Fred de Vries – ON bevlogen generatie

Na de babyboom. Tweemaal de generatie, die nu tussen de 35 en 45 jaar is. Fred de Vries noteert in gesprekken met vier vertegenwoordigers uit die leeftijdsgroep, dat er wel degelijk sprake is van een Verloren Generatie, die het haar voorgangers op geen enkele manier lastig maakt…

Wat te doen om onze vaders te doden?‘ Nooit te beroerd om de discussie aan te jagen, stelde onlangs het Franse cultuurblad Technikart die vraag centraal in een themanummer over de generatie van ’68. De ‘nieuwe reactionairen’ werden ze in het hoofdartikel genoemd. Ook wel: de babyboomers, de vijftigers, de barricadestrijders van 1968. Wat na het lezen van de artikelen bijblijft, is het beeld van een generatie, die een kil gat heeft nagelaten en haar idealen heeft verloochend. Cynische technocraten, verstard in hun ideeën en opvattingen. Of de vaders gedood moeten worden, laat Technikart in het midden.

In Frankrijk leeft dat debat. In Duitsland na de heisa rond Joschka Fischer inmiddels ook. Hier nauwelijks. Hier handhaven de babyboomers zich moeiteloos. Als nimmer tevoren domineren ze politiek, bestuur, de publieke omroep. De generatie na hen heeft dat vrijwel zonder slag of stoot laten gebeuren, met als dieptepunt de afzetting van Marijke van Hees als voorzitter van de PvdA.

Hans Maarten van den Brink (foto FAZ)

Hans Maarten van den Brink (foto FAZ)

Die vijftigers blijven nog heel lang zitten, zeker tien, vijftien jaar‘, voorspelt Hans Maarten van den Brink (1956), ex hoofdredacteur van VPRO televisie. ‘Ze hebben het zo goed, ze zijn zo volgevreten, die gaan wel door. Het is zo gemakkelijk. Ze zijn namelijk niet aan te spreken op idealen en doelstellingen, maar alleen op de manier, waarop ze besturen. Namelijk dat ze het gezellig onderling kunnen regelen. Dus gaat het alleen maar over personen en ruzies over personen, en niet over waar het naartoe moet met het land. Het consensus model is een deken, die nu nog warm aanvoelt, maar waar we echt onder stikken.’

Van den Brink woont fraai, bij het Amsterdamse Vondelpark. Kasten vol boeken, stapels platen, een vrouw, drie kinderen en een succesvolle schrijverscarrière. Een welgestelde veertiger. En dan toch die onvrede. ‘Ja, ik kan mijn zegeningen tellen‘, zegt hij. ‘Maar ik heb een naar gevoel over het land, over hoe het gaat. De verschrikkelijke zelfgenoegzaamheid, de weerzinwekkende overvloed. Het leven in een Gouden Eeuw, waarmee we niets doen. Dit is het moment om de toekomst zeker te stellen. Dit is het moment om een nieuwe vorm te vinden voor democratie.’

Van de vijftigers hoef je dat niet meer te verwachten, maar de veertigers en dertigers zouden zich op de voorgrond moeten dringen, zouden moeten staan te popelen om een rol in de samenleving op zich te nemen. Nee: op te eisen. Niets van dat alles, zegt Van den Brink. Als hij het onderwerp met potentiële geestverwanten aansnijdt, vallen hem vooral vermoeide blikken ten deel. ‘Eigenlijk hebben ze helemaal niet het idee, dat er wat moet veranderen. En als ze zich bezighouden met politiek en beleid, dan vatten ze dat vooral op als een spelletje.’

Hij niet. Van den Brink liet zich ooit leiden door het devies van Felix Rottenberg, dat iedere weldenkende burger de plicht heeft zich een aantal jaren intensief met politiek en bestuur te bemoeien. ‘Wat Rottenberg nu zelf doet is tamelijk vrijblijvend‘, constateert hij spijtig. ‘Dat vind ik een vrij hoogmoedig afwijzen van die oude principes. Maar destijds vond ik zijn uitspraak inspirerend. Je hoort betrokken te zijn, je hoort na te denken hoe het verder moet met de wereld, het land.’

Van den Brink heeft zichzelf, na ruim vijf jaar hoofdredacteurschap, een time out van een jaar gegeven om te schrijven. ‘Je moet een tijd vuile handen durven maken. Maar laat ik eerlijk zijn: mij is het de afgelopen jaren ook niet gelukt om bij de VPRO de ruiten te laten rinkelen door een nieuw engagement.’

De schuld voor de staat van inertie, waarin de babyboomers zo goed gedijen, zoekt Van den Brink in eigen gelederen: het gebrek aan daadkracht en ambitie. ‘Onze generatie is niet gelijkgestemd. We zijn er erg mee bezig, of we het wel leuk en gezellig genoeg hebben. We hebben geen grote ideeën van hoe het moet, en ook niet de Ausdauer of het plichtbesef om verantwoordelijkheid te nemen. Het wordt ons te makkelijk gemaakt.’

De Verloren Generatie, noemt socioloog Henk Becker hen in zijn boek Generaties en hun kansen (Meulenhoff, 1992), waarbij het voor de definitie van ‘generatie‘ essentieel is, dat de leden belangrijke gebeurtenissen in hun leven gemeenschappelijk hebben ondergaan. De babyboomers hadden Vietnam, Dylan, provo, black power. De Verloren Generatie, zij die werden geboren tussen 1955 en ’70, groeide op tijdens een recessie, die in 1975 begon en tien jaar duurde. Ze werd geconfronteerd met grote werkloosheid en het einde der ideologieën. Ze keek aan tegen de ruggen van de babyboomers, van hen weg gebogen als rugbyers in een scrum. Ze moest opboksen tegen die protestgeneratie, die vond dat alles anders moest, zich vervolgens de macht toeeigende en daarna de koek onder elkaar verdeelde.

Van den Brink: ‘Kennelijk hebben wij niet zoiets van: weet je wat, we schoppen die vorige generatie eruit. Niet zozeer uit privé ambitie, maar omdat we vinden, dat er iets moet veranderen. In dat inhoudelijke vacuum is het voor de vijftigers en zestigers heel makkelijk om te zeggen: dan houden wij het even zoals het is.’

Als Einzelgänger is hij teleurgesteld in leeftijdgenoten, die in zijn ogen een machtspositie hadden moeten ambiëren, maar de voorkeur geven aan ‘reizen’, de commentaargroep prefereren boven de hoofdredactie of liever over voetbal discussiëren. ‘Maar voor iemand als Femke Halsema heb ik oprechte bewondering. Alleen ben ik bang, dat zij geen medestanders vindt in onze generatie.’

Femke Halsema (foto viraaltjes.nl)

Femke Halsema (foto viraaltjes.nl)

GroenLinks kamerlid Femke Halsema (1966) geldt voor velen als iemand, die de Nederlandse politiek nog enige geloofwaardigheid geeft. Ze verruilde in 1997 haar prominente plaats in de PvdA (ze zat in de Wiardi Beckmanstichting en in de commissie, die het verkiezingsprogramma voorbereidde) voor een plek op de kieslijst van GroenLinks. Ze vond, dat de club van Kok en Melkert te veel ‘machtspartij’ werd en zich steeds minder om welzijn bekommerde.

Net als Van den Brink heeft ze weinig fiducie in de veranderingsdrift van haar generatie. ‘Ik denk eerlijk gezegd, dat we de kans hebben laten liggen‘, zegt ze in haar werkkamer in Den Haag. ‘Ook ik kan niet zeggen, dat ik tegen de macht opboks. We zijn de macht binnen geslopen, zonder dat wij, mensen van een bepaalde leeftijdsgroep, daarbij een nieuwe politieke agenda hebben geformuleerd. We hebben ons nooit als generatie gepresenteerd.’

Halsema werd volwassen in de jaren tachtig, die ze zich herinnert als een donkere periode. ‘Het was het eerste moment in de naoorlogse welvaart, dat ouders bang waren, dat hun kinderen het slechter zouden hebben dan zij. Er werd even gebroken met het ideaal van steeds hoger opklimmen. Mijn ouders werden beheerst door de gedachte, dat ik geen werk zou kunnen krijgen.’

In haar omgeving zag ze weinig leeftijdgenoten, die iets met de conventionele politiek van doen wilden hebben. Aan de ene kant was er een groep, die bewust voor de tegencultuur koos, gelieerd aan punk en kraken. Aan de andere kant was er een liberale stroming, die vooral gecharmeerd was van de yuppen ethiek. Halsema: ‘Die hadden ook lak aan de politiek. Beide groepen waren sterk individualistisch. Er is maar een kleine actieve groep geweest.’

In 1995 heeft Halsema samen met wat mensen uit die groep gepoogd een nieuwe progressieve partij op te richten. Het liep op niets uit. De initiatiefnemers sloten zich uiteindelijk aan bij bestaande partijen. ‘Dat komt waarschijnlijk doordat een generatie of groepsgevoel ontbrak. Wij leefden wel met gemeenschappelijke, politieke idealen, maar niet met het gevoel, dat we buiten die idealen nog iets bijzonders met elkaar gemeen hadden. Er resteerde niet veel anders dan je aan te passen aan het politieke stelsel en daarin je eigen individuele normen aan te brengen, maar dan wel met respect voor dat bestaande stelsel.’

Ze veert op als een uitspraak van ex Balie directeur Chris Keulemans ter sprake komt, die onlangs in een interview zei, dat de politiek links en rechts wordt voorbij gestreefd door de technologische revolutie en allochtonencultuur. ‘Sorry, maar ik vind dat een onverantwoorde houding. Als wij, door wie dan ook, worden voorbij gestreefd, dan is dat het gevolg van politiek defaitisme. We kiezen dan ervoor om machteloos toe te kijken, terwijl er ondemocratische machtsconcentraties en monopolies ontstaan.’

Met nauwelijks verholen woede vervolgt ze: ‘Weet je waarom ik uitspraken als die van Chris onverantwoord vind? Omdat er nooit een alternatief bij wordt gepresenteerd. Er wordt alleen maar gesteld: politiek wordt links en rechts ingehaald. Maar als je dat vaststelt, hoe wil je dan minderheden gaan beschermen, hoe wil je dan democratische controle gaan uitoefenen? Je komt uiteindelijk altijd uit bij een gewogen democratie. Ik zou geen andere manier kunnen bedenken, waarin je een belangenstrijd op een beschaafde manier voert.’

Halsema worstelt. Ze moppert op Keulemans, maar noemt hem tegelijkertijd een ‘sleutelfiguur‘ wegens zijn oprechte betrokkenheid tijdens de Balkan oorlog. Ze erkent, dat zij zelf ook een grote afkeer heeft van ‘die loden paarse deken’, oppert dat het misschien wel tijd is voor buitenparlementaire acties, maar komt uiteindelijk, net als Van den Brink, toch uit op het gebrek aan bevlogenheid onder haar generatiegenoten. Ze schaamt zich als iemand, die alle kansen heeft gehad haar recht in het gezicht zegt, dat politiek hem of haar ‘niet interesseert‘.

Kom nou! Politiek verschaft je je eten, je vrijheid, mogelijkheden om creatief te zijn. Je hebt je dus te verhouden tot de politiek, in de meest brede zin van het woord. Je hoeft niet partijpolitiek actief te zijn. Maar je moet politiek betrokken zijn, je moet stemmen, de kranten goed lezen en op de hoogte zijn om je te kunnen mengen in het debat als dat moet, als er bijvoorbeeld minderheden beschermd moeten worden. Doen we dat niet, dan bestaat het gevaar, dat de politiek steeds meer een professionele kaste wordt van bestuurders, die enkel hun eigenbelang najagen. Nee, ik ben niet somber. Daarvoor heb ik een veel te vechtlustige aard. Maar ik maak wel een hard verwijt in de richting van mensen van mijn eigen leeftijd.’

Dirk van Weelden (foto destemvanwest.nl)
Dirk van Weelden (foto destemvanwest.nl)

Verloren, die generatie. Verloren voor wat? Voor de politiek? Waarschijnlijk wel. Een generatie zonder stem ook? We laten de mogelijkheden de revue passeren: Chris Keulemans, Stephan Sanders, Xandra Schutte, Felix Rottenberg, Anil Ramdas, Bas Heijne, Rob Scholte, Theo van Gogh, Peter Klashorst, Joost Zwagerman, Ted Langenbach. ‘Nee, er is geen archetypisch voorbeeld, absoluut niet‘, grijnst schrijver en filosoof Dirk van Weelden (1957).

Maar ‘verloren‘ mag je zijn generatie niet noemen. ‘Dat is een onhandig woord. Omdat wat destijds door Becker als verloren werd beschouwd, eigenlijk een leerschool is geweest, die een enorm reservoir van anti politiek elan, vernieuwingszin en vindingrijkheid heeft opgeleverd.’

Van Weelden is een propagandist van de kracht van wat ooit gold als ‘de cultuur van de marge‘. In zijn bundel Van hier naar hier (Meulenhoff, 1999) brengt hij dat onder woorden. Hij verwerpt het vermeende doemdenken van de jaren tachtig (no future) en doopt dit om tot ‘tactisch negativisme,’ een reactie op de overrompelende economische en sociale crisis. Van Weelden: ‘Een van de schokkendste dingen voor mij, ik was een jaar of 17, was toen ik hoorde dat de stad New York failliet was. Dat was echt een symbool. Dat was wat er eigenlijk ook gebeurde met de politieke partijen: op een of andere manier bestonden ze nog, maar het hart was weg. De bestaansreden was onvindbaar.’

Paradoxaal genoeg was het die ontstane leegte, die openingen bood tot creativiteit. In de chaos en de afbraak lagen mogelijkheden.

Alternatieve winkels en kunst floreerden in kraakpanden. Er ontstonden nieuwe, onafhankelijke organisatiestructuren en (internationale) netwerken van gelijkgestemden, waaruit bijvoorbeeld de anti WTO beweging is voortgekomen. Doe het zelf werd het nieuwe credo. De Verloren Generatie heeft van haar zwakte haar kracht gemaakt, zegt Van Weelden. Ze werd gedwongen buiten de gevestigde orde om strategieën te bedenken. Hij somt de trefwoorden op: ‘Overleven, helder houden, zelf doen, lokaal handelen, ter plekke oplossingen verzinnen, zo veel mogelijk circuits tegelijk opzetten om in te leven.’

Met gevoel voor pathos: ‘Op de plekken, waar alles het liet afweten, vonden we nieuwe beginnetjes.’

Dat alles komt nu van pas, concludeert hij. ‘De samenleving wordt steeds meer een netwerkmaatschappij. Het draait om dingen organiseren met behulp van informatie. Wij hebben altijd een geïmproviseerd levensmodel gehad. We hebben nooit gemakkelijk toegang tot geld gehad. Dat betekent, dat je bent aangewezen op andere soorten kapitaal: tijd of knowhow en flexibiliteit. We zijn generalisten. Dat is ook kapitaal. Alleen werd dat pas later gezien als iets belangrijks.’

In traditionele politieke en bestuurlijke zin mag de Verloren Generatie dan weinig daadkracht aan de dag leggen, ze is wel goed vertegenwoordigd in cultuurinstellingen, lobbygroepen als Greenpeace, Amnesty International en adviesorganen. ‘Dat is ook invloed en politiek,’ zegt Van Weelden.

Maar er is nog iets. De afbraak van de verzorgingsstaat was niet de enige vormende gebeurtenis. Eind jaren tachtig begon de elektronische revolutie. De ongebreidelde mogelijkheden, die internet bood, sloten naadloos aan bij de netwerkdrift, creativiteit en flexibiliteit van de Verloren Generatie.

Marleen Stikker (foto Viva)

Marleen Stikker (foto Viva)

Jarenlang was De Waag op de Nieuwmarkt het zorgenkindje van de gemeente Amsterdam. Onder gepist, troosteloos en vervallen, leek er een vloek op de middeleeuwse stadspoort te rusten. Potentiële gebruikers kwamen en gingen. Tot Marleen Stikker het gebouw in 1996 omtoverde tot hoofdkwartier van haar media lab.

Trots toont ze het gerestaureerde gebouw, met als hoogtepunt het Theater Anatomicum, de oude snijzaal van professor Tulp. Beneden is een café restaurant, boven een ruimte vol computers. Dit is het digitale hart van Stikkers Maatschappij voor Oude en Nieuwe Media, een cultureel research en innovatiecentrum voor communicatie technologie, waar wordt samengewerkt door ontwerpers, software-architecten, kunstenaars en wetenschappers.

Waar Halsema voor partijpolitieke betrokkenheid koos, liet Stikker zich leiden door het onafhankelijkheidsethos, dat begin jaren tachtig opgeld deed. Ze studeerde filosofie, concentreerde zich op filosoof, schrijver en theatermaker Arthur Artaud en gaf gehoor aan diens oproep ‘het zelf te gaan doen’.

In 1985 richtte ze het theatertijdschrift Alligator op. Ze verkeerde in de Amsterdamse krakerswereld, werd directeur van het multimedia theaterfestival Zomerfestijn, programmeerde voor De Balie en richtte in 1993 De Digitale Stad op, een virtuele gemeenschap, die was bedoeld als vrijplaats voor internetgebruikers. ‘Die hele IT beweging is opgebouwd door mensen van mijn generatie‘, zegt ze.

Stikker (1962) komt uit een artistiek gezin, waar Gerrit Komrij en Jeroen Brouwers tegen elkaar op boden met hun poëziekennis. Er werd door haar ouders weinig druk op Marleen uitgeoefend om een goede baan te vinden. ‘Dat is nooit aan de orde geweest. Er waren eigenlijk geen goede banen. Dat perspectief van lekker veel geld verdienen, dat was er gewoon niet. Het was voor mij meer een weg willen blijven van degenen, die de boel aan het regelen waren. Wij zijn de eerste generatie, die politiek is afgehaakt.’

Ze praat gehaast, maakt zinnen niet af. De mond kan het brein niet bijhouden. ‘Mijn kracht is om dingen op te bouwen en neer te zetten, en terreinen te verkennen, die nog niet bezet zijn. Ik wil het gevoel hebben dat mijn aanwezigheid verschil maakt. Er is zo veel status quo, zo weinig beweging. Ik heb het weleens proberen te beschrijven als Robert Musil in Der Mann ohne Eigenschaften. Daarin behandelt hij twee menstypen: de mogelijkheidsmens en de werkelijkheidsmens. De werkelijkheidsmens is iemand, die gebruik maakt van wat er is. De mogelijkheidsmens ziet contouren van datgene wat zou kunnen zijn, wat nog geen vorm heeft. Daar ligt mijn interesse.’

Waar het in Stikkers filosofie om gaat, is het creëren van nieuwe centra naast de bestaande machten en instituties. De centrale macht, die Van den Brink en Halsema als ijkpunt en doelwit gebruiken, is volgens haar een gepasseerd station. ‘Wat nou centrale macht, waar kun je die nog lokaliseren? De erosie is veel verder voortgeschreden dan men zich realiseert. Ik zit in verschillende commissies en ik realiseer me meer dan ooit dat de Tweede Kamer volledig is uitgespeeld. Er zijn krachten in het spel, die volledig buiten de partijstructuur opereren. Denk aan belangenorganisaties, multinationals, Europa.’

‘Ik ben geheel bekomen van die commissies. Ik geloof niet, dat het zin heeft om daar in te zitten. Ik ben voor de Delta nota gevraagd, het nationale actieplan over de elektronische samenleving. Dan zit je aan tafel met de directeur van Philips, IBM, dat hele ritueel. Maar wat blijft daar nou van over. Je bent meer excuus Truus. Ik kan nog net mee voor jong. En het is ook heel handig, dat ik vrouw ben. Maar je feitelijke invloed is heel beperkt.’

Stikkers houding sluit naadloos aan bij de visie van Van Weelden, maar valt slecht bij Van den Brink en Halsema. ‘Dat van je eigen netwerken creëren et cetera, dat is je terugtrekken uit de wereld. Dat is nou precies jezelf ongevaarlijk maken‘, schampert Van den Brink. Halsema hekelt het individualisme, dat haar generatie kenmerkt. ‘In eerste instantie was dat misschien nog ideëel, het anti consumentisme, je eigen ruimte creëren. Maar gelijktijdig met het rijker worden van het land, begint het verdacht veel te lijken op het individualisme en conservatisme van de oudere generatie.’

O ja, die vaders. Moeten die, indachtig de hamvraag in Technikart, nou gedood worden?

Stikker haalt haar schouders op. ‘Ik heb hun posities nooit geambieerd. Wat me wel ergert is hun arrogantie. Zo’n Henk Hofland, ook al hoort die strikt genomen niet tot de babyboomers, die schreef over de mensen, die aan zijn poten wilden zagen. De arrogantie! Alsof iemand nog op die stoel wil zitten.’

De Volkskrant, 31 maart 2001, 0:00

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/on-bevlogen-generatie~bcc8a6f9/

Meer informatie:
Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Verloren+Generatie
http://robscholtemuseum.nl/?s=Hans+Maarten+van+den+Brink
http://robscholtemuseum.nl/?s=Femke+Halsema
http://robscholtemuseum.nl/?s=Dirk+van+Weelden
http://robscholtemuseum.nl/?s=Marleen+Stikker
http://robscholtemuseum.nl/?s=Felix+Rottenberg
http://robscholtemuseum.nl/?s=Chris+Keulemans
http://robscholtemuseum.nl/?s=Stephan+Sanders
http://robscholtemuseum.nl/?s=Xandra+Schutte
http://robscholtemuseum.nl/?s=Anil+Ramdas
http://robscholtemuseum.nl/?s=Bas+Heijne
http://robscholtemuseum.nl/?s=Rob+Scholte
http://robscholtemuseum.nl/?s=Theo+van+Gogh
http://robscholtemuseum.nl/?s=Peter+Klashorst
http://robscholtemuseum.nl/?s=Joost+Zwagerman
http://robscholtemuseum.nl/?s=Ted+Langenbach
http://robscholtemuseum.nl/ouwe-siem-rehabilitatie-voor-de-verloren-generatie/

Leave a comment

Your email address will not be published.

*