Eric van den Berg – Bloot zonder dat het bloot is

Ze exposeert van São Paulo tot New York, van Venetië tot Chicago, en nu in Haarlem. Wereldberoemd is ‘de vrouw van die strandserie’, fotografe Rineke Dijkstra…

Heel lang is ze een meisje gebleven. Tot haar 33ste zeker, misschien nog wel iets langer. En ineens merkte ze het: ik ben geen meisje meer. Ze vindt zichzelf dikker, en dan die ‘ouwe kop, erg hè?’
‘Dingen veranderen’: geen grote strik meer in het haar.
Meisjes, ja, Rineke Dijkstra fotografeert inderdaad meer meisjes dan jongens, is er ook wereldberoemd mee geworden. ‘Ik heb het idee, dat meisjes beter lukken. Ik kan me daar toch makkelijker mee identificeren, of ik heb daar makkelijker contact mee… Ik weet het eigenlijk niet… Misschien kan ik ze beter doorgronden. Bij meisjes heb ik altijd sneller het idee, dat ik begrijp wat ze zijn, wat hun wezen is of zo. Met jongens, vind ik… tja, ik denk, dat jongens eerder iets willen ophouden.’
Rineke Dijkstra, vrouw van 42, ‘houdt er niet van verschrikkelijk haar fotografie te theoretiseren’. Want ‘je fotografeert toch altijd iets, waarin je een bepaalde schoonheid ziet.’
Simpel eigenlijk. Laten we vooral niet te moeilijk en interessant doen. Geen methodes, en zeker geen maniertjes.
Verlegen? ‘Mwah. Wat vind jij?’
Ze speelt met haar lange donkere haar, lacht zelf al enigszins nerveus als ze per abuis licht heeft overdreven: ‘Toen ik een jaar of negen was, heb ik een cameraatje gehad. Ik ging dan altijd m’n broertje van één fotograferen. Nou ja, altijd… ik heb hem één keer gefotografeerd. In het winkelcentrum in Castricum. Hij was mijn eerste model.’
Gewoon, het is zoals het is. Het ging, zoals het ging. Voorspoedig: de afgelopen jaren heeft ze haar foto’s continu van São Paulo tot Boston, van Venetië tot Chicago vooruit en achterna gereisd – een van haar beroemde kinderen op het strandfoto’s heeft in het Museum of Modern Art in New York al een keer naast een Cézanne mogen hangen.
Maar steeds weer kwam ze terug op haar kamer vlakbij de Ten Kate markt in Amsterdam West, die ze al al twintig jaar bewoont. Volgend jaar gaat ze verhuizen naar Amsterdam Zuid, aan de andere kant van het Vondelpark, want dat ruimtegebrek gaat haar nu een beetje storen. Twee etages heeft ze gekocht – haar vriend, schilder Bart Domburg kan dan wat vaker langs komen, zo is de bedoeling. In een wijk op stand, met vijver en al.

Prinses

Moeder, 74, kan het nog meemaken (‘Die maakt poppentaferelen, heeft de ene tentoonstelling na de andere. Goed hè?’), maar vader had eens moeten weten.
Knutselen, dat kon Rineke. ‘We zaten thuis altijd te kleien. En te tekenen. Toen prins Willem Alexander geboren werd, ging iedereen daar tekeningen voor maken, of als de prinses jarig was… weet je wel? Dan stuurden we die op.’
Handvaardigheid in het pakket op de HAVO in Alkmaar dus, twee verschillende lerarenopleiding in die richting geprobeerd (‘na twee jaar gestopt, ik vond het niet zo leuk’), en ook het Christelijk Cultureel Studiecentrum in Den Haag (‘dingen met drama… echt iets voor mensen, die niet wisten wat ze wilden’). En ondertussen via via naar De Moor, nu het Amsterdams Centrum voor Fotografie.
De fotografie ‘kwam ineens binnen zeilen’, een vriend op school was er mee gekomen. ‘Ik zei tegen mijn vader: ‘Nu weet ik het zeker, ik wil fotografe worden. Ik ga naar de Rietveld.’ Pa zei: ‘Je moet wel bedenken: er is geen droog brood mee te verdienen. Maar als je dan per se wilt…’ ‘Jaren later, vlak voor zijn dood in 1993, zou hij het persoonlijk uitleggen aan minister Hedy d’Ancona, tijdens de opening van de groepstentoonstelling De kracht van heden, met de ‘strandfoto’s’ die haar doorbraak zouden betekenen: ‘Kijk, Rineke is in Castricum opgegroeid, aan het strand. Dus deze serie, ja, dat is toch eigenlijk allemaal wel logisch.’
Rineke Dijkstra heeft nu een groot atelier op het W.G. terrein. Had vorig jaar een solo expositie in de Marian Goodman Gallery in New York, in 1997 een groepsexpositie een paar blokken verder in het MoMA (‘Dat was gewoon… wow!’), dit jaar nog in het Art Institute of Chicago – en waar eigenlijk niet. Een foto van ‘die vrouw van die strandserie’ doet nu 20 duizend dollar.
Kinderen in al hun onbevangenheid aan de vloedlijn van de stranden van South Carolina, Coney Island, Polen, België, Oekraïne, Kroatië, en Engeland. Niet de ‘standaard mooie’ kinderen, niet de meisjes met ‘modellen ambitie’, maar de ‘gewone, zeg maar’. ‘Aan kleine dingetjes kun je veel aflezen. Ik kan ook een heel interieur laten zien of een hele omgeving, maar het is interessanter als de toeschouwer, dat allemaal zelf kan bedenken. Je kan ook een indicatie van een ruimte geven, door een stukje kast of behang. Zo’n badpak van dat meisje in Kolobrzeg kan ook veel zeggen, dat is van 1974; de foto heb ik genomen in 1992.’
Een beetje zoals ze zichzelf zag, een jaar eerder in het Amsterdamse Marnixbad. Ze moest ter revalidatie – ze had haar heup gebroken, toen ze op de fiets tegen een plots open slaand autoportier reed – per dag dertig baantjes zwemmen. Doodop keek ze in de spiegel, haar zwembrilletje net afgedaan, en ze zag iemand, die géén pose aannam, simpelweg, omdat ze daar te moe voor was. Dat wilde ze fotograferen. ‘Dat badpak vond ik erg mooi. Bloot zonder dat het bloot is. Dát moest ik doen.’Ze wilde ‘haar eigen verhaal maken’, haar eigen onderwerpen kiezen. De zeven jaar daarvoor had ze dat nauwelijks gedaan: ze had Rob Scholte laten zwemmen voor de NRC, had Wim T. Schippers in ‘zijn’ trouwzaal gezet voor een boek over de Stopera, en had twee concurrerende bungalowpark directeuren laten monopoliën aan de waterkant voor de Quote. ‘Op een gegeven moment heb je het met die opdrachten wel gehad. Bovendien, ik kreeg die directeuren nooit uit hun pose. Ze bleven altijd in hun functie.’
‘Maar ik máákte er wel wat van. Ik heb heel veel geleerd die tijd. Ik werkte altijd met handflitsers. Vijf verschillende, en ook met gekleurd licht. Ik had nooit dingen voor mezelf kunnen maken, als ik die opdrachten toen niet had gedaan, denk ik. Ik heb geleerd met techniek om te gaan, en met mensen.’

Eng

’Portretten waren het, portretten bleven het. Al vond ze ‘mensen fotograferen’ aan het begin van haar loopbaan ‘ongelooflijk eng’. Ze is maar begonnen met mensen op straat van áchteren te fotograferen. Totdat een lerares ingreep: nu moet je toch echt proberen mensen van voren te fotograferen. ‘Nou, dat deed ik dan. Het was een heel geklungel. Ik deed er heel lang over om scherp te stellen, om dat pijltje in het midden te krijgen. Beetje onhandig met die camera heen en weer. Die mensen allemaal van: wat staat dat kind daar nou te doen?’
‘Dat ene moment’, daar gaat het steeds om, ‘dat ene moment, waar je eigenlijk doodsbang voor bent’ – dát is de foto. Als de spanning net even weg is, dat moment legt ze met haar Wista 4 x 5 inch camera vast.De Portugese stierenvechter, na het gevecht, waarin het hem – zo is daar de bedoeling – was gelukt bovenop de stier te klimmen, en zijn gezicht van geluk had gebaad in het bloed (‘Ja jou moet ik hebben!’).
De moeder, een uur na de bevalling staand met de baby in haar armen, moe van de inspanning – bloed, verband of keizersnede duidelijk zichtbaar (‘Heel veel mannen hadden enorme problemen met die foto’s, die vonden, dat je dat niet moest laten zien. Vrouwen hadden zoiets van: ja, maar zo ís het ook. In de reclame is een pas geboren baby al drie maanden oud, ligt ie echt op zo’n roze wolk.’).
Het Berlijnse meisje in het Tiergarten park, aan het frisbeeën met een vriendinnetje, net nadat ze de frisbee heeft weg gezeild (‘Ik had een takje op de grond gelegd, en gevraagd of ze steeds op die plek wilden gaan staan als ze hadden gegooid. Ik wilde de kinderen vangen in hun spel, zonder dat ze echt poseren.’).
En Olivier, de jongen uit Toulouse, die in het Vreemdelingenlegioen gaat, vóór zijn eerste training, of juist in gevechtstenue – nu net als de Tiergarten reeks te zien in het Frans Halsmuseum in Haarlem (‘Hij was zó jong; ik begreep helemaal niet waarom hij nou in het legioen wilde, dat intrigeerde. Wat trok hem nou? En natuurlijk, hij was zo’n watje in het begin. Je zag hem veranderen.’).

Blik

‘Toeval speelt altijd een hele grote rol in mijn werk’, zegt Dijkstra. ‘Het zit vaak in de details, waarom een foto goed is geworden. In de blik, de gebaren, hoe iemand zijn handen houdt. Met het idee kinderen op een strand te fotograferen heb je op zichzelf namelijk nog niks.’Het belangrijkste: het moet klikken. ‘Ze moeten je leuk vinden. Het moet wederzijds zijn. Dan besef je, dat ik niet alleen naar hen kijk, zij kijken ook naar mij!’ Sowieso, ‘als mensen geen zin hebben, lukt het niet. Ze moeten een bepaalde concentratie op kunnen brengen.’
Af en toe helpt Rineke ze een handje. ‘Stel je voor, dat je naast de dansvloer staat’, zei ze tegen de jongeren bij de discotheek The Buzzclub in Liverpool en Mysteryland in Zaandam. ‘Je vriendin is naar de wc, en de DJ draait net je favoriete nummer. Dan steek je een sigaret op, en dan… Goed, dit was dan wel een video, en geen foto, maar zoiets helpt wel. Ze gingen bewegen of dansen.’
Zo liet Dijkstra de 11 jarige Isabel kijken naar haar favoriete film, Titanic. ‘Dat is goed’, zei het meisje, ‘maar ik ben bang, dat ik dan ga huilen.’ En inderdaad, toen Leonardo DiCaprio en Kate Winslet elkaar in de armen vielen, moest ze wéér huilen. Maar dat staat niet op de foto, dat vond Dijkstra zielig.
‘Soms krijg ik wel eens van een kind een heel leuk briefje in hanenpoten terug met ‘bedankt voor je mooie foto’. Maar kijk, ik probeer wel contact te houden, maar het zijn natuurlijk allemaal toch een soort vreemden voor me. Dat is wel raar eigenlijk, want de foto’s hangen overal.’Het zijn vooral de jonge mensen, die Dijkstra intrigeren. ‘Het onschuldige, de onbevangenheid, dat het allemaal nog een beetje moet gaan beginnen. Er moet een soort hoop uit de portretten spreken.’

Stapjes

De ‘kleine stapjes’, die vindt Dijkstra het interessantste. ‘Ik heb niet zo’n fascinatie voor thema’s als leven en dood, of dingen, die ineens je hele leven veranderen. Bij mij zijn het meer de kleine veranderingen, die iedereen ondergaat. Een jongen, die het leger in gaat, of een kind, dat in de puberteit komt.’
‘Alle portretten bij elkaar vormen een zelfportret,’ beaamt ze. Toch? Ziet ze veel van zichzelf? Het antwoord: ‘Het is misschien een soort… terughoudendheid, nou ja… ik denk niet: dat zou ík kunnen zijn of zo, maar… ik denk, dat dat misschien allemaal bij elkaar, allemaal toch wel hetzelfde type mensen zijn, die ik fotografeer. Dus ik weet het ook eigenlijk niet. En misschien is het ook helemaal niet zo. Het is van jezelf zo moeilijk te zeggen… ik weet het niet. Het heeft altijd iets te maken met herkenning, maar wat het nou precies is, daar kan ik niet de vinger op leggen.’
Wat te dichtbij komt: mensen van haar eigen leeftijd fotograferen. ‘Dat is nog een te grote stap. Dat is te confronterend.’Eenmaal de veertig gepasseerd, gaat alles snel, vindt en vreest ze. Het is alweer even geleden dat ze met camera en strik in het haar door Paradiso en de Mazzo dwaalde. Af en toe danst ze nog in Berlijn, in van die underground tenten, waar ze Russische varianten op Saturday Night Fever draaien (‘Gewéldig!’), – maar nee, híer, ‘daar word ik te oud voor, jammer hè?’.
Kinderen krijgen ligt ook niet echt meer voor de hand, vermoedt ze. ‘Iedereen verbaast zich altijd, dat ik ze niet heb, maar een leven zonder kinderen vind ik ook prima hoor. En anders, wie weet, nog net op de valreep; sommige mensen krijgen nog een kind als ze 45 zijn.’
De kinderen van haar vriendinnen, daar zal het vermoedelijk bij blijven. Misschien dat ze die de komende jaren gaat volgen met haar camera, de graduele veranderingen vast leggen. Of bij Olivier, hoe hij nog verandert in het Vreemdelingenlegioen, misschien zonder dat hij het zelf weet.
Nieuw werk moet er komen, vindt Dijkstra. ‘Het is wel het moment, dat er weer iets nieuws moet gebeuren.’
Een ‘slopende tijd’ heeft ze achter de rug. ‘Laatst stond ik op Schiphol, en ik dacht: goh, wat een tijd ben ik hier niet geweest. Het bleek maar anderhalve week geleden.’
‘Ik heb ontzettend veel gereisd de laatste drie, vier jaar; het is zo lekker om weer even hier te zitten. Misschien ga ik het nu allemaal dichter bij huis zoeken. Ik hoef niet per se weer naar verre oorden, omdat het allemaal zo spectaculair kan zijn.’

De Volkskrant, 20 december 2001, 00:00

https://www.volkskrant.nl/archief/bloot-zonder-dat-het-bloot-is~a607611/

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Rineke+Dijkstra

Leave a comment

Your email address will not be published.

*