David Kleijwegt – David Bowie: pauw en ekster tegelijk

In 2012 verschenen er twee biografieën van David Bowie. Misschien was de 65-jarige superster klaar, misschien zou hij gaan optreden bij de Olympische Spelen, concludeerde David Kleijwegt toen. Vandaag werd bekend dat David Bowie is overleden.

Het honderd dertiende optreden van de tournee, die A Reality Tour was gedoopt, vrijdag 25 juni 2004 op het Hurricane Festival in Scheeßel, niet heel ver van Bremen, leek een optreden als elk ander te worden. De over vier continenten uitgespreide concertreeks liep tot dan toe gesmeerd. De band was ingespeeld en de meeste muzikanten kenden hun broodheer al jaren. Ze keken er niet meer van op wanneer hij zich enigszins afzijdig hield van de rest. Zo ging het eigenlijk al sinds de vroege jaren zeventig. Eerst vanwege zijn drugsgebruik, later door de absentie van diezelfde drugs.

In de jaren negentig was David Bowie ook maar gestopt met drinken. De enige ondeugd, die hij nog lang duldde, was roken. Hij leek er geen einde aan te kunnen maken. Ook al probeerde hij die slechte gewoonte wel te temperen, zij het halfslachtig: tijdens tournees, zenuwslopend en arbeidsintensief als ze zijn, werd het tempo weliswaar opgevoerd, maar ter compensatie werden de rode pakjes Marlboro vervangen door witte light variant. Stoppen was hem eindelijk gelukt tijdens de zwangerschap van zijn dochter Alexandria Zahra, roepnaam Lexi, geboren op 15 augustus 2000; zijn tweede kind, na Duncan Zowie (1971).

Slechte voortekens

De laatste weken waren er enkele incidenten voorgevallen, maar Bowie zag die niet als slechte voortekens. Zijn duistere, paranoïde periode lag achter hem. Het leek haast een eeuwigheid terug: die tijd in Los Angeles dertig jaar geleden, in dat grote huis, waarvan de gordijnen zo zelden opengingen. Hij had soms dagen op rij niet geslapen. Hij had het overleefd, maar ternauwernood, op een dieet van rode pepers, melk en cocaïne. Had uren achtereen films over Duitsland in de nazitijd gekeken en was geobsedeerd geraakt door ufo’s. Aan Creem Magazine vertelde hij indertijd, dat hij er een jaar lang ‘zes of zeven per nacht’ had gespot. Achter elke boom had hij een vijand gezien. Maar dat was een compleet andere David Bowie geweest, toen. Niet deze.

Begin mei was er een concert in Miami afgelast, omdat een lichtman was doodgevallen voordat de zanger het podium zou opgaan. En een week voor Scheeßel had een vrouw uit het publiek tijdens een openluchtconcert in Oslo een lolly naar het podium gegooid, die prompt in het linkeroog van Bowie terecht was gekomen. Hetzelfde oog waaraan zijn schoolvriend George Underwood hem in 1962 had verwond tijdens een vechtpartij om een meisje. Vanaf die tijd kon hij er geen diepte meer mee zien en was de pupil in dat oog permanent groter.

In Oslo was hij even van de kaart geweest. Op luide toon wilde hij weten wie dat ding naar hem had gegooid. Maar de performer, die ooit zeker meende te weten, dat hij zou sterven op het podium, door toedoen van een fan, herstelde zich opvallend snel. Hij maande op relaxte toon tot voorzichtigheid: ‘Ik heb maar één goed oog, weet je.’ Waarna hij een extra lang concert gaf, als goedmakertje voor de schrik.

Juist korter, beperkt tot vijftien nummers, was het optreden in Praag, ruim een maand later. Bowie had last van een beknelde zenuw in zijn schouder, zo heette het, en zag zich daardoor genoodzaakt eerder met zingen te stoppen. Niets aan de hand, eenvoudig weg te zetten onder het kopje ‘kleine fysieke ongemakken’, niet heel ongewoon voor een man van eind vijftig, die elke avond zo’n inspanning verrichtte. Hij dacht er waarschijnlijk niets meer van aan de vooravond van het Hurricane Festival. Misschien was de ergste pijn over. Of misschien was wat hij er nog van voelde makkelijk te verdragen. Hoe dan ook: concert honderd dertien kon doorgang vinden. Maar dat honderd dertiende concert, bijna tien jaar geleden, bleek het laatste complete concert van David Bowie: na afloop stortte hij backstage ter aarde, kermend van de pijn en zich beklagend over benauwdheid. Alle volgende shows werden gecancelled, officieel vanwege de beknelde zenuw. Nadat hij was teruggekeerd in New York werd pas bekend, dat hij was geopereerd aan een verstopte slagader. Een insider zou niet veel later stellig beweren, dat David Bowie een hartaanval had gehad. Direct na het optreden was hij in allerijl naar een gespecialiseerd ziekenhuis in Hamburg vervoerd en daar met spoed geopereerd. Het had niet bijster veel gescheeld, of David Bowie was daadwerkelijk op het podium overleden, zij het dan niet door toedoen van een toeschouwer, maar doordat een vitaal orgaan het dreigde te begeven.

Extatisch gelukkig

In zijn uitstekende biografie Starman noteert journalist Paul Trynka, dat Bowies vrouw, het voormalige topmodel Iman, een jaar later zei: ‘We gaan niet met pensioen, mensen.’ Underwood, die ondanks de vechtpartij een goede vriend van hem is gebleven, denkt er het zijne van. ‘Het is bij hem omgekeerd,’ concludeert hij in het laatste hoofdstuk van het boek. Suggererend, dat Bowie zijn familieleven tegenwoordig belangrijker vindt dan zijn muzikale ambitie. Lexi is per slot van rekening pas elf jaar oud.

Vijf ontmoetingen had ik met Bowie: de eerste keer in 1989, voor het laatst in 2003, toen zijn laatste cd, Reality, werd uitgebracht. In niets leek hij nog op de door verdovende middelen gevoede psychotische neuroot, die hij moet zijn geweest toen hij platen maakte zoals Station To Station, die briljant waren, maar waarvan hij zich de opnamen niet eens wist te herinneren. Hij was een intelligente gesprekspartner. Begeesterd kon hij vertellen over zijn liefde voor kunst, film, boeken en muziek, schietend van Rob Scholte naar Mark Rothko en van de Pixies via Luis Buñuel naar Jean Baudrillard – zonder hoogdravend te klinken. Maar het opvallendst was toch de jaloersmakende nuchterheid, waarmee Bowie naar zijn eigen werk kon kijken. Dit in tegenstelling tot veel van zijn collega’s, die hun laatste cd steevast hun geslaagtste vinden. Zijn beste muziek ooit had hij gemaakt, bekende hij zonder aarzeling, terwijl hij diep en diep ongelukkig was. Waarna hij zich vervolgens, we schrijven het jaar 1995, ‘ongezond, uitzinnig, extatisch gelukkig’ verklaarde. Dat zijn nieuwe muziek dientengevolge wat minder was? Een wegwerpgebaar: ‘Ach…’

Verdwijntruc

David Bowie is 8 januari van dit jaar (2012) 65 geworden. Is hij nu met pensioen of niet? Bij het verschijnen van Reality vertelde hij, dat hij de titel van de cd had gekozen omdat ‘reality’, de werkelijkheid, een aanname was, die hij langzamerhand steeds meer aan de einder zag verdwijnen. Nu zien wij Bowie, ondanks de belofte van zijn vrouw, zelf oplossen in het niets. Is dat zijn laatste grote stunt, een Houdini-achtige verdwijntruc? Niet eens met veel theater, maar met de stille trom? Het zou enorm verfrissend zijn – een oude popster, die de hunkering naar de spotlights blijkt te kunnen weerstaan. Want: ‘Niets zo tragisch als rocksterren, who act their shoe size and not their age,’ liet zanger – en fan – Gavin Friday optekenen, die eerder dit jaar in Paradiso nog Bowies ‘Five Years’ coverde.

Feit is, dat er sinds zijn hartaanval op 25 juni 2004 zeer mondjesmaat nieuwe muziek van hem is verschenen. Enkele nummers op een soundtrack hier en daar, en dat is het. Zingen voor publiek doet Bowie tegenwoordig nog minder vaak, en dan alleen nog als special guest. Mei 2006 zong hij zichtbaar zenuwachtig twee nummers, de Pink Floyd klassiekers ‘Arnold Layne’ en ‘Comfortably Numb’, aan de zijde van David Gilmour. Tijdens een benefiet, waarbij Iman betrokken was, trad hij in november van datzelfde jaar voor het laatst op. Met Alicia Keys zong hij zijn eigen ‘Changes’. Frappant: juist het nummer, dat te pas en te onpas, en tot zijn grote ergernis, wordt gebruikt om zijn veelomvattende carrière te duiden. ‘Bowie en zijn ch-ch-ch-ch-anges,’ zei hij me ooit, met minachting in zijn stem. ‘De kameleon van de rockmuziek. Weten de mensen, die dat beweren wel wat een kameleon doet? Het stoort me, het is luie journalistiek.’ Aldus de man, die als tiener De Gedaanteverwisseling van Kafka las en jaren later liet weten, dat het de eerste keer was geweest, dat hij zich ongemakkelijk had gevoeld.

Grootspraak

Er wordt gefluisterd, dat Bowie komende zomer zijn opwachting zal maken tijdens de festiviteiten rond de Olympische Spelen in Londen, zijn geboorteplaats. Of dat ook gaat gebeuren, valt nog te bezien – David Bowie heeft nu eenmaal meer te verliezen dan te winnen -, maar zeg bij hem nooit nooit. Exact veertig jaar nadat zijn doorbraakplaat The Rise and Fall of Ziggy Stardust and The Spiders from Mars uitkwam, afgelopen maand opnieuw verschenen in een opgeschoonde (maar wat karig uitgevoerde) 40th anniversary edition, is de fictieve popster van een andere planeet nog altijd zijn meest geliefde creatie. Het verhaal van Ziggy eindigt in ‘Rock-‘n-Roll Suicide’, met zijn moord door zijn fans. Beter gezegd: door hen liet hij zich doden, een zelfmoord in feite, maar dan een, die door anderen werd gepleegd. Bowie zelf hielp zijn personage om zeep tijdens een legendarisch concert, vastgelegd door regisseur D.A. Pennebaker, op 3 juli 1973 in de Hammersmith Odeon, waar hij voor een verbouwereerd gehoor, inclusief onwetende bandleden, verklaarde nooit meer te zullen optreden. Dat, weten we, bleek grootspraak, zoals wel meer in zijn muzikale loopbaan. Als je alles kunt zijn wat je wilt zijn, zoals Bowies uitgangspunt was, kun je ook alles níét zijn. Hoe onvoorspelbaar zijn de wegen van een mens, die alles kan en, waar nodig, zal ontkennen? Niemand spreekt zichzelf zo dikwijls tegen als David Bowie. Voor hem is het zelfs een prominente stijlfiguur, waarvan hij als geen ander handig gebruik heeft gemaakt. Begin 1972 verklaarde Bowie tegenover Melody Maker ronduit: ‘I’m gay.’ Groot nieuws, geen andere popster, die daar openlijk voor uitkwam. Tijdens de tv première van ‘Starman’, die zomer in het BBC-programma Top of the Pops, omhelsde hij bij het refrein wellustig zijn gitarist Mick Ronson. Vervolgens heeft Bowie zijn eigen uitspraak soms halfslachtig bevestigd, maar vaker nog weersproken.

Strikt muzikaal gezien is het bij David Bowie de vraag, of hij nog wat nieuws te bieden zou hebben. Of desnoods wat ouds. Veel muzikanten van zijn leeftijd vallen terug op hun stijl van weleer, een herhaling van zetten, die doorgaans wordt uitbetaald in klinkende munt. Bij Bowie in zijn gloriedagen was er geen sprake van een stijl, maar juist van een razendsnelle afwisseling van stijlen. Daar eentje uit kiezen, zou niet bepaald des Bowies zijn. Het is tegen zijn eigen beginselen. En wie zou Bowie dan moeten zijn? Ziggy Stardust? Aladdin Sane? The Thin White Duke? De gladde charmeur van Young Americans? De superieur afstandelijke chroniqueur uit zijn Berlijnse jaren? Vooral, dat hij ze allemaal is, maakt David Bowie (een pseudoniem, laten we dat niet vergeten) zo bijzonder.

Sardonisch genoegen

Hij is pauw en ekster tegelijk, aldus Peter Doggett, auteur van The Man Who Sold The World, waarin hij een analytisch licht laat schijnen op Bowie in de jaren zeventig. Paul Trynka geeft hem de eretitel van eerste postmoderne popster. Hij gebruikt het eerder genoemde ‘Starman’, de eerste hit van Ziggy Stardust, om zijn punt te bewijzen. Vrijwel elke muzikale strofe van de song is te herleiden tot een voorbeeld, het zijn samples avant la lettre. Met als meesterzet de verhoging van een octaaf in het refrein, die hij, als laatste toevoeging, rechtstreeks transporteerde uit ‘Somewhere Over The Rainbow’ van Judy Garland. Maar hij stal niet alleen, Bowie liet met sardonisch genoegen zien, dat hij stal. Wat dat betreft zijn alle huidige popmuzikanten, en niet alleen evidente image builders als Madonna en Lady Gaga, hem meer schatplichtig dan wie dan ook. De oorverdovende absentie ten spijt blijkt hij merkwaardig genoeg omnipresent in de huidige popcultuur. Er zit in de eenentwintigste eeuw, die zich laat kenmerken door een chronisch gebrek aan muzikale innovatie, weinig anders op dan bouwstenen uit de popgeschiedenis te lenen en gebruiken naar eigen inzichten, precies zoals Bowie veertig jaar geleden deed.

Voor David Bowie was dat stelen meer dan een meesterzet. Het was een noodzaak. De eerste honderd pagina’s van Starman gebruikt Paul Trynka om zijn uitgangspunt te onderbouwen, dat hij niet anders kon, dat hij wel moest. Bowie is als David Robert Jones op dezelfde dag geboren als Elvis Presley (maar dan twaalf jaar later); David Bowie debuteerde op de dag, dat ook Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van de Beatles uitkwam. Maar in de jaren zestig was hij noch authentiek noch hip. Hij had geen groot talent voor het zingen of spelen van blues en soul, net zomin als hij geloofwaardige liedjes wist te componeren in die genres.

In veel meer opzichten dan puur muzikale alleen was Bowie totaal niet op zijn plaats, zo aan het eind van de jaren zestig. Paradoxaal genoeg diende hij zich daarmee eigenlijk precies op tijd aan. Net na het begin van een nieuw decennium was Bowie, die meende dat werkelijkheid – toen al! – en eerlijkheid holle begrippen waren geworden, plots de verpersoonlijking geworden van een tijdsgewricht. Hij hoefde er niet eens veel voor te doen. In zichzelf ervoer hij een grote leegte. ‘Soms voel ik mezelf niet eens een persoon,’ bekent hij in The Man Who Sold the World. En op het moment van de uitspraak had hij in Ziggy Stardust wel al het canvas gevonden, waarop hij zijn uitvergrote zelfportretten kon schilderen.

Mensen, die vooral de futuristische tendensen in zijn werk waarderen, zoals bijvoorbeeld Alexis Petridis van The Guardian onlangs nog, menen, dat hij niet nostalgisch van aard is. Maar dat is bezijden de waarheid. Alleen was David Bowie al nostalgisch, voordat alle anderen het waren, getuige Pin Ups, zijn eerbetoon aan songs uit de jaren zestig uit 1973. Net zoals hij zich eerder dan anderen bekommerde om heruitgaven. En al zo vroeg als in 2002 concerten gaf, waarbij hij een hele plaat (Low, in dit specifieke geval) uit zijn back catalogus speelde. Maar tegelijk was hij een pionier op het internet en gaf hij aandelen van zichzelf uit, de zogenaamde Bowie Bonds. Naar aanleiding van die actie gaf een economisch tijdschrift hem zelfs de schuld van de kredietcrisis, een suggestie, die begrijpelijkerwijs door niemand is overgenomen.

Misschien is David Bowie wel klaar en houdt hij de mythe intact door als David Robert Jones op te gaan in New York. Door er niet (meer) te zijn. Dat het kan, weet hij als geen ander. Zelfs Bowie kon met een minieme vermomming in die stad onzichtbaar worden. Toen hij bij het verschijnen van Reality de pers te woord stond, was het een honkbal petje. ‘Dit is het enige scherm tussen mij en de wereld, geloof me. Als ik dit petje draag, behoor ik tot New York,’ zei hij, lachend.

Overigens, het laatste nummer, dat hij speelde, aan het slot van concert honderd dertien van de A Reality Tour in Scheeßel, was ‘Ziggy Stardust’. Hoe toepasselijk. Want zo is het verhaal, zíjn verhaal rond. Maar de twijfel blijft: dat zou bij David Bowie namelijk voor het eerst zijn.

Paul Trynka, Starman, David Bowie – The Definitive Biography, Sphere, 440 p., € 12,99

Peter Doggett, The Man Who Sold The World, David Bowie And The 1970s, The Bodley Head, 424 p., € 24,99

David Bowie, The Rise and Fall of Ziggy Stardust from Mars – 40th Anniversary Edition 2012 Remaster, is verschenen bij EMI Music

Vrij Nederland, juni 2012, opnieuw gepubliceerd op maandag 11 januari 2016

https://www.vn.nl/pauw-en-ekster-tegelijk/

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=David+Bowie

Leave a comment

Your email address will not be published.

*