Cor Hendriks – The Sphinx Speaks (10): De Zeven Patala’s + Manu in the Bible and the History of Mankind + FIVE FLOOD STORIES YOU DIDN’T KNOW ABOUT

De Indiase Purana’s spreken van zeven Patala’s. Ze geven beschrijvingen van deze Patala’s, die zeer fantastisch lijken te zijn. Ze worden gezien als zijnde onderaardse gebieden, zoals de hemel of “Swarg” wordt gezien als zijnde een gebied boven de aarde. Maar er zijn twee of drie punten, die een waardevolle hint geven over hun realiteit en, wanneer vergeleken met feiten beschreven in de verslagen van andere landen, nagelaten door vreemde schrijvers, evenals die beschreven in de Puranische verhalen zelf, ons waardevolle indicaties geven in het identificeren van de landen van de zeven Patala’s.

Een belangrijk feit om op te merken is, dat de Patala’s over het algemeen worden beschouwd als onder de zee. Een andere grote karakteristiek is, dat ze bewoond worden door Danava’s (of demonen) en Naga’s (of Serpenten), die leven als menselijke wezens in fabuleus rijke steden en koninkrijken. Hun vrouwen zijn ook prachtig en ze hebben vaak zelfs huwelijksrelaties met Manushya’s (of menselijke wezens afstammend van Manu, zie https://en.wikipedia.org/wiki/Human_beings_in_Buddhism). De zeven Patala’s heten Atala, Bitala, Sutala, Talatala, Mahatala, Rasatala en Patala. Shri Nand Lal Dey in zijn boek “Rasatala” identificeert Patala’s met de regionen ten noordwesten van India, inclusief Turkestan, de Kaspische regio, Kaukasische regio, evenals de gebieden van Klein Azië. De belangrijke punten, die zijn theorie ondersteunen, zijn, dat een grote rivier genaamd “Rasa” in oude literatuur en nu de Oxus wordt genoemd in het gebied stroomt en daarom schijnt het woord Rasatala terecht gebruikt voor dit deel van het land. Ten tweede waren daar de Danava’s, Daitya’s, Garuda’s en Naga’s of Serpenten als de diverse menselijke naties, die deze gebieden bewonen. Zij konden eenvoudig in contact komen met de Manushya’s, die in Sapta-Sindhu woonden. De grote zwakte echter van zijn positie is, dat terwijl het plausibel kan lijken wanneer beschouwd in relatie tot de naam “Rasa”, het niet de andere zes Patala’s verklaart. Bovendien verklaart het ook niet het feit, dat Patala’s beschouwd worden onder de oceaan te liggen.

Maar de recente geologische en archeologische onderzoekingen in Mexico van Centraal Amerika hebben een zeer interessant en waardevol licht op deze Patala’s geworpen en hebben ons in het bezit van feiten gebracht, die ons in staat stellen om deze landen met grote precisie te lokaliseren.

Het belangrijkste feit in dit verband is de bewering van de geologie over het bestaan van het grote zuidelijke continent, dat Afrika verbindt met het Deccan Plateau, Australazië, Zuid Amerika en zelfs met Atlantica. Het continent was gescheiden van Sapta-Sindhu of Noord Punjab en Kasjmir door armen van Tethys zee. Voor de Ariërs, levend in Sapta-Sindhu, waren de Patala’s voorbij deze zee. “Rasa” is de naam van water, daarom lagen deze Patala’s zowel “onder de voeten” (of Patala) en “onder de zee of water” (Rasatala). Dus moeten we naar Patala’s zoeken in dit continent van het zuiden. Voorheen werd het beschouwd een legendarisch continent te zijn en werd Lemuria genoemd (of het land van de “Mu”), maar nu heeft geologie het bestaan ervan definitief geaccepteerd en heeft het de naam Gondwanaland gegeven.

Een curieus feit is, dat de Griekse historici van Alexander de Grote’s expeditie de provincie of land van Sind Patala hebben genoemd. In de tijden van Gondwanaland was dit gebied overdekt door de zee en het werd droog land, toen die zee neerstroomde en zich voegde bij de Indiase oceaan, de huidige Arabische zee scheppend. Dus Sind was als het ware teruggewonnen op de zee. Voorheen lag het onder de zee en het zou lijken, alsof het het restant van land was, verkregen van die regionen, die voorheen onder (of voorbij) die zee lagen. Dit zou erop wijzen, dat waarschijnlijk het woord Patala in oude tijden werd gebruikt voor het westelijke deel van het Gondwana continent. Dit zou wijzen naar een conclusie, dat Patala landen niet waren gelegen in het droge land in het noordwesten van India, maar “onder de zee” ten zuiden van Sapta-Sindhu.

Er is een ander belangrijk feit, dat een nog duidelijkere indicatie geeft. We hebben gezien, dat op een gegeven moment de Daitya keizer Hiranyakashpa, de heer van Hyrcaniërs of het Kaspii volk, werd gedood door Heer Narsingh de Arische koning. Maar Narsingh gaf het Daitya rijk aan de zoon van Hiranyakashpa, de beroemde Prahlada. De kleinzoon van Prahlada was de keizer Bali, die de Chinezen en andere mindere naties veroverde. Hij was erop gericht de Chinezen uit te roeien, maar toen kwam Vishnu Vamana tussenbeide en dwong hem vrede te maken. Om internationale vrede van die dagen te verzekeren dwong Waman Bali zijn land bij de Kaspische zee te verlaten en zijn residentie op te nemen in de Patala, genaamd “Sutala”. Waar is dit Sutala gelegen? Shri Nandlal Dey veronderstelt, dat Bali werd verbannen naar de plaats nu genaamd Ballakh [?], wat volgens hem in oude dagen Balikalaya of de residentie van Bali werd genoemd. Maar als dit het geval was geweest, dan zou heel het doel van de verwijdering van Bali uit de hoofdstad verloren zijn gegaan, want Bali zou nog steeds zijn gebleven vlakbij zijn oude gebieden en kon weer een oorzaak van internationale verstoring worden. Permanente vrede kon alleen worden verzekerd door Bali over te plaatsen naar een ver weg gelegen plek. De gelijkenis van de naam Ballakh bewijst niets. Op die manier was Bali waarschijnlijk vergoddelijkt als Baal of Bel in de Babylonische en Assyrische geschiedenis en misschien werden Babel en Babylonia zelf genoemd naar hem.

Er is de traditie, dat Bali in Zuid India leefde of op het Indonesische eiland “Bali”, da  beroemd en welbekend is zelfs heden. In Zuid India is een haven genaamd Mahabalipuram. Wat ook het geval is, er is geen twijfel ,dat Bali verering ieder jaar werd uitgevoerd door de Maharaja van Mysore. Het is mogelijk, dat tijdens de tijd van Gondwana continent het land uitstrekkend van het Mysore gebied naar het huidige Indonesische eiland Bali het domein was toegewezen aan Bali door Waman, toen Bali werd verbannen uit het Kaspische gebied. Het land brak op in eilanden van verschillende namen toen het Gondwana continent in stukken brak, maar oorspronkelijk werd het waarschijnlijk Balidesa genoemd. Mr. V.S. Iyer schreef een interessant artikel in de Illustrated Weekly of India (9-11-1930). Hij heeft erop gewezen, dat de Bana koningen van Zuid India, een tak van de Pallava’s, zichzelf beschouwd als afstammend van de Asura keizer Bali (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Bana_Kingdom). De hoofdstad van de Bana koningen wordt gezegd de stad Bowringpet te zijn en hun heerschappij bedekte een groot deel van Mysore Staat inclusief de stad Mysore. De Maharadja van Mysore verrichtte Bali verering ieder jaar op de dag volgend op de nieuwe maan na het Devali festival. Deze dag werd ‘Balipadyami’ genoemd (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Balipratipada). Een andere bijzonderheid verdient ook opgemerkt te worden. Vishnu Waman beloofde, terwijl hij Bali verbande uit Hyrcania, hem gezelschap te houden als zijn deurbewaarder (wat waarschijnlijk ‘behoeder’ betekende) en geestelijk leermeester. Wanneer het eiland Bali de residentie was van Bali en Vishnu Waman ook daar leefde, dan is het niet verwonderlijk, dat Hindoe cultuur zo’n overheersende trek van de bewoners van dat eiland is. Bali zelf was een discipel van de Arische Rishi Sukracharya en de Daitya’s van Hyrcania waren gearianiseerd geraakt vanaf de dagen van Prahhlada.

Of de keizer Bali leefde in Mahabalipuram of op het eiland Bali (wat waarschijnlijker is), er is geen twijfel, dat het land van de Indonesische eilanden en de zuidpunt van het Deccan Plateau (die met elkaar verbonden moeten zijn geweest in de dagen van het Gondwana continent) een prachtig deel van de aarde moet zijn geweest, geschikt om Sutala ‘Goed land’ te worden genoemd.

Als dit de Sutala regio van Patala was, dan wordt het gemakkelijk om de Atal en Bital Patala’s te identificeren.

Atal betekent dat ‘wat niet beneden is’ en Bital betekent ‘de grondvloer, die goed noch slecht is’. Deze betekenissen passen heel goed bij de bergen langs de noordelijke, oostelijke en westelijke kusten van het Deccan plateau en hun verbonden hooglanden, en naar de centrale porties van de Deccan Plateau. De bergachtige gebieden kunnen niet gezegd te zijn ‘onder’ of op de grondvloer. Ze zijn ook onder de voeten van Sapta-Sindhu Ariërs, zijnde voorbij of onder de zee naar het zuiden. Daarom kunnen ze gezegd worden ‘tal’ te zijn op een manier, toch is hun oppervlak boven de grondvloer en dus werden ze ‘Atal’ genoemd, ofwel dat deel van Patala, dat boven de grondvloer ligt. Het centrale deel van het Plateau dan, zijnde rotsige grond doorsneden met riviervalleien, kon niet worden gezegd zo goed en mooi te zijn als het zuidelijke deel of Sutal. Daarom waren deze twee delen van het Deccan Plateau, toen een deel van de Gondwana continent, de Atal en Bital regio’s van Patala.

Kashyapa alive tree what is burnt by Takshak (near Pond) and parikshit bitten by Takshak (foto Wikipedia)

Kashyapa alive tree what is burnt by Takshak (near Pond) and parikshit bitten by Takshak (foto Wikipedia)

De vierde regio wordt Talatal genoemd of dat wat voorbij of onder ‘Tal’ ligt. Op deze regio wordt een zeer interessant licht geworpen door Amerikaanse archeologen. Zij stellen het bestaan van twee grote volken in Mexico naast de Maya’s. Zij zijn Tolteken en Azteken. Van deze beschouwden de Tolteken zichzelf als stammend uit de oeroude stad van Tlatilco, waarschijnlijk in hun staat Tlatilco. Een andere belangrijke staat was Tlaxcela, wat erg lijkt op Taxsila, de beroemde universiteitsstad in Noord Punjab gesticht door de Saka Skyten of stammen afkomstig uit Turkestan, waarvan een, die van Takchaks, was genaamd naar een Serpent koning. Het was bekend als de zetel van Janmejaya, die het ‘Nag offer’ uitvoerde om zijn vader Parikchet te wreken, die was gedood door Takchak (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Janamejaya en https://en.wikipedia.org/wiki/Takshaka). Het enige verschil is, dat de nieuwe naam begint met Tl, wijzend naar de verandering van de regio. Voorbij Talatal was de Patala genaamd Mahatal of het ‘Grote land voorbij’ en deze beschrijving zou zeer toepasselijk zijn voor het grote continent van Centraal en Zuid Amerika. Af te vragen is, of de naam Amerika zelf niet kan zijn afgeleid uiteindelijk van ‘Mahatal’ na veel transformaties. Gezegd kan worden in ieder geval, dat Mexico bekend was in die dagen als Maxica of het ‘land van zilver en goud erts’ in Indiase vocabulaire, net als huidige Cambodja was genaamd ‘Kambhoj’. Deze feiten krijgen toegevoegde steun van de karakteristieken van de Tolteken, zoals gegeven in het omvattende boek “Ancient Mexico” door Mr. Frederick Peterson, voor het eerst gepubliceerd in 1959, toen de schrijver reeds zes verloren steden in Mexico had ontdekt.

De Tolteken hadden een grote Priester Heerser, die werd vergoddelijkt door zijn volk, genaamd Topiltzin Quetzalcoatl. Tegen het einde is hij gezegd te zijn gegaan naar de regio door de historici genaamd Tlillan Tlapallan, belovend terug te komen op dezelfde datum Ce Acatl in een ander jaar in de toekomst en toeval wilde het, dat de Spanjaarden onder Herman Cortes in Mexico arriveerde op deze datum en werden beschouwd door de Mexicanen deze ‘God’ te zijn, die was teruggekeerd. Er zijn diverse legenden in omloop rond deze ‘God’. Sommigen zeggen, dat hij zeilde op een vlot, gemaakt van in elkaar gevlochten slangen. Anderen beschouwen hem zelfs te zijn veranderd in de planeet Venus [!]. Deze Tolteken waren vereerders van slangen naast de Zon. Ze bouwden grote piramidale structuren met tempels op de top, waarin altaren waren met stenen beelden van in elkaar gewonden slangen. De in elkaar gewonden slangen doen merkwaardigerwijze denken aan de staf van de Griekse god Mercurius. God Shiva van Kailash, die wordt vereerd in de vorm van het fallussymbool in Harappan en na Rigvedische culturen, wordt ook gerepresenteerd als slangen dragend in zijn nek en armen. Zijn wapen Trisula (drietand) ziet eruit, alsof het was gemaakt om in elkaar gevlochten slangen te representeren op een staf om een vijand aan te vallen.

Statue of Lord Shiva in Nepal (foto Wikipedia)

Statue of Lord Shiva in Nepal (foto Wikipedia)

Dan blijven over de zesde en zevende Patala, genaamd Rasatal en Patal. Wanneer Atal, Bital, Sutal, Talatal en Mahatal zuidoostwaarts waren van Sapta-Sindhu voorbij de Oosterse zee, dan werd het land voorbij de grote zee ten zuiden van Sapta-Sindhu, die bestond in het huidige Rajputana gebied en onder het de Arabische zee, van nature Rasatal genoemd of het land onder “Rasa” of water. Dit was de landbrug, die de Deccan Plateau verbond met Afrika in de dagen toen Gondwana continent bestond. En toen werd Afrika als de hoofd Patal genoemd, beter bekend aan de Sapta-Sindhu mensen dan het verre Mahatal of Amerika. Dus deze waren de zeven Patala’s bekend aan de Sapta-Sindhu Ariërs.

Het dient echter te worden opgemerkt, dat er geen melding van deze Patala’s in de Rigveda is. In feite kent Rigveda geen enkel volk of land voorbij de zeeën, die het Sapta-Sindhu gebied omgeven. De vermelding van deze Patala’s wordt pas gemaakt in de na Rigvedische literatuur en met name in de Purana’s. In feite wordt de hele geschiedenis van de Daitya’s en hun oorlogen met de Chinezen en de migraties van Takchaks, Garuda’s, Yaksha’s, Naga’s, Maya’s, Nimuchi naar Amerika, en van Mali, Sumali, naar Afrika en van Malyawan naar Malaya gegeven in de Purana’s. Maar toen deze geschiedenis werd geformuleerd naar de tradities nog steeds herinnerd door de Ariërs, die terugkeerden van hun verblijf na de Grote Vloed in Aryanam Veijo en zich vestigden in het land, nieuw teruggewonnen van de terugtrekkende overblijfsels van Tethys zee in de Gangetische trog, noemden ze in de na Vloed periode van nature al de zuidelijke landen in termen, die ze zelf gewend waren te gebruiken. Ze kenden vele details van de geschiedenis van voor de vloed door hun contacten met de Daitya’s in Aryanam Veijo en combineerden die met wat ze hadden van de oude Ariërs, nog steeds levend in het Sapta-Sindhu gebied, met wie ze in een hernieuwd contact moeten zijn gekomen bij hun terugkeer uit Aryanam Veijo in het Gangetische gebied. Dit is waarom deze zeven Patala’s werden beschreven als landen onder de Sapta-Sindhu of Arische thuisland. Anderszins toont Rigveda in het geheel geen kennis van de Grote Vloed en zijn verslagen relateren aan een veel eerdere periode. Maar in de Puranische verslagen werden veel verhalen en legenden gevormd op de basis van beschrijvingen van zekere natuurlijke fenomenen in Rigveda. Ze werden de vorm van verhalen gegoten om zo de schijn van een continuïteit tussen Rigveda en post-Rigvedische literatuur te scheppen.

The Flood of Manu (photo indiadivine)

The Flood of Manu (foto indiadivine)

Manu in the Bible and the History of Mankind

Blog by Abhaya Mudra Dasi, Feb 29, 2016

The Manu named King Satyavrata formerly saved himself by tying the small boat of the entire world to the horn of the Matsya avatara, the fish incarnation. By the grace of the Matsya avatara, Manu saved himself from the great danger of the flood. May that same fish incarnation save us from the great and fearful danger caused by the son of Tvashta.
Shrimad Bhagavatam 6.9.23

A single event of the ancient world has been covered by a number of scriptures – even though some of these old historical texts are not generally considered as Vedic. Elements of the history of Vaivasvata Manu, our current Manu, can be found as the story of “Noah and the Flood” both in the Bible and in the Koran. The great flood is also described in some other scriptures including the Book of Enoch and the Book of Jasher. The inundation is also described in the Sumerian epic poem Gilgamesh. Manu, who is the progenitor of humanity, has made a significant mark on history. Therefore it is natural that he has been discussed in numerous scriptures from different periods throughout millennia. It would appear that the Noah we read about in the Bible is none other than the current Vaivasvata Manu.

The Book of Jasher, which is an apocryphal work (and which is twice mentioned in the Bible) says the following in 4.13-14 about the birth of Manu:

And the wife of Lemech conceived and bore him a son at that time, at the revolution of the year. And Metushelach called his name Noach, saying, ‘The ground was in his days at rest and free from corruption.’ And Lamech his father called his name Menachem (Manu), saying, ‘This one shall comfort us in our works and miserable toil from the ground, which YHWH (God) had cursed.’” (https://www.sacred-texts.com/chr/apo/jasher/4.htm)

In the Book of Enoch – an ancient Jewish religious work that is mostly preserved in its original form in Ethiopia – Noah is described as a follower of God’s rule (dharma). It is written there that he lived during a period that had become degraded due to the intermingling of the demigods with human women and that this intermingling had produced giants of demonic nature. In time practically all humankind became corrupted. Foolish people began to worship mere inhabitant of the Earth as gods (…) a vice that continues till this day in our present Kali Yuga.

The different Manus are described in Shrimad Bhagavatam 8.13 and the flood is described later.

O King Parikshit, at the end of the past millennium, at the end of Brahma’s day, because Lord Brahma sleeps during the night, annihilation took place and the three worlds became covered by the waters of the ocean. At the end of Brahma’s day, when Brahma felt sleepy and desired to lie down, the Vedas were emanating from his mouth, and the great demon named Hayagriva stole the Vedic knowledge. Understanding the acts of the great demon Hayagriva, the Supreme Personality of Godhead, Hari, who is full of all opulence, assumed the form of a fish and saved the Vedas by killing the demon.” (SB 8.24.7-9).

Shrila Prabhupada comments, “Because everything was inundated by water, to save the Vedas it was necessary for the Lord to assume the form of a fish” (note that this verse does not relate to the form of Matsya who saved Manu at the end of a certain millennia when only a partial annihilation takes place.).

At the end of each Manvantara (lit. “rule of one Manu”), and before the next progenitor of humankind Manu takes charge, a total dissolution of the Earth – a flood – occurs. This is obviously the same devastating flood that is also described in the Bible, in the Book of Enoch and in the Book of Jasher. As Noah was an enlightened personality, he was saved from the flood along with other sages and his sons. It is said that his ark, or huge boat, remained atop the Malaya Mountain after the flood.

The Book of Jasher 5.13 discusses why Vaivasvata (Noah) was chosen as the present Manu:

And Noach was a just man, he was perfect in his generation, and YHWH chose him to raise up seed from his seed upon the face of all the earth.

The book describes the many long years during which the flood ravaged the Earth. It tells how all creatures had to endure being tossed from one side of the ark to the other. Despite the fear that Manu and the rest of the animals and sages endured in the boat, we know from Shrimad Bhagavatam that Lord Matsyadeva protected the ark throughout the flood’s duration.

After the flood Manu and his sons populated the Earth. The sons of Manu are mentioned as being three in number in the Book of Jasher, but the Vedic literature mentions at least ten amongst whom Ikshvaku is prominent. Since the Book of Jasher was scribed in a mleccha tongue, it mentions only the facts that are considered more important for the people of that time and who spoke that language:

And these are the names of the sons of Noach: Yafe (Ikshvaku), Ham and Shem; and children were born to them after the flood, for they had taken wives before the flood.”
Book of Jasher 7.1

It is interesting that in the line concerning Noah, the name of Rama appears along with the name of Kush in the same paragraph, possibly an indirect reference to Lord Shri Ramachandra:

And these are the sons of Ham; Kush, Mitzraim, Put and Kanaan, four sons; and the sons of Kush were Seba, Havilah, Sabta, Raama and Satecha, and the sons of Raama were Sheba and Dedan.”
Book of Jasher 7.10

After some years the children and descendants of Manu populated the entire Earth. Once again, in due course of time, the people again became irreligious. They built a city with the Tower of Babel that was supposed to reach for the heavens where they proposed to install human idols. According to the Bible, such misguided plans could not work and their skyscrapers were destroyed by the designs of the Lord. Assisted by His devotees (the demigods), the mouths of the inhabitants of the city were made to mispronounce their language, and thus Babel became the source of the English word “babble.” Since the citizens could no longer understand each other, conflicts arose and in this way they destroyed both the city and themselves. Thus different languages were created which now rendered the immoral citizens incapable of working together and considering competing with the demigods. Since this occurs at the end of Kali Yuga, we propose that this event this could have marked the end of another chatura-yuga cycle and the beginning of another Satya Yuga.

Manu is described in the Bhagavata as living for seventy-one yuga cycles. Our present Manu has already lived for twenty-eight yuga cycles. This means that already in his lifetime twenty-eight major destructions must have occurred with the onset of each consecutive Satya Yugas.

In the Book of Jasher the nations that were born from the sons of Manu are mentioned and some of them, like Turkey and Bulgaria, are still recognizable today:

And the sons of Yafet the son of Noach went and built themselves cities in the places where they were scattered, and they called all their cities after their names, and the sons of Yafet were divided upon the face of the earth into many divisions and languages. And these are the names of all their families according to all their cities which were built to them in those days after the tower” (10.6).

And the children of Tugarma are ten families, and these are their names: Kuzar, Partzinak, Bulgar, Elikanus, Ragvina, Turki, Buz, Zabuk, Ongar and Tilmatz; all these spread and rested in the north and built themselves cities. And they called their cities after their names, those are they who abide by the rivers Hital and Altak unto this day. But [the families of] Angoli, Bulgar and Partzinak, they dwell by the great river Danuvi; and the names of their cities are also according to their names” (10.10).

As those nations were directly founded by different sons of Manu, it is obvious that their history – and thus the history of the world – is much older than the fairy tale that “historians” have been trying to wholesale us for the past many centuries. For example, Bulgaria has a modern history of around 1300 years which today’s so-called scholarship considers as one of the oldest nations. Bulgaria has preserved its name throughout the ages, and according to this ancient verse the histories of these areas are far, far more ancient. The Danuvi River mentioned is obviously the Danube which till today forms the northern boundary between Bulgaria and Romania.

All nations have one father and one culture which is the selfsame Vedic culture that is rooted in the worship of the Supreme Personality of Godhead Lord Shri Krishna. Today there is a demoniac policy of dividing the nations and erasing their united history. Such political foul play has only one goal, which is to keep the world chained to an ignorant babble that prevents people from seeking the real goal of life, or Krishna consciousness.

https://www.indiadivine.org/manu-bible-history-mankind/ of https://iskcondesiretree.com/profiles/blogs/manu-in-the-bible-and-the-history-of-mankind.

FIVE FLOOD STORIES YOU DIDN’T KNOW ABOUT

Blog by INGRID LILLY APRIL 4, 2014

Noah (https://nl.wikipedia.org/wiki/Noah_(2014)) did its job. It brought an ancient biblical story about a cataclysmic flood to life for audiences today. Was it biblical? Was it the least biblical Bible movie ever made? These questions flare up in what is frankly a flat and over-rehearsed debate about the Bible in American life. Honestly, does it matter whether a movie is biblical? Do the spiritual-but-not-religious care? Do those evangelicals who grow tired of the stereotype made of them in the media care? Do secular liberals who have no use for the Bible really care about these questions?

America, we can ask a better question, a more crucial and more meaningful question, “Why does The Flood continue to work as a powerful cultural story?” Indeed, The Flood is one of the most ancient and oft recycled stories in world cultures. In looking at The Flood today, we participate in thousands of years of meaning-making. We connect ourselves to world literature, to ancient civilizations, and to a perennial story about a cataclysm that changed the world.

Long before the Bible was written, The Flood was a blockbuster of the ancient Mesopotamian and Mediterranean worlds. It originated in Sumer over 4000 years ago. New versions were deposited in the greatest imperial libraries of the Mesopotamian empires (Babylonia and Assyria). The Biblical authors fashioned their own versions of the tale, and post-biblical authors continued to ruminate on its potential for meaning-making. The Flood found its proper place in Christianity, Judaism, and Islam, and flood stories crop up in Hindu, American Indian, and African story-telling as well.

The first known flood story comes from Sumer in the tale of Atra-hasis (19th century, BCE). This story sets the basic elements of the ancient genre: gods try to eradicate humanity, while a flood hero builds a boat to save the animals. A tragicomedy about polytheism starring petty gods who complain like tired parents annoyed by their noisy children. With plans to destroy a boisterous humanity, they are thwarted not once but three times by the flood hero’s personal god and eminent trickster, Enki. With each divine attempt at total genocide, Enki gives the flood hero secret knowledge about which god to appease with a sacrifice. This worked against the first two rounds of disease and drought. However, Enki had to get creative for the third and final attempt. For the deluge, Enki instructs the flood hero to build a boat for family and fauna.

In this Sumerian version, the gods, like bickering politicians, provide plenty of comic relief. But two characters communicate the tragedy of the flood event: (1) the womb goddess who fashioned humanity cries: “How could I join the gods and command total destruction? I am locked in a house of lamentation.” (2) The flood hero, with scant few lines, cries: “How long will the gods make us suffer (…) will they make us suffer forever?” Cruel and petty powers govern human fate, and with the exception of Enki, the gods could care less about the plight of humanity upon the earth.

If Atra-hasis paid only lip-service to the tragic, existential questions of the flood hero, the Epic of Gilgamesh shines a light on the flood hero’s excruciating experience. Dated somewhere between 1200-900 BCE, the Mesopotamian epic says little about the divine drama. We only hear that “the hearts of the gods were moved to inflict the flood.” The rest of the tale focuses on the flood hero, who builds an ark in a brave abandonment of his wealth: “tear down the house and build a boat; abandon wealth and seek living beings; spurn possessions and keep alive living beings.” He not only rescues his family and the animals from the deluge, he saves his workers, the craftsmen, who helped him build his boat. The moral suppleness of the flood hero crescendos with his first reaction to the post-flood world. Stepping into a sun beam, looking out the window of his ark, he sees that all humanity returned to clay, and with tears streaming down the lines of his face, he slumps down weeping.

The biblical account owes much to the Gilgamesh version in numerous nit-picky details, but not in ethos or theme. Noah never feels anything in the biblical account. Noah doesn’t even have any lines until he curses his grandson in the last chapter of the story. If Noah experienced anguish, we don’t know about it. Noah did not give up the status of wealth or pay any mind to the genocide outside his boat. Instead, every single one of Noah’s actions fulfills a command given him by the dominant character, God. When it comes to Noah, the Qur’anic depiction (http://religiondispatches.org/a-muslim-on-the-banning-of-emnoahem-its-not-y) as exemplar of obedience is on point. He is an emissary, a prophet who penetrates reality with a perfect understanding of the Sacred. His exemplary ability to follow divine commands marks him as a “true messenger of Allah.”

While Islamic tradition focuses on the character of Noah, the Genesis Flood is entirely about God, about a new monotheistic construal of both divine judgment and the pro-human reversal of that judgment. With no comedy to speak of, God sees human behavior, regrets that he made humans, overwhelms them with a flood, changes his mind about how to manage human behavior, and needs the rainbow as a reminder not to fly off the divine handle at them in the future.

Along with the character of God and this newly minted monotheism, the biblical authors take up the problem The Flood attempts to solve. Human violence in the antediluvian world, best represented by Cain’s murder of Abel, springs from the evil machinations of man. After the flood, God issues the first religious law. It’s about blood and ultimately about being responsible for the blood you shed (animal and human blood). When Darren Aronofsky’s Noah depicts the ground saturated with blood, he’s hit a major theme of the Genesis Flood. In Aronofsky’s cities of Cain, both animal and human blood run wet over the ground with impunity, and Russell Crowe’s red feet show us the meaning of a world gone bad.

The biblical Flood emphasizes the unique role humans played in corrupting the earth. In contrast, the post-biblical tradition of Enochic Judaism lays blame on a human civilization that was corrupted by supernatural forces. Society is shot through with war, industry, and vainglory, all of which were taught by fallen angels. Called Watchers (http://religiondispatches.org/who-gets-to-decide-if-emnoahem-is-biblical/), these divine dissidents not only gave nascent humans the wrong advice about building their world, they ravished human women to produce destructive giants who cannibalize each other and wreak nothing but military havoc over the land. The Enochic Flood has a major job to do. This is a world of cultural decay, upturned by massively destructive forces of real consequence and fantastic origin. The Flood itself is hardly reported, but Enochic readers can rest assured in its justification.

If the story of Enoch’s Watchers cleanses society, the Hindu flood myth cleanses the mind. The ancient Hindu scriptures emphasize a novel feature of The Flood: enlightenment. In the Mahabharata (and later in the Puranas), the flood hero rides out the deluge in a boat with animals just like Noah. But Manu, the Hindu protagonist of the Flood, does not bring his family; rather he is joined by seven sages. The fish that pulls the boat reveals himself at the end as the deity, Brahma, who teaches them austerities so they might acquire power over illusions. The Hindu flood hero emerges with new insight and wisdom.

With such an ancient and cross-cultural pedigree, among the earliest stories written down by civilized humans, The Flood is less like a fixed tale etched on a tablet and more like an arrow, shooting through time. Indeed, it shoots straight to the heart of what it means to be human. The Flood forces us to grapple with the deeply impersonal forces of the universe that are set against human civilization. It is a story about the end of an age, a massive transition. And in the flood hero, we have a basic personality type, someone who cannot reconcile himself to the world as it currently stands, who does not feel at home. And though epically and in some cases tragically destructive, The Flood is also about healing.

With Noah, Darren Aronofsky has joined himself to a powerful and creative stream of religious meaning-making offering numerous throw-backs, references, and truly novel innovations on the Great Flood story. This may be a biblical re-telling or it may not be, but it most certainly is a Flood story. Noah is The Flood. This is our world and this is our story. Or if it’s not, write another one.

http://religiondispatches.org/five-flood-stories-you-didnt-know-about/

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-1-introductie/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-2-de-tethys-zee/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-3-de-vloed-van-manu-en-aryanam-veijo/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-4-wie-waren-de-devatas/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-5-internationaal-toneel-in-rewat-mantavar-en-rishi-narad/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-6-verspreiding-van-heliolitische-cultuur/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-7-de-splitsing-tussen-indische-en-perzische-ariers/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-8-de-tijd-van-de-rigveda/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-9-het-vraagstuk-van-de-tethys-zee/

2 Trackbacks & Pingbacks

  1. Cor Hendriks – The Sphinx Speaks (11): De Grote Kloof | Rob Scholte Museum
  2. Cor Hendriks – The Sphinx Speaks (13): De Migraties naar Amerika (vervolg) + Tijden van migratie | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*