijd op hetzelfde bankje
Zitten gaat
Om uit te kijken over de haven en al wat er op de kade
Plaatsvindt

Meestal heeft de kleine man koffie bij zich
En daar geniet de kleine man dan van
Daar leest de kleine man de krant of een verhaal van
Tsjechov
Soms bladert de kleine man fotoboeken door die betrekking
Hebben op de provinciestad aan zee

Regelmatig gebruikt de kleine man wat olijven tomaten
Geitenkaas en stukjes paprika besprenkeld met een dressing
Van citroensap olijfolie en wat knoflook
Altijd eet de kleine man daar grof bruinbrood bij

HEER HOE LANG NOG BOOS ZULT U ZIJN

O God u bent mijn God
Herinner niet Heer mijn klachten
Het is oktober Heer het is oogsttijd
De vruchten zijn rijp
Goede wijn zal ik maken Heer
Uit de weinige trossen druiven
Die de zomer mij naliet

Hoor mijn gebed o Heer
U was aanwezig op die begrafenis eind maart
Waar een kind geboren uit een vrouw te ruste
Werd gelegd Heer ik ben niet jong of oud
Heer ik sta in het midden van het leven
U weet Heer hoe een begrafenismars klinkt

In mijn eenzaamheid Heer
Onder deze schaduwrijke boom
Na deze dag van zware arbeid
Zie ik u Heer zoeter als rozen nog

Voor een tijdje luister ik naar de muziek
Die mij omringt en ik denk o Heer
Mocht muziek alleen ons voedsel zijn
Geen klacht zou van mijn lippen komen

Was het maar zo dat uw woede Heer jegens mij
Die ik gezien mijn eenvoudige afkomst
Noch begrijpen noch doorgronden kan
U verlaten zou
Van Putten legt zijn pen neer
Van Putten schenkt zich een oude genever in

VAN PUTTEN BEZOEKT ZIJN EERSTE PSYCHOLOOG

1

Het is half twee in de middag het is zonnig
En er waait een schrale oostenwind
De dag is negen oktober in het jaar onzes heren
Tweeduizend en twee
Van Putten springt op zijn fiets om een tocht
Te ondernemen van krap een half uur
De tocht zal hem leiden van zijn huis naar
Het centrum van de provinciestad aan zee
Om aldaar voor het eerst zijn psycholoog
Te ontmoeten

De kwaliteit van van Putten zijn gemoed is open
En helder
Zijn hart bonst niet meer zo en voor het eerst
Sinds weken ziet hij de bollenvelden die met stro
Bekleed gereed zijn gemaakt voor de winter
Van Putten meent sobere schoonheid te zien
Hij voelt zich sereen en kalm

In het centrum van de provinciestad aan zee
Stapt hij in de Wezenstraat aangekomen af
En zet zijn fiets op slot tegen de zijgevel van een
Broodjeszaak
Dan belt hij aan bij een groene deur
Naast de deur hangt een naamplaatje waarop geschreven
Staat psychologenpraktijk en daar weer naast
Een bordje met het huisnummer
Van Putten wacht af
Onderwijl kijkt hij gedachteloos naar de drukte in de
Winkelstraat
Dan hoort van Putten gestommel en de groene deur
Zwaait open
2

Een man van middelbare leeftijd gekleed in een
Gestreept overhemd zonder stropdas en een
Spijkerbroek met golvend grijs haar reikt
Van Putten de hand
Kort stellen zij zich wederzijds aan elkaar voor
Als hij hem even later uitnodigt de trap op te
Volgen beseft van Putten dat hij zojuist kennis
Heeft gemaakt met zijn psycholoog

De trap is bekleed met een eenvoudig grijs en
Er zit een ronding in
Van Putten snuift de geur op van versgebakken broodjes
De psychologenpraktijk bevindt zich boven de
Broodjeszaak
Zijn psycholoog gaat van Putten voor naar de
Spreekkamer
Van Putten ontwaart wat andere deuren en een open
Keuken van waaruit versgezette koffie duidelijk te
Ruiken is

Ga maar vast zitten zegt zijn psycholoog
Ik ben zo terug
Van Putten schouwt de ruime spreekkamer rond
Helder zonlicht door de kleine ramen valt naar binnen
In de spreekkamer staan onder andere twee gemakkelijke
Stoelen met bruin ribfluweel bekleed
Tussen de stoelen in staat een klein tafeltje
Waarop een doosje met tissues staat
Van Putten glimlacht even maar

3

Dan speurt van Putten naar een kapstok om zijn
Leren vliegeniersjek aan op te hangen
Noch in de spreekkamer noch in de gang is er een
Kapstok te ontdekken
Van Putten loopt naar de stoel waarin hij denkt
Over enige minuten te zullen gaan zitten en hangt zijn
Jek over de achterzijde van de stoel

Zijn psycholoog is nog niet terug
Van Putten ziet een ingelijste geografische
Tekening van het oude eiland uit het jaar
Achttien vier en vijftig aan een van de muren
Hangen
Gedurende enige minuten bestudeert van Putten
De kaart nauwkeurig
Dan heeft de psycholoog zijn bezigheden afgerond
En betreedt de spreekkamer

Zijn psycholoog gaat zitten en legt een schrijfblok
Op zijn schoot
En wat of wie heeft u hier gebracht vraagt hij zonder
Nadere inleiding
Mijn werkgever antwoordt van Putten zonder aarzeling
Van Putten merkt op dat zijn psycholoog een klein litteken
Draagt op zijn linkerooglid
Dan weet ik genoeg zegt de psycholoog
En glimlacht daar fijntjes bij

Het is aangenaam warm in de spreekkamer
Van Putten ontspant zich volkomen

HET IS MAANDAG HALF OKTOBER HALF VIJF IN DE MIDDAG

Het is maandag half oktober vier uur in de middag
Op de dijk is geen mens te zien
Over een afstand van vijf kilometer is alles grijs
En het regent een enkele sportvisser staat onder aan de dijk
De dode zeevogel die al weken naast een hekje ligt
Is niet van zijn plaats geweken
De deuren van de omkleedcabine der zeezwemvereniging
Staan open een oudere man bezemt de vloer
De drijflijnen die het zeebad kortgeleden nog omringden
Zijn weggehaald
Ver voor de horizon al lopen zee en lucht vloeiend in elkaar over

Het is maandag half oktober kwart over vier in de middag
Op zee een paar honderd meter uit de kust vaart een
Oorlogsschip nog grijzer dan de lucht en zee samen
Waardoor het oorlogsschip zich duidelijk onderscheidt
De vuurtoren in de lente en zomer zo helderrood
Is nu weekroze

Mevrouw Leenschat van Bodegraven neemt dit alles
Zorgvuldig in zich op en trapt stevig door
Soms zijn er meeuwen te horen die onzichtbaar zijn
Achter de ramen van het restaurant op de dijk zijn
Net nog mensen te zien die iets eten of drinken
Een paar honderd meter verderop is het einde
Van de dijk
Daar gaat een linkerdraai naar boven en boven gekomen
Weer een draai maar nu naar rechts
Daar begint het duin
In het duin is geen mens te zien

VERBAASD KIJKT MARIE HEM NA

1

Doppertje Kid ligt verveeld op bed
Voor weken regent het al in Shadow Creek
Langzaam richt Doppertje zich op en kijkt
Uit over Mainstreet
Wat Stetsons een enkele postkoets en regenschermen
Ontwaart Doppertje Kid uit het bewasemde raam
Verder niets dan grote plassen en paarden die aan
Hun leidsels vastgeketend staan
Druipend en met gebogen hoofden
En de regen stroomt maar neer

Doppertje Kid staat op gespt zijn riem om en vult
Zijn holsters
Dan verlaat hij zijn kamer waar hij nu al voor
Maanden geen post ontvangt en gaat de brede
Trap af naar beneden waar een pianist zijn best doet
Om met vrolijk bedoeld getingel de neerslachtigheid
Te verdrijven

Doppertje zet zich aan de toog en bestelt een bourbon
Hij kijkt naar de pokerspelers aan de ronde tafel en
Naar Marie die met haar diep uitgesneden decolleté
Intiem geleund staat tegen de linkerschouder van een
Brede kerel getooid met een reusachtige hangsnor die
Een flinke stapel bankbiljetten voor zich op tafel heeft liggen
Doppertje verveelt zich hier in Shadow Creek
Waarom toch laat mevrouw Leenschat van Bodegraven
Niets meer van zich horen
Er is niets dat mij noodzaakt hier te blijven
Mijmert Doppertje voor zich uit

2

Gedachteloos wenkt Doppertje de barkeeper en wijst
Naar zijn lege glas
Dit is geen leven hier

Onderwijl ziet Doppertje hoe de brede kerel woest
Is opgestaan om een klein ventje met een dunne
Streepsnor bij de stropdas te vatten en van de
Vloer te lichten
Ook ziet Doppertje hoe de aanzienlijke stapel
Bankbiljetten die voor de brede kerel op tafel lag
Danig geslonken is
Terwijl het ventje spartelend voor hem hangt
Plukt de brede kerel met zijn rechterhand
Bundels bankbiljetten uit de broekzakken van
Het ventje
Marie schuift minzaam naast Doppertje aan de bar

Ik heb er geen zin meer in Marie zegt Doppertje
Zonder nadere uitleg
Dan drinkt Doppertje in een teug zijn bourbon uit
Wat Doppertje nooit doet
Doppertje tast in zijn broekzakken en legt wat
Kleingeld op de toog
Neem zelf ook wat Marie voegt Doppertje
Haar toe
Zonder antwoord af te wachten stevent
Doppertje de brede trap op naar boven
Hij gaat zijn bezittingen in de zadeltassen pakken
Doppertje Kid weet het zeker
Het tegen beter weten in opgewekt bedoelde getingel
Van de pianist laat hij achter zich

VAN PUTTEN ONTVANGT EEN BRIEF

1

Het is zeven uur in de morgen zojuist is van Putten
Opgestaan en kijkt uit het raam
Het regent
Van Putten trekt zijn kamerjas en sloffen aan
En gaat de trap af naar de huiskamer
Beneden gekomen zet van Putten de verwarming
Op twintig om snel de relatieve koude te doen
Laten verdwijnen

Van Putten zet het koffieapparaat aan en sloft
Naar de hal om de ochtendkrant van de deurmat
Te rapen
Op zijn weg terug leest hij vluchtig de koppen
Tot zijn genoegen ziet hij dat de nieuwe en frisse
Wind die door het land scheen te waaien tot een
Abrupt einde is gekomen

Van Putten dekt de ontbijttafel dan zet hij Triadic Memories
Van Morton Feldman op en geeft de poezen eten
Vervolgens smeert van Putten een boterham en voorziet die
Van niet dierlijk beleg hij schenkt zich een kopje koffie in
En slaat de krant open
Het is half oktober en voor de duur van anderhalf uur
Leest van Putten de beschouwingen en commentaren
Begeleid door de verstilde pianoklanken in combinatie
Met de regen die tegen de ramen slaat

Zo tegen negenen ziet van Putten als hij even van
Zijn krant opkijkt de postbode naderbij komen gekleed
In een degelijk regenpak van de posterijen
De postbode bezoekt van Putten zijn brievenbus
Als even later de postbode verder gaat om zijn
Werkzaamheden voort te zetten staat van Putten op

2

Om zich opnieuw naar de hal te begeven
Even later pakt hij een brief van de deurmat
Onmiddellijk herkent van Putten het sierlijke
Kordate handschrift
Wanneer hij werktuigelijk de brief omdraait
Om de achterzijde te bezien beseft van Putten
Dat het waar is

Van Putten schenkt zich nog een kopje koffie in
En zet zich opnieuw aan de ontbijttafel
Hij legt de brief voor zich op tafel om er voor
Enige tijd aandachtig naar te kijken
Dan snijdt hij met de briefopener die links voor
Hem ligt in een vloeiende beweging
De envelop open
Van Putten neemt de brief uit de envelop
En ontvouwt hem

Amice
Leest hij onder het briefhoofd
Zo begint de brief

EEN NIET AL TE ZWARE OPDRACHT TOT BESLUIT

Het loopt tegen het einde van de oogstmaand
Buiten waait een stevige warme zuidenwind
In het huis van de kleine man is het precies
Negentien graden Celsius
De kleine man heeft het behoorlijk warm
Wat hem enigszins verbaast

Onder andere overdenkt de kleine man zijn leven
Maar vooral de omstandigheden waarin hij zich
Op dit moment bevindt
Omstandigheden die de kleine man noch vol
Noch leeg zou durven noemen

Plotseling hoort de kleine man een vreemd geluid
Nabij het raam lijkt het
Werktuigelijk kijkt de kleine man naar het raam
Hij concentreert zich op eventuele nieuwe
Geluiden
Even slaat de schrik de kleine man om het hart

Wanneer er in de minuten die op het vreemde
Geluid volgen niets meer bij het raam te horen
Is geweest ontspant de kleine man zich
De kleine man beseft dat hij gespannen is
En bang voor gevaar

De kleine man is moe
Zijn dag is niet geweldig geweest
Zo gaat het weet de kleine man
Morgen kan weer heel anders zijn

Dan staat de kleine man op
Hij rekt zich uit en kijkt naar de boekenkast
Het wil vandaag gewoonweg niet
Spreekt hij onverwacht en helder voor zich uit

Dan loopt de kleine man naar de platenkast
Om de avond met Bach te voleindigen

DAN PLOTSELING ONTWAAKT HIJ EN GLIMLACHT VLUCHTIG

1

De dag na de zeer zware storm die het land teisterde
Die de kolkende zee tegen de dijken opzweepte
Is de rust weergekeerd
Hoewel de weersomstandigheden nog onstuimig zijn
Klimmen de mannen op de daken van hun huizen
Ten einde een en ander te herstellen

Op de dijk ligt een dode zeevogel
Waarschijnlijk te pletter gevlogen tegen de dijkwand
De storm heeft velen in nood gebracht
Negentien zielen heeft de storm genomen
Twee verzwolgen door de ziedende zee
Drie door neervallende bomen drie betreurden die
Tegen hoge tuinhekken zijn geslagen alsmede een oude vrouw
Die dood in haar stoel bleef
Op het moment dat het dak van haar woning
Werd gerukt en de stormwind haar huis
Binnenviel

Op de dijk ziet men linker en rechterschoenen
In vele soorten en maten
Overal liggen strengen zeewier en duizenden
Gebroken schelpen
Onder aan de dijk liggen over een afstand van
Honderden meters plukken aangespoeld stro
Blikjes en plastic flessen
Het dak der serre van het dijkrestaurant is er
Afgewaaid en glas ligt overal
Men ziet de werkmannen bezig de niet geringe
Schade zo spoedig mogelijk te herstellen

2

De zee is nog niet tot bedaren gekomen
Een vissersschip ploegt woest door zware deining
Zuidwaarts
Het is maandagmiddag en als gewoonlijk
Vaart de vissersvloot uit
Men ziet de zee
Ik hoop dat de luisteraars zich dat voor kunnen stellen
Onder helder zonlicht en grote schaduwvlakken
Veroorzaakt door de almaar voortjagende wolken
In kleurstellingen van een welhaast onaardse
Schoonheid

Honderd meter uit de kust ligt doodstil
Een onderzeeboot waarvan alleen de koepel
Boven de golven die ertegenaan slaan
Te zien is
Een zeer geoefende plankzeiler scheert er
Met ware doodsverachting rakelings voorbij
Het is acht en twintig oktober in het jaar
Onzes heren tweeduizend en twee

Beste luisteraars de indrukken die uw
Verslaggever op dit moment ondergaat
Worden hem te machtig en hij gaat zitten
Hier op dit witte bankje op de dijk
Hij geeft u terug aan de studio
Verdere berichtgeving volgt in het radiojournaal
Van zes uur uw door de gebeurtenissen in het land zwaar
Aangedane maar als immer hoopvolle verslaggever
Theodoor Brumming

HET ZIJ GEZEGD

In het huis van zijn aanstaande is het aangenaam warm
Van Putten zit aan de moderne zwarte tafel in de keuken
Het is begin november half tien in de avond en het regent
Dat het giet
De twee dochters van van Putten slapen
Zijn aanstaande is met haar vriendin naar de bioscoop

Van Putten luistert naar volksmuziek uit Wales
Hij drinkt er een acht jaar oude bourbon bij
Van Putten is kalm en hij overdenkt zijn leven
Onderwijl hij dat doet werkt hij zich al lezend
En ordenend door een flinke stapel papieren heen
Een stapel welke hij na enige tijd rechtstandig
Opschudt ten einde de papieren in het gareel
Te krijgen om vervolgens de keurig geworden stapel
Zorgvuldig weg te bergen in een roze map
Die hij van zijn aanstaande ten geschenke
Heeft gekregen

Een uur later zit van Putten licht dromerig
Uit het beregende raam te staren
Van Putten heeft zich een als verfrissend
Bedoeld biertje ingeschonken dat al voor
Enige tijd onaangeroerd is gebleven

Zonder ogenschijnlijke of hoorbare reden
Komt van Putten plotseling bij zinnen
Van Putten neemt een slokje bier en ziet
Dat het niet meer regent

Zwart glanzend valt het lantaarnlicht in
De waterplassen die duidelijk te zien zijn
Door de ramen van het huis van zijn
Aanstaande in welk huis van Putten
Een genoeglijke avond beleeft

EN FERNANDO BEGRIJPT HEM EN TROOST HEM

Doppertje Kid zit op zijn hotelkamer
Het is avond en hij kijkt uit over Mainstreet
Doppertje luistert naar Selig Ist Der Mann
Zijn koffergrammofoon staat in het raamkozijn
Van tijd tot tijd veert zijn hart op
Half dromend hoort hij het slotkoor
Een kleine ronde traan biggelt van zijn rechterwang

Het is maandagavond in Shadow Creek en er is niet
Veel te beleven
Doppertje Kid staart naar zijn zadeltassen dan staat
Hij op pakt zijn Stetson en gespt zijn riem en holsters
Om
Met een vrijwel onhoorbare zucht opent Doppertje de
Hotelkamerdeur en gaat de brede trap af naar beneden
Lusteloos zit Marie aan de bar
Ik dacht dat je al weg was Dopper zegt ze vlak

Doppertje Kid reageert nauwelijks maar wel stopt hij
Routineus en achteloos wat bankbiljetten in Marie haar
Diep uitgesneden decolleté
Vervolgens loopt Doppertje met stevige pas door de halve
Klapdeuren naar de stal van het hotel

Daar staat Fernando prachtig paard
Het enige levende wezen ter wereld dat oprecht in
Doppertje gelooft
Fernando zegt Doppertje terwijl hij de trog met water vult
Ik heb zojuist wonderschone muziek gehoord
Ik was diep geraakt Fernando ik moest zomaar huilen
En ik moest je zien

DAN STAAT VAN PUTTEN OP EN GAAT OP ZOEK NAAR HET TELEFOONBOEK

Het is avond en het loopt tegen het einde van
De novembermaand
Van Putten heeft de afgelopen middag een lange
Fietstocht gemaakt die hem voert tot het meest
Oostelijk gelegen vissersdorpje van het voormalige
Eiland dat van Putten zo gaarne van tijd tot tijd bezoekt
De dag is grijs en nevelig en van Putten kijkt
Uit over de in herfsttinten getooide
Landerijen die hij slechts enkele maanden
Geleden nog als eeuwig zomer zag

Van Putten stapt af hij heeft het warm gekregen
Hij doet zijn sjaal af en trekt zijn wollen
Handschoenen uit
Ook zet van Putten zijn pet af maar een
Koude vochtige wind doet hem snel besluiten
Aangezien zijn voorhoofd licht bezweet is
Zijn pet weer op te zetten
Aan welke gedachte van Putten onmiddellijk gevolg geeft

Nu is het avond en het loopt tegen het einde
Van de novembermaand
Van Putten zit aan tafel en hij mijmert na over zijn tocht
Links voor hem ligt de brief die hij enige
Tijd geleden ontvangen heeft
Even later neemt van Putten de brief van tafel
Nadat hij vluchtig aan de envelop geroken heeft
Legt van Putten de brief zorgvuldig
Recht voor zich neer
Dan schenkt hij zich een Batavia Arak in

WAARIN DOPPERTJE KID EEN BRIEF SCHRIJFT AAN SINTERKLAAS IN DE HOOP DIT JAAR EEN NIEUWE SPOORTREIN TE KRIJGEN EEN BRIEF JONGER GESTELD DAN ZIJN JAREN DOEN VERMOEDEN

Liefe sinterklaas

Het hele jaar ben ik lief en goet geweest
Ik zorgte goed voor fernando en gaf hem
Veel hafer en waater op school doe ik goet me best
Faak help ik moeder in de keuken met de afwas
Ik deet bootschapen en feegte vaak de feranda
Liefe sinterklaas ik wil heeeeel graag een spoortrein
Maar als u hem niet geefd is het ook goet
Dan fraag ik het volgent jaar gewoon weer

Dag liefe sinterklaas en swate piet

Al tevreden bij voorbaat leest Doppertje zijn
Brief nog eens door en brengt hier en daar
Wat veranderingen aan
Dan vouwt hij de brief zorgvuldig dicht

Doppertje schenkt zich een zwaar Duits bier in
En pakt een plaatjesboek over reizen en treinen
Van het dressoir
Hij steekt zich een cigarillo op en neemt een kleine
Slok zwaar Duits bier
Dromerig vervolgens begint Doppertje in het boek
Te bladeren
Nog een dag of wat

ZE IS NOG EVEN MOOI

Het is avond een rustige avond laat november
Brumming luistert naar een heerlijke plaat en Brumming
Mijmert over de dingen die hij zich ontzegd heeft
Dingen die Brumming desondanks begeert en mist
Brumming weet wel dat dit het leven is waarvoor hij
Gekozen heeft
Maar wat helpt Brumming dat op dit moment

Brumming schenkt zich een whisky in en Brumming denkt
Aan de dromen die eens hij had
Hij vraagt zich af of hij gelukkig danwel ongelukkig is
Na enige tijd glimlacht Brumming en hij snuit zijn neus
Brumming is een wat verkouden

De plaat waarnaar Brumming luistert opent
Deuren naar vele lievelingsplaten van Brumming
Platen die Brumming na aan het hart liggen
Dat Brumming verkouden is stoort hem nauwelijks
Zijn toestand doet Brumming denken aan een kind
Dat ziek is in bed ligt en zich van liefdevolle zorg
Verzekerd weet
Een fenomeen dat Brumming naar hij zeker meent
Te weten nooit heeft gekend

Brumming zou een kort verhaal willen schrijven
Een kort verhaal zonder plot of sentiment
Een kort verhaal zou Brumming willen schrijven
Niet vanavond nu het laat november is
Vanavond ontbreekt Brumming de noodzaak daartoe

Brumming kijkt naar het geschilderde portret van een
Beeldschone jonge vrouw
Een portret dat Brumming zo ongeveer vijftien jaar
Geleden gekocht heeft
Haar jeugd is nog immer ongeschonden
Het is elf uur geweest

OM EN NABIJ VIER UUR IS HIJ VAST EN ZEKER WEER THUIS

1

Het is zoete zware kou die over de landen is gaan liggen

2

Op de haven staat een ijzige oostenwind die omhoogslaat
Tegen de kademuur om vervolgens opnieuw opgenomen
Te worden in diezelfde oostenwind die snijdend over de
Havenkade voortjaagt

Van Putten heeft zijn schipperstrui hoog gesloten en zijn
Zwarte leren vliegeniersjek hoog dichtgeritst
Met door de kou betraande ogen kijkt van Putten
Naar een vissersschip dat zich in deze bittere koude
Het zeegat uit waagt
Het is echter gewoon maandagmiddag weet van Putten
En de vissersvloot vaart uit

Van Putten is vrijwel gedachteloos
Maar hij ziet alles
Hij ziet de lage zon en de oranje gloed over de schuimende
Kopjes van de driftige kleine golven
Hij ziet het niet te duiden vale groen aan de achterzijde
Van het vissersschip en daarboven de laagvliegende
Meeuwen die door de stand van de zon van de onderzijde
Roze worden belicht

Met zijn rechterhand houdt van Putten zijn bruine suède
Pet vast
Even denkt van Putten aan de bastaardherder van zijn
Buurvrouw die naar zijn stellige overtuiging overspannen is
Aangezien hij niet die aandacht krijgt die hij behoeft
De bastaardherder die veel te veel alleen is die in de nacht
Met zijn holle blaffen van Putten tot wanhoop brengt

3

Van Putten slaapt al niet goed
En slecht kan hij tegen extra spanningen
Hij zal de buurvrouw aanspreken
Morgen
Dat het zo niet langer gaat

Verlicht springt van Putten op zijn fiets om
Vervolgens regelrecht naar het havenhoofd
Te rijden om aldaar linksaf de dijk op te slaan
De straffe oostenwind zal hem mild voortstuwen
En zijn ogen zullen niet meer betraand nog zijn

Daar gaat van Putten
Laat zonlicht daalt neer over zijn hoofd zijn rug
Zijn benen en zijn fiets
Zo rolt van Putten voort
De dijk voor hem is geheel verlaten
Van Putten voelt de koude bijten in zijn kaken
Rechts ziet van Putten het oude eiland
Hij ziet een helikopter stil hangend
Boven zee naast een oorlogsschip dat
Oefent

Dat weet van Putten vrijwel zeker
Want er is geen oorlog in het land
Van Putten glimlacht
Stevig nu trapt van Putten door

ZIJ HEEFT HAAR OPDRACHT VERVULD EN NU ZIT ZE LEKKER

1

Mevrouw Leenschat van Bodegraven belt aan en kijkt
Op haar horloge het is vijf uur in de namiddag
Na enige tijd gaat het licht in de hal aan
Mevrouw Leenschat van Bodegraven schikt snel haar
Haar dan opent zich de deur en van Putten zegt
Dag Elisabeth
Dag Cornelis zegt mevrouw Leenschat van Bodegraven
Ze kussen elkaar
Een enkele kus
Kom gauw binnen Elisabeth zegt van Putten het is koud
Op het moment dat mevrouw Leenschat van Bodegraven
Op het aanbod in wil gaan stoot zij haar rechtervoet tegen
De drempel verstapt zich en valt half struikelend van
Putten in de armen
Het is ook zo donker hier zonder buitenlamp Cornelis
Puft mevrouw Leenschat van Bodegraven verbouwereerd

Wanneer zij even later de huiskamer betreden heeft schopt
Zij onmiddellijk haar hooggehakte schoenen uit
Terwijl zij dat doet blikt mevrouw Leenschat van Bodegraven
De huiskamer rond en de open keuken ze knikt goedkeurend
In stilte meent zij dat het er allemaal nog redelijk geordend
En schoon uit ziet

2

Wat is de reden dat je niet naar mij toe wilde komen Cornelis
Vraagt mevrouw Leenschat van Bodegraven onomwonden aan
Van Putten onderwijl zij haar handtas opent om er een doosje
Sigaren uit te nemen
In de avond kom ik moeilijk mijn huis uit Elisabeth antwoordt
Van Putten haar uiterst kalm en overdag kan ik niet weg vanwege
Mijn bezigheden
Van Putten loopt naar de keuken en vult twee glaasjes zeer oude
Jenever tot de rand toe vol
Maar wat is het werkelijk dat je hier brengt Elisabeth
Vraagt van Putten haar
Omzichtig zet hij de glaasjes op tafel neer

3

Wij
Antwoordt mevrouw Leenschat van Bodegraven prompt
Theodoor Brumming Doppertje Kid de kleine man en ik
In het bijzonder maken ons zorgen om jou Cornelis
Grote zorgen maken wij ons ten aanzien van jouw toekomst
En daarmee die van je aanstaande en je dochters
Naar mijn mening verspil je nodeloos tijd en kracht
Aan je werk de directeur van het bos IJsma de lange blonde
Germaanse man en wie al niet meer
De tijd en kracht Cornelis zegt mevrouw Leenschat van Bodegraven
Die je op die manier verspilt zou je aan kunnen wenden voor iets
Dat meer deugdelijk is
Iets dat vele jaren meer kan doorstaan

Je vecht tegen windmolens Cornelis en niemand
Niet de vriendelijke jonge bedrijfsarts noch je psycholoog in de
Wezenstraat zullen je kunnen helpen Cornelis
Ik zeg je Cornelis vervolgt mevrouw Leenschat van Bodegraven
Sla een ander pad in nu het nog kan

4

Glimlachend hoort van Putten haar aan en ondertussen
Bewondert hij haar edele gelaatstrekken
Een vrouw naar zijn hart mijmert van Putten die hij niet begeert
Elisabeth zegt van Putten ik bewonder je welgemeende bemoeizucht
En ik ben bijna jaloers op je goedertierenheid
Maar ik red mij wel
Laten we verder een fijne avond genieten Elisabeth
Wat zou je denken van Ich Habe Genug of misschien
Toch Du Hirte Israël Höre
Wat je wilt Cornelis meent mevrouw Leenschat van Bodegraven
En wanneer je besloten hebt schenk mij dan nog maar eens in
Terwijl ze dat zegt schuift mevrouw Leenschat van Bodegraven
De haakjes die haar boezemhouder afsluiten vrijwel onmerkbaar los
De boezemhouder die zij gisteren te snel heeft gekocht en die haar
Nu al vrijwel de gehele dag behoorlijk knelt
Ah zegt mevrouw Leenschat van Bodegraven spontaan dat lucht op
Dan herinnert zij zich dat van Putten bij de platenspeler staat
Dat ik je mijn zorgen eindelijk te verstaan heb gegeven Cornelis
Voegt zij daar snel en met twinkelende ogen handig aan toe

1 Trackbacks & Pingbacks

  1. Kees Engelhart – DAGEN VAN VAN PUTTEN | Boek 11 | het verval | Winter | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*