Jannetje Koelewijn – Interview met Vrouwkje Tuinman: ‘Hij wilde zo graag zijn oude leven terug’ + Daan Doesborgh – Poëziepodcast (33:) ‘Het meedogenloze eerlijke’ van Vrouwkje Tuinman

Interview met Vrouwkje Tuinman: ‘Hij wilde zo graag zijn oude leven terug’

Na de dood van F. Starik maakte Vrouwkje Tuinman zijn boek over zijn moeder af. Het is ook het afscheid van een man, die niet kon leven zonder drank en sigaretten.

Vrouwkje Tuinman zat een verhaal te schrijven over slapeloosheid en F. Starik lag te lezen bij de appelboom. Mei 2017. „Daar”, zegt ze en ze wijst naar buiten, naar haar nog kale moestuin. Ja, een appelboompje, al een beetje in blad. „Frank keek op en zei, dat hij iets moest bekennen. Hij had al dagen pijn op zijn borst. Dan moet je naar de dokter, zei ik.”

We zitten in haar huisje op volkstuinpark ‘Ons Lustoord’ in Duivendrecht, langs de A2 en onder de vliegroute naar Schiphol. Ze heeft er geen last van, zegt ze.

De dokter verwees F. Starik naar het ziekenhuis en daar werd hij met spoed op tafel gelegd voor een dotterbehandeling. Op het moment, dat de buis met het ballonnetje via zijn lies naar de kransslagader zou worden gebracht om de vernauwing op te rekken, kreeg hij een hartinfarct.

Reanimatie, operatie, bypass.

„Ik zat”, zegt Vrouwkje Tuinman, „op de gang een tekst af te maken, waar ik net nog met Frank aan had zitten werken toen de cardioloog door de klapdeuren kwam met in zijn handen een spuugbakje, waar Franks bril in lag en één sok. Hij reikte het me aan, terwijl hij probeerde te zeggen wat hij moest zeggen, maar ik wist al: dit is niet goed.”

F. Starik werd in coma gehouden bij een temperatuur van 34 graden, en het was maar zeer de vraag, of hij nog wakker zou worden. En zo ja, hoe. Hij was een half uur effectief dood geweest.

Maar na een paar dagen deed hij zijn ogen open. Hij herstelde goed genoeg om weer te gaan schrijven – over zijn dementerende en steeds maar niet stervende moeder, over zijn pogingen om van de drank en het roken af te komen, over de hunkering, die maar niet minder wilde worden.

Ik had Frank ontmoet op Lowlands

Vrouwkje Tuinman zou de teksten na zijn dood in zijn computer vinden en er een boek van maken: Klaar, afscheid van moeder en zoon. Het is verschenen in de Boekenweek.
Ze kregen wat met elkaar op 16 maart 2003 bij het Gala van de Dood – toen het thema van de Boekenweek. Vrouwkje Tuinman was nog journalist en presentator, organisator van literaire festivals. Het jaar daarop zou ze als dichter debuteren met de bundel Vitrine. Weer een jaar later publiceerde ze haar eerste roman, Grote acht, over een meisje, dat in haar dromen haar tirannieke en altijd woedende vader vermoordt.
F. Starik was al veel langer dichter en onder andere bekend van de Eenzame Uitvaart: dichters, die voor eenzaam gestorven mensen een persoonlijk gedicht schrijven en hen naar hun door de gemeente betaalde graf begeleiden. Hij was ook beeldend kunstenaar en schrijver. Klaar kan gelezen worden als deel twee van zijn roman Moeder doen uit 2013.

„Ik had Frank ontmoet op Lowlands”, zegt Vrouwkje Tuinman, „en sindsdien mailden we, veel en intiem, in de zin van persoonlijk. Niet erotisch geladen. Op het Gala van de Dood stond hij achter me en legde zijn kin op mijn schouder. En die kin bleef daar. En ik liet hem daar. De volgende dag mailde hij: zo, wij houden dus van elkaar.”

Zestien jaar leeftijdsverschil, maar ze gelooft niet, dat ze in hem een vaderfiguur zag.

„Voor mij was hij niet vaderlijk.”

Ja, haar eigen vader was tiranniek en woedend op de hele wereld, en dertig jaar ouder dan haar moeder, voor wie hij zijn eerste vrouw en drie zoons had verlaten. Het was eerder zo, zegt Vrouwkje Tuinman, dat Frank ook een woedende en tirannieke vader had.

Die, schreef hij in ‘Moeder doen’, op een dag verdween door een gat in de vloer.

„Voor Franks gevoel, ja. Maar zijn vader is nooit echt weggegaan. Sterker, zijn vader heeft exact hetzelfde heeft meegemaakt als Frank, op exact dezelfde leeftijd. Een hartinfarct tijdens het dotteren. Alleen heeft hij daarna nog zeven jaar geleefd, invalide.”

Waarom waren jullie vaders zo boos?

„Waarom zoveel mensen boos zijn. Ze hadden een ander leven willen hebben. Rijker, machtiger, succesvoller. Ze voelden zich miskend en tekortgedaan. Als kind dacht ik, dat het mijn schuld was.”

De vader van Vrouwkje Tuinman had een uitgeverij en drukkerij voor vakbladen, onder andere De Sportvisser. Haar moeder was zijn secretaresse geweest. De vader van F. Starik was vertegenwoordiger in kantoormeubilair.
Dat enorme roken en drinken van Frank, deed hij dat al toen je hem leerde kennen?

„Toen was het veel erger. Of nee, het roken was altijd al erg, dat kon niet erger. Maar het drinken, dat was echt verschrikkelijk. Het begon met een paar zware bieren, daar gingen twee flessen wijn achteraan, en dan ging hij over op whisky. Als die op was, werd het weer bier. Zo ging het in die tijd elke dag, later werd het wel minder. Wat er zo tricky aan was: hij begon pas ’s avonds en hij functioneerde normaal. Sloeg niemand in elkaar en werd zelf ook niet in elkaar geslagen. Een lieve vader voor zijn zoon en zeer productief in zijn werk. Frank was een volstrekt normaal functionerende alcoholist. Maar wel een alcoholist.”

En dat verdroeg je?

„Ja. Frank was autonoom en dat ben ik ook. We accepteerden de verschillen. Ik drink bijna niet en ik ben vegetariër, hij at vlees voor drie. Hij was een avondmens en ik ben een ochtendmens. We hinderden elkaar er niet mee, ook omdat we nooit hebben samengewoond. Dat wilde ik niet en uiteindelijk vond hij het prima zo. Hé? Hoorde ik daar nou wat?”

Ze staat op om uit het raam te kijken. De kat heeft zich onder het tuinhuisje verstopt en misschien komt hij weer tevoorschijn. Maar nee.

„Een paar jaar terug was hij ziek en kroop hij onder het huisje om dood te gaan”, zegt ze. „Frank heeft hem er nog onder vandaan gejaagd met de tuinslang.” D

at was niet leuk geweest.

„Onder kunstenaars”, zegt ze dan, „is dat roken en drinken heel gewoon. Ik ben de uitzondering.”

Het begon met een paar zware bieren, daar gingen twee flessen wijn achteraan, en dan ging hij over op whisky

Je had Frank wel na zijn hartinfarct zijn bankpasjes afgepakt om te voorkomen, dat hij alcohol en sigaretten zou kopen
.
„Dat was nodig, omdat de verslavingszorg maar niet op gang kwam en ik moest iets. Hij woonde boven een Albert Heijn en een slijter, dus ja, er was maar een halve minuut van verlangen nodig. Maar toen hij stierf had hij die pasjes al lang weer terug. Door de Refusal” – een middel om alcoholisten van hun verslaving af te helpen – „was het hem gelukt om niet meer te drinken en hij had zich ermee verzoend. Hij had gemerkt, dat hij ook kon schrijven als hij niet dronk.”

Maar niet als hij niet rookte.

„Nee. Dat staat ook in het boek, hè. Dan gaat hij achter zijn computer zitten en het enige waar hij aan kan denken is: roken, roken, roken. Ik snap dat je gaat roken om dat te laten ophouden. Maar de cardioloog had wel tegen hem gezegd dat elke sigaret zijn einde kon zijn.”

In ‘Klaar’ schrijft hij dat de psychiater aan hem vraagt of hij nog suïcidaal is. Wat was er gebeurd?

„Het was de eerste keer dat we hem even alleen hadden gelaten, op een zondagmiddag, een maand na zijn hartinfarct. Hij had meteen een fles gin en een fles wijn gekocht en grotendeels leeg gedronken. Toen was hij bewusteloos geraakt. Maar of het een zelfmoordpoging was? In het boek maakt hij zich ervan af met een grapje.”

Wat denk jij?

„Hij wilde niet dood, maar hij wilde absoluut wel aan het leven ontsnappen. zoals het er op dat moment voor hem uitzag, zonder drank en zonder sigaretten. Hij was in de rouw om het leven. dat hij niet meer had. Dat was nog voordat hij Refusal kreeg. Sterker, doordat dit gebeurd was kreeg hij eindelijk hulp bij het afkicken van zijn verslavingen. Eerder werd zijn alcoholisme niet echt serieus genomen. omdat hij altijd zo goed gefunctioneerd had.”

In ‘Moeder doen’ schrijft hij al hoe zijn verslavingen hem fataal zouden kunnen worden.

„Een paar maanden voor zijn dood schrijft hij letterlijk dat hij in bed ligt en dat de politie de deur moet openbreken en dat hij dan gevonden wordt. En zo is het ook gegaan. Wat zo stom was: ik zat net weer goed in dat boek over slapen en niet slapen, en wat dat doet met je denkvermogen en je creativiteit. Hèhè, na al die maanden, ik kan het nog. Nu heb ik maar besloten dat ik dat boek niet meer af ga maken. De dag van Franks dood was ik bij zijn moeder in het verpleeghuis geweest en ik belde hem om te vragen of hij nog wat lekkers wilde. Maar hij nam niet op en hij belde niet terug, wat raar was, want hij belde altijd terug. Niet piepen, dacht ik. Niks aan de hand, boodschappen doen en dan naar hem. Hij deed niet open en de haak zat op de deur, waardoor ik niet met de sleutel naar binnen kon. Ik keek door het gat van het steekslot. Hij zat niet aan zijn bureau. Hij was ook niet in de keuken. Toen heb ik 112 gebeld. De deur werd opengebroken en terwijl de politie en de brandweer zich door zijn huis verspreidden ging ik naar zijn slaapkamer. Daar lag hij, op bed. Ik wist meteen dat hij dood was, want ik had hem gezien toen hij bijna dood was, negen maanden daarvoor, en dit was anders. Ik voelde het ook, want hij was al koud. Ze moesten hem toch reanimeren, want dat moet dan, en ze sleepten hem in zijn dekbed naar de kamer. Toen heb ik wel gedacht: het zal toch niet zo zijn dat ze hem een beetje aan de praat krijgen, want dan is hij dus wél een kasplantje. Achteraf bleek hij op dat moment al meer dan vijf uur dood te zijn geweest.”

Waarom wilde je een boek over slapeloosheid schrijven?
„Mijn uitgever wilde het graag. Ik ben eens drie jaar slapeloos geweest, ver voordat Frank ziek werd. Het bleek chemisch van aard te zijn, iets genetisch. Heel lang word je verteld dat het stress is, maar ik moest dus bij de neuroloog zijn. Nu slik ik dingen die ik zelf niet aanmaak. En ik leef ernaar.”

Franks dood zal geen echte verrassing voor je zijn geweest.

„Nee. Het weekend ervoor was hij naar een poëziefestival in Schotland geweest – de hele tijd paniek over alles, geen enkel overzicht. Als hij een taxi wilde moest ik die vanuit Nederland regelen. Hij kwam doodmoe thuis en toen had hij meteen een Eenzame Uitvaart. Vergadering zus en optreden zo. Hij wilde zo graag zijn oude leven terug. Maar hij kreeg het niet terug. Het kon niet meer.”

In ‘Klaar’ schrijft hij dat hij een mopperige oude man was geworden.

„Dat was zo, maar ik begreep het, en zijn zoon ook. We begrepen, dat hij baalde. Hij was erg in zichzelf gekeerd. Als hij naar de cardioloog moest, moest ik mee, want hij zei alleen maar ja en nee.”

Ze laat haar schouders hangen.

„Hoe gaat het met u, meneer? Gaat wel. Het lukte hem niet om over zijn gevoelens te praten. Maar hij schreef ze dus wel op.”

Wanneer ben je in zijn computer gaan kijken?

„Twee maanden na zijn dood. Ik wist, dat er een vervolg op Moeder doen was, en deel drie van Eenzame Uitvaart. Ik vond ook een roman en een dikke dichtbundel, maar die heb ik nog niet bekeken. En ik vond de Brief aan mijn hulpverlener. Ik zag onmiddellijk, dat die met het verhaal over zijn moeder een boek zou kunnen worden dat er nog niet was. Hij had jarenlang voor zijn moeder gezorgd en opeens was hij zelf onderwerp van zorg geworden. Zoals er met haar werd omgegaan, zo werd er nu met hem omgegaan, dezelfde bewoordingen, deels dezelfde handelingen. Hij had zomaar op de verdieping boven zijn moeder in het verpleeghuis terecht kunnen komen. En hij kon het niet met haar delen, hè. Ze had niet eens gemerkt, dat hij drie maanden niet bij haar was geweest. Het gaf hem een groot gevoel van overbodigheid, van te vergeefsheid.”

In ‘Moeder doen’ vraagt hij zich al af wanneer ze eindelijk zal sterven.

„En in Klaar bedenkt hij, dat hij ook wel eens de eerste zou kunnen zijn.”

Had hij bereikt wat hij wilde bereiken?

„In zijn persoonlijk leven wel, ja. Dat schrijft hij ook: dat hij de laatste twintig jaar behoorlijk gelukkig was en op zijn plek. Goed met zijn zoon en goed met mij, een soort van beter met zijn moeder. Hij wilde nog wel graag een keer een klapper met zijn werk hebben. In zijn laatste bundel staat een gedicht, dat daarover gaat: dit is je tiende bundel en die gaat weer niets doen. Maar hij was er niet bitter over. Die klapper kon nog komen. Hij wachtte.”

Hoe is het nu met zijn moeder?

„Het is haar wel verteld, dat Frank dood is en ze is ook bij hem wezen kijken toen hij opgebaard lag. Ze bleef heel aandachtig naast de kist staan en ze begreep het. Maar de volgende dag was ze alles vergeten. Dat Frank dood was, dat ze bij hem was geweest – allemaal weg. We hebben het maar zo gelaten. Als wij vaak genoeg komen, heeft ze denk ik het gevoel, dat hij er gewoon nog is. Ze mist hem niet en ze vraagt nooit naar hem. Sowieso vraagt ze niet meer. Ze is in het stadium gekomen, waarin er niet meer gevraagd wordt.”

En jij? Ik las ergens dat je weer verliefd bent.

„Ik ben nog honderd procent met Frank, maar ik ben ook verliefd, ja. Ik heb een vriendje hier op de tuin, hij zit helemaal aan de andere kant. Ik had er niet op gerekend en ik heb er niet naar gezocht, bepaald niet. En toch is het gebeurd. Hij is grafisch vormgever, heerlijk, een andere wereld. Ja, ouder dan ik. Maar jonger dan Frank.”

OVER VROUWKJE TUINMAN

Vrouwkje Tuinman (Den Bosch, 1974) studeerde letteren en muziekwetenschap in Utrecht. Ze werkt als journalist en organisator van literaire festivals.

In 2004 debuteerde als ze dichter met de bundel Vitrine en een jaar later als romanschrijver met Grote Acht. Dit najaar verschijnt haar nieuwste bundel: Lijfrente.
F. Starik, de schrijversnaam van Frank von der Möhlen (Apeldoorn 1958 – Amsterdam, 2018), debuteerde in 1987 met de dichtbundel Nepvuur.
In 2002 richtte hij in Amsterdam de Poule des Doods op: dichters, die gedichten maken voor de uitvaart van eenzaam gestorvenen.

NRC, 29 maart 2019

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/03/29/hij-wilde-zo-graag-zijn-oude-leven-terug-a3955087

Poëziepodcast (33:) ‘Het meedogenloze eerlijke’ van Vrouwkje Tuinman

Poëziepodcast (foto Vrij Nederland)

Poëziepodcast (foto Vrij Nederland)

In de nieuwste aflevering van de Poëziepodcast (een samenwerking tussen SLAA, VN en Splendor) spreekt Daan Doesborgh met Vrouwkje Tuinman over haar poëtische benadering met het verlies van haar partner, de dichter F. Starik.

‘Laten we in godsnaam niet doen alsof alles bij het oude is gebleven.’

De nieuwste aflevering van de Poëziepodcast is er een, die ik al een jaar wil maken, maar waar ik al net zo lang een beetje tegenop zie. Toen op 16 maart 2018 dichter F. Starik overleed aan een hartstilstand wist ik al vrij snel, dat ik een aflevering van deze podcast over hem wilde maken. Maar niet de aflevering, die ik het liefst had willen maken, want dat is er natuurlijk een, waarin hij zelf te gast zou zijn.

Ik had het Starik gegund, dat het was gegaan zoals met zijn iets meer dan een maand eerder overleden vriend Menno Wigman, aan wie ik eerst een aflevering en toen nog een klein eerbetoon heb kunnen wijden. Starik zal het met een groot eerbetoon moeten doen, en dat is er nu.

Ik had ook al vrij snel de ideale gast in gedachten, inderdaad mijn gast van deze maand: Vrouwkje Tuinman. Ze was decennia lang de partner van Starik en, in de eerste plaats, zelf ook dichter. Maar toen ik Vrouwkje wilde vragen bekroop me de vrees, dat ik haar misschien het gevoel zou geven, dat ik haar alleen als vrouw van uitnodigde, en niet ook omwille van haar eigen werk. In werkelijkheid stond Vrouwkje al lang op mijn verlanglijst van dichters, een lange, maar geheime, selectie dichters, waarvan u hopelijk het merendeel nog in deze podcast tegen gaat komen. Hoe ik me uiteindelijk over die vrees heen heb gezet hoort u in de aflevering.

Tijd dus om het over Starik te hebben, maar niet voor we een benaming hebben afgesproken. Starik was namelijk een man van vele namen, en werd door vrienden Frank genoemd, in zijn paspoort Frank von der Möhlen, maar als dichter het liefst F. Starik. Dat mocht dan nog wel afgekort worden tot Starik of kortweg Ef Punt. Hoewel Vrouwkje en ik aan het begin afspreken om hem Starik te noemen, kunnen we het natuurlijk niet laten om voortdurend over Frank te praten. Hij doet het er maar mee.

Vrouwkje bespreekt eerst een gedicht van Frank zelf, pardon, van Starik.

HOMMEL

Als je dood gaat moet je van de hele wereld afscheid nemen
en de wereld neemt afscheid van jou, nu ja, er zijn maar weinig
mensen op aarde die iedereen kent en ook zonder hen
zal de wereld gewoon doordraaien met 1 mensje minder erop

het is vaker vertoond – iedereen kan het en zal sterven
vanmiddag kwam er een late hommel mijn kamer ingevlogen
aangetrokken door zo’n bos bloemen die heel veel rommel geeft
en dan de rest van de middag niet meer weten hoe

je eenmaal volgezogen zwaar van nectar weer naar buiten schommelt
en terwijl ik dit schrijf ben je plotseling weg, is het je gelukt
onopgemerkt terug in de wereld te verdwijnen

of ben je achter een gordijn gestorven, lig je op een vensterbank
nog weken weg te kwijnen, te verstoffen, maar dat geeft niet
in het gedicht loop je goed af.

F. Starik, ongepubliceerd.

Het is een keurig sonnet, met een wending op de voorgeschreven plaats, en daarnaast is het tekenend voor de manier, waarop Starik schreef over de dood. Volgens Vrouwkje had hij, anders dan de krant of de geschiedenis, aandacht voor de wat lulligere kant van doodgaan.

Zomaar ineens, hè, is iemand er niet meer. Behalve tekenend voor zijn werk is dat ook tekenend voor zijn dood, vertelt Vrouwkje.

HET MEDOGENLOOS EERLIJKE

Daarna hebben we het nog over hoe dat nu eigenlijk is, leven met een schrijver. Hoewel dit gedicht niet zozeer over Vrouwkje gaat, is ze er toch in aanwezig. Ze herkent de bos bloemen, die ze hem gaf en waar inderdaad enorm veel insecten op af kwamen. Je hebt die kennis niet nodig om het gedicht mooi te kunnen vinden, maar voor Vrouwkje (en nu dus ook een beetje voor ons) is het een extra dimensie, die het gedicht nog meer waarde geeft.

Ook met het gedicht van haarzelf, dat Vrouwkje mee heeft genomen, blijven we bij ons in afwezigheid schitterende onderwerp. In een gedicht, dat ik tot vervelens toe ‘meedogenloos’ blijf noemen, niet het harteloze, maar het eerlijke soort, beschrijft Vrouwkje een preambule op Stariks uitvaart.

Er stonden misschien wel veertig paar schoenen in je kast.
Ik heb ze niet geteld, ik heb slechts gekeken tot ik een stel zag dat wel paste bij je uitvaartpak.
Je uitvaartpak: het pak waarmee je naar begrafenissen ging en dat je daarna, weer terug thuis, al in de gang weer uittrok.
Nu kleedden wij je aan.
Zo veel lagen: een luier waarvan de randjes frivool uit je onderbroek staken, een wit hemd –
Ik leer jullie een truc, zei een man. Je steekt je eigen armen door de mouwen, en die van hem de lucht in. Het hele ding glijdt omlaag, op zijn borst en dan hoef je alleen, doe het maar, zijn hoofd omhoog, de weke schouders komen mee, en klaar. –
daarna een overhemd, het allerwildste, dat desondanks gestreken moest.
Ik had een strijkbout mee maar geen plank, maar er was een kist en die was glad.
Een vest.
Is dat nodig?
Doe maar, doe dat vest, anders klopt het niet met het uitvaart pak.
Al die knoopjes, toen een broek, waar niet echt een truc voor is, behalve dan je handen goed stevig in de billen planten, en trekken maar.
Een jasje.
Steek eerst je eigen armen, en dan de zijne, hoe vaak moesten we je nog door elkaar schudden, hoeveel knopen moeten van de etiquette dicht, in een kist?
De sokken.
Die met de doodshoofden erop.
Je had een hekel aan je tenen, die ik zo graag zag, en nu vergat ik vanwege de stroeve stof, de stijve linkervoet, de handen naast de mijne die zoveel sneller gingen met de rechtse, om te kijken.
Ik heb geen kinderen, zei ik, hoe trek je iemand schoenen aan, is er een truc?
Je schopte ze niet uit.

Vrouwkje Tuinman, ongepubliceerd.

Dat meedogenloos eerlijke, vertelt Vrouwkje, is niet zozeer iets dappers, maar gewoon de enige manier, waarop ze dit kan, het rouwen zelf en het schrijven erover. Laat dit artikel dan de plek zijn, waar ik dat een dappere manier van rouwen noem, want in de podcast gaat het daarna al gauw genoeg over wat er allemaal niét in het gedicht staat: de tranen, het snot dat daar bij komt kijken.

Zo eerlijk en ongefilterd is het nou ook weer niet. En toch is het voor mij de onopgesmukte aardse feitelijkheid, die dit gedicht zo aangrijpend maakt. De lulligheid die óók bij de dood hoort, en daarmee zijn we weer terug bij het werk van Starik zelf.

Want als Vrouwkje dit alles dapper in de ogen kan kijken, dan kunnen wij het zéker. En dan ook nog in de vorm van doortastende, snijdende poëzie.

Tientallen gedichten heeft Vrouwkje geschreven over de afgelopen twee jaar, over Stariks ziekte, zijn overlijden en zijn overleden zijn. Er komt een bundel, die ik met vrees tegemoet zie, en tegelijk zo snel mogelijk wil lezen. Want als Vrouwkje dit alles dapper in de ogen kan kijken, dan kunnen wij het zéker. En dan ook nog in de vorm van doortastende, snijdende poëzie.

Het is een aparte aflevering van de Poëziepodcast geworden. Ik heb er veel stiltes uitgeknipt, en ook veel stiltes ingelaten. Meer dan eens zijn we afgedwaald en hebben we korte gesprekken gehouden over ons gesprek, of zeg ik, dat ik niet weet wat ik moest zeggen. Dat hoefde dan ook niet, maar in een podcast is het altijd handig als er wél iets gezegd wordt, dus die gesprekjes zijn gesneuveld. Ik heb er eentje laten staan, zodat jullie ook een beetje het gevoel krijgen dat er iets aan de hand is met deze aflevering.

Laten we in godsnaam niet doen alsof alles bij het oude is gebleven.

Vrij Nederland, maart 2019

Link naar podcast:
https://soundcloud.com/poeziepodcast/aflevering-33-vrouwkje-tuinman

https://www.vn.nl/poeziepodcast-meedogenloze-eerlijke-vrouwkje-tuinman

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Jannetje+Koelewijn
http://robscholtemuseum.nl/?s=Vrouwkje+Tuinman
http://robscholtemuseum.nl/?s=Frank+Starik
http://robscholtemuseum.nl/?s=F.+Starik
http://robscholtemuseum.nl/?s=Starik

Leave a comment

Your email address will not be published.

*