Cor Hendriks: Ramayana (3): Had de Ramayana eigenlijk plaats in en rond hedendaags Afghanistan?

Op het internet vond ik een artikel uit 2015 van Dhiman Dasgupta met een bespreking van het boek The Vedic People – Their History and Geography van de natuurkundige Rajesh Kochhar, waarin deze het idee, dat de gebeurtenissen van het epos plaatshadden in het huidige India, debunkt (zie https://scroll.in/article/723351/was-the-ramayana-actually-set-in-and-around-todays-afghanistan).

Gezegd wordt, dat geschiedenis de originele discipline is in de hedendaagse faculteiten bekend als humaniora (geesteswetenschappen). Dit is te danken aan het feit, dat iedere discipline in kennisdiscours een geschiedenis heeft – zelfs abstracte disciplines, zoals wiskunde of astronomie – en ieder deel van geschiedenis heeft een geofysieke context.

Altijd sinds Herodotus (484 – 425 VC,  Griekse kolonie in Klein Azië) de discipline begon, gaf hij verslag van gebeurtenissen tijdens de regering van vier Perzische koningen en legde het leven en de samenleving in hun tijden vast. Deze waren tijden van conflict tussen Griekenland en Perzië en had een geografische context.

Herodotus spreekt ook over ‘India’, waar hij de Himalaya marmot zag baden in goudstof. Veel later leidde deconstructie van zijn tekst tot de conclusie, dat de grote vader van historische praxis door de Noordwest grensprovincie moet zijn gepasseerd en de voet van de Hindu Kush hebben bereikt.

Dit stelde een vraag, die Herodotus zichzelf niet vraagt: wanneer hij inderdaad naar ‘India’ reisde, welk ‘India’ was dit? Wat dat betreft, als hij ‘Grieks’ was, in welk ‘Griekenland’ leefde hij? Vergelijkbaar, als Rama van het epische gedicht Ramayana een ‘Indiër’ was, waar was dit ‘India’ gelegen?

The Ram Setu bridge has been embroiled in controversy since 2005 after then Congress-led government proposed the Sethusamudram Shipping Canal Project (foto indiatoday)

The Ram Setu bridge (pictured here is a widely used satellite image) has been embroiled in controversy since 2005 after the then Congress-led government proposed the Sethusamudram Shipping Canal Project (foto indiatoday)

De zogenaamde Ram Setu

Een schip, dat wenst te zeilen van de Arabische Zee naar de Baai van Bengalen, moet de Indische Oceaan passeren ten zuiden van Sri Lanka. De reis zou 30 uur korter zijn als men kon reizen via de Golf van Mannar, die India scheidt van Sri Lanka, maar dit is niet mogelijk. Want er zijn duizenden kleine ondergedompelde rotsen onder het oppervlak, als een brug zich uitstrekkend over 47 km tussen de twee landen. Als een gevolg is de zee tussen één en 30 meter diep hier, wat niet gunstig is om te varen.

De Britse overheid van gekoloniseerd India, evenals de regering van onafhankelijk India, hebben vaak een plan gemaakt om het kanaal te dreggen om het geschikt te maken om te varen, maar de plannen bleven om diverse redenen in de lucht hangen. Heden ten dage bijvoorbeeld geloven de Hindutva volgelingen, dat dit de brug is gebouwd door een leger van apen, zoals beschreven in de Ramayana, die Rama en Lakshaman overstaken om Sri Lanka te veroveren.

Hun eis is, dat in plaats van dreggen de Archeologische Survey van India deze brug laat verklaren tot een nationaal monument. Niet dat de kolonisten minder fundamentalistisch waren. In 1804 gaf een of andere Britse cartograaf de structuur de naam Adam’s Bridge – volgens hem was dit de brug beschreven in de Bijbel, die Adam overstak om een bergtop te beklimmen, waar hij 1000 jaar mediteerde, staande op één been [zie hiervoor http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-macaws-myth-and-folktale-6-alexander-and-the-valley-of-diamonds/].

Zelfs al eerder hebben we Marco Polo de structuur zien beschrijven als een brug, zoals Al-Biruni deed in het boek, dat hij schreef in 1030 AD. In andere woorden, het is lange tijd gedacht, dat deze rij rotsen onder het wateroppervlak een brug is.

Niet bepaald een brug

Volgens geologen is deze structuur eigenlijk een kalkstenen ondiepte, het resultaat van natuurlijke processen. Tussen 300 en 30 miljoen jaar geleden brak, naar men gelooft, een deel van het Indische subcontinent af vanwege continentale drift om het eiland Sri Lanka te vormen.

Het kan boven water hebben uitgestoken op een of ander punt in de geschiedenis, in welk geval het gebruikt zou kunnen zijn als een brug. Maar er is aanzienlijke twijfel, of de gebruikers behoorden tot de tijd van de Ramayana. Dit is omdat de bewoners van Sri Lanka rechtstreeks van de Steentijd naar de IJzertijd gingen; het gebruik van koper was niet veel voorkomend hier. Aan de andere kant is de Ramayana een verhaal van een gevorderde Kopertijd – een epos in verzen van een periode twee of drieduizend jaar vóór de IJzertijd.

A satellite image of where the Ram Setu is believed to be located – in the shallow straits between India and Sri Lanka where the Sethusamudram shipping canal project is being proposed.(HT File photo)

A satellite image of where the Ram Setu is believed to be located – in the shallow straits between India and Sri Lanka where the Sethusamudram shipping canal project is being proposed.(HT File photo)

Waar had de Ramayana plaats?

Laten we de inleiding stoppen en nu ter zake komen. Wanneer het Lanka genoemd in de Ramayana niet het hedendaagse Sri Lanka was, waar was het gelokaliseerd? Waar behoorde Rama, wat dat betreft? Waar hij ook mag hebben geleefd, hij was zeker geen bewoner van wat thans de Ganges vallei is, of van ‘Ramjanmabhoomi’ Ayodhya. Want beschaafde mens leefde niet in de met bossen vergeven Ganges vallei vóór de IJzertijd, aangezien er geen bijlen waren om de vegetatie te verwijderen, voordat ijzer was ontdekt. Er waren ook geen zwaarden, wat bewijst dat de Ramayana, in tegenstelling tot de Mahabharata, niet een epos van de Ganges vallei is. Er worden geen zwaarden in vermeld – de pijl en boog zijn de primaire wapens erin.

Het primaire doel van dit essay is te wijzen naar de geografische locatie van de Ramayana. Het is niet de schrijver, die tot het antwoord is gekomen, noch een Indoloog als Max Mueller of zelfs een historicus of archeologie. De persoon in kwestie is Rajesh Kochhar, een natuurkundige met een voorliefde voor geschiedenis, die door de traditionele geschiedenistechnieken is gebroken in zijn werk The Vedic People – Their History and Geography.

Op welke wijze is de Ramayana anders dan de Mahabharata?

De primaire moeilijkheid bij het bediscussiëren van de oude geschiedenis van India ligt in de noodzaak eerst diverse wel gevestigde inaccuraatheden te slopen, zoals bijvoorbeeld de Arische Invasie Theorie. Verzonnen door blanken en bekendgemaakt door koloniale historici wordt deze oudewijvenpraat nog steeds onderwezen op scholen en universiteiten, met de helft van ieder geschreven werk – gemeten in termen van papier, inkt en moeite – eraan uitgegeven. Wij zullen het niet onderhouden. Wij zullen alleen onderzoeken wat gedetermineerd kan worden door de sociale en geografische aanwijzingen, beschikbaar in de Ramayana.

Er zijn twee andere fundamentele verschillen tussen de Ramayana en de Mahabharata – in de rivieren en in het goddelijke pantheon. In de Mahabharata zijn de Ganges en de Yamuna alomtegenwoordig, maar ze zijn compleet afwezig in de Ramayana. In de Mahabharata zien we de krachtige aanwezigheid van de Hindoe Drievuldigheid Brahma, Vishnu en Maheshwar [i.e. Shiva] – maar zij zijn afwezig van de Ramayana. We vinden niet deze twee rivieren en deze drie goden tezamen in de Rigveda.

Echter de rivieren en goden die te vinden zijn in de Rigveda zijn ook te vinden in de Ramayana – de rivieren Saraswati en Sarayu, en de originele Drievuldigheid van Agni, Varuna en Pavana. Hieruit is het gemakkelijk te concluderen, dat de Ramayana een Rigvedisch epos is. Welke periode was dit? Het zou niet correct zijn om dit te schatten, gebruikmakend van onze huidige kalender: het zou ook niet mogelijk zijn. Een benadering kan worden gemaakt van de volgorde der gebeurtenissen.

De somras aanwijzing

Vedische nomaden reisden van het oosten van Europa naar Bactria (hedendaags Afghanistan). Van daar gingen ze naar Perzië (hedendaags Iran). Tijdens hun migratie naar Perzië was er waarschijnlijk een strijd om de macht onder de goden, die leidde tot de geboorte van de Avestische religie. Als een gevolg werd Indra, de koning der goden, een inferieure figuur in de Avesta [feitelijk een demon], terwijl Yama, de god der dood, een der hoogste goden werd. Agni-verering is een prominente praktijk in de Parsi gemeenschap, maar Hindoes vereren deze oeroude god niet. Dit duidt erop, dat de Rigvedische tijd ouder is dan Perzië. Kochhar heeft aanwijzingen verschaft voor of dit de Afghaanse tak van de Vedische reis was.

De eerste van die aanwijzingen, waarop Kochhar zinspeelt, is de Vedische drank somras. Deze was zo belangrijk in het oude Vedische leven, dat een hele mandala of boek van de Rigveda eraan gewijd is. De belangrijkheid van soma is duidelijk in de Avestische Zend geschriften – er wordt aan gerefereerd als haoma in Perzië. Te zien is dat hoe dichter de Vedische nomaden komen bij het Indische schiereiland, des te meer ze voortdurend zoeken naar alternatieven voor de soma plant; dat was hoe belangrijk somras was [zie https://www.quora.com/What-actually-are-Somras-Is-it-Ayurvedic-medicine-or-some-kind-of-ancient-alcoholic-drink].

Maar de originele soma plant kon slechts worden gevonden in wat hedendaags Afghanistan en Perzië of Iran is. In 1951 bewees de Duitse historicus Karl Friedrich Geldner, dat de ephedra plant was wat werd beschreven als soma in de Rigveda. Ephedrine of somras is geen alcohol – dit bedwelmend middel is een alkaloïde. Kochhars onderzoekingen leidden naar de ontdekking van vier variëteiten van ephedra, gevonden in Afghanistan, Iran, de noordelijke Himalaya en de Hindu Kush.

Wat we leren van zomerzonnewende

Er zijn 49 kosmische hymnen in de Rig en de Yajurveda’s, waarvan de betekenissen niet verklaard zijn. Maar een bijzondere hymne van Vedanga Jyotish informeert ons, dat de langste dag van het jaar of zomerzonnewende 18 perioden van daglicht en 12 van nacht omvatte. Dag en nacht zijn van gelijke lengte op de Evenaar; in de hogere breedtegraden zijn de zomerdagen langer dan nachten. De breedtegraad, waarop de verhouding van dag en nacht is 3:2 is 34 graden noordwaarts. Het is waard te merken, dat de steden rond deze breedtegraad heden ten dage Herat en Kabul in Afghanistan zijn. Met andere woorden de plaats en tijd van de compositie van de Vedanga Jyotish is dezelfde als die van Vedisch Afghanistan en Iran. Dit tweede bewijsdeel aangeboden door Rajesh Kochhar versterkt nog meer de perceptie van de locatie en tijd van de Rigveda.

Op zoek naar de rivieren

Kochhar heeft de Rigveda gedeconstrueerd op ziek naar de Saraswati en de Sarayu, de twee rivieren, die ook vermeld worden in de Ramayana. Ook hier is onze huidige geschiedenis in de weg gekomen.

Er is een kleine rivier genaamd Sarayu in Uttar Pradesh, die uitstroomt in de Ghaghara, die op zijn beurt samenvloeit met de Ganga. Veel mensen beschouwen de regenwater gevoede Saraswati in de Aravallis, stromend langs de Ghaggar (niet te verwarren met de Ghaghara) bassin, de mythische Saraswati. Bij het bekijken van de scans van Noordwest India, gemaakt door de Russische Landsat satelliet tussen 1972 en 1979, is het natuurlijk om aan te nemen, dat de Ghaggar een brede rivier was. Hij stroomt in de Rann van Kutch.

De scans onthullen het bassin van een opgedroogde oudere rivier, die op sommige plaatsen wel acht kilometer breed is. Het was dit dat leidde tot de overhaaste conclusie, dat dit bassin tot de oorspronkelijke Saraswati behoorde.

Uit Neil Roberts’ boek The Holocene wordt duidelijk, dat het bassin van deze rivier breder werd ten noorden van de Rann van Kutch vanwege de versnelde beweging van een gletsjer tijdens de vorige IJstijd. Maar deconstructie van de Rigveda suggereert niets van dit alles. Aan de Saraswati is gerefereerd als niet eeuwig tegen het eind van de Veda. De originele stroom van de Ghaggar komt India binnen vanuit hedendaags Pakistan, opdrogend in de Thar woestijn. Kochhar gelooft, dat dit de niet eeuwige Saraswati is.

De Saraswati van de Rigveda echter is uitermate krachtig, rotsen vermalend met brute kracht. Het gebulder ervan overstemt alle andere geluiden. En de Sarayu van de Rigveda is enorm breed en diep, de moeder rivier. Geen van deze beschrijvingen komen overeen met de werkelijke rivier in hedendaags India met die namen.

Vers 5:53:9 van de Rigveda zegt: “Moge de Rasa, Krumu, Anitabh, Kuva of Sindhu niet in staat zijn je te stoppen, laat de diepe Sarayu geen obstakel zijn.” De volgorde van de rivieren gaat van oost naar west. Dus de Sarayu stroomt ongetwijfeld ten westen van de Indus.

Kochhar gelooft, dat het de 650 km rivier is, bekend als de Hari-Rud in Afghanistan, waarvan de bron in de Hindu Kush bergen is. Hij stroomt langs de stad Herat en dan voor 100 km langs de Iran-Afghaanse grens alvorens te verdwijnen in de Karakom woestijn van Centraal Azië.

In de Avesta vinden we de Saraswati als de Harahaiti – de gelijkenis in klank is opmerkelijk – die Iran binnenkomt langs de gecombineerde bassin van de rivier Arghandar op de Afghaans-Iraanse grens en de rivier Helmand. Volgens Kochhar is deze Helmand de Vedische Saraswati rivier.

De bron van de Helmand is in de Koh-i-Baba bergketen. Stromend voor 1300 mijl door het hart van Afghanistan, de Vedische Saraswati voegt zich bij de Vedische Drijadbati of Arghandar. De Avesta identificeert deze wijde rivier als de Hetumanta (of in sommige varianten Setumanta). In Iran wordt de Saraswati de Harahaiti genoemd, die vloeit in het binnenland meer Hamun-e-Sabari in de Saistan regio van Noord Iran.

De conclusie

De politieke kaart van de antieke wereld van de Kopertijd verschaft een buitengewone realisatie. De koninkrijken van de twee belangrijkste politieke machten – de Perzen en de Grieken – liggen allemaal tussen en rond de Rode Zee en de Middellandse Zee. Geen van deze is een kustbeschaving echter.

Dit werpt een vraag op. Waaraan refereerde antieke mens als een zee? De Middellandse Zee, de Rode Zee, en de Kaspische Zee zijn allemaal zoutwatermeren en geen zeeën op de manier waarop wij die heden zien. Dit doet ons afvragen: misschien was de Lanka van de Ramayana een eiland in de Hamun-e-Sabri.

Het ene ding, dat overduidelijk is: waar ook het was dat Ram en Lakshman gingen vanuit Afghanistan, het kan niet het hedendaagse Sri Lanka zijn geweest, want dat zou hebben betekend het doorkruisen van het Indiase schiereiland. En aangezien Ravana, de heer van Lanka, ook een voorliefde had voor somras, is het onwaarschijnlijk, dat hij erg ver ging van het land van soma na het ontvoeren van Sita.

Hoewel het niet mogelijk is archeologisch te bewijzen, is er aanzienlijke reden om aan te nemen, dat het geslacht van Dasarath (en van Rama), de Ikshvaku’s, uit West Afghanistan waren. Want de Purana’s zeggen dat koning Kubalasa een demon doodde op de oever van de Sabari. Vishwamitra ontving zijn tweede geboorte, waar de Saraswati in zee stroomt. En Valmiki ontdekte Sita op de oever van de Sarayu. Wat is waarom er weinig ruimte voor twijfel is dat hedendaags Hamun-e-Sabri de zee is genoemd in de Ramayana, een van de eilanden, waarop het koninkrijk was geregeerd door Ravana. Heer van de Rakshases.

De focus van attentie voor diegenen, die de verloren geschiedenis van India studeren, is de betwiste kwestie opgeworpen door Hindutva historici, die herhaaldelijk hebben beweerd, dat westerse historici niet in staat zijn geweest de wortels van antiek India te identificeren. We vinden deze beweringen in de geschriften van Bal Gangadhar Tilak, evenals in die van bepaalde minder bekende rechtse historici. Het is verbazend hoe gemakkelijk conclusies, niet ondersteund door de collectie van Vedische teksten, kunnen worden bereikt vanwege dwaze aanhankelijkheid aan een populaire soort van politiek.

De rotsformatie tussen India en Sri Lanka kan best gepreserveerd worden, maar niet als Ram Setu of Adam’s Bridge. Laat het beschermd zijn als een geologische karakteristiek. Want hoe ver men ook kijkt, geen relatie is evident tussen dit Lanka en het Lanka van de Ramayana [meer informatie, zie https://www.indiatoday.in/mail-today/story/centre-scraps-upa-s-stand-on-ram-setu-says-won-t-damage-it-1191458-2018-03-17; en https://www.hindustantimes.com/science/is-ram-setu-man-made-or-myth-tv-show-claims-to-settle-debate/story-iFDzQ0S7TEYlqrYQYma2hL.html en https://www.newsclick.in/sensationalist-science-show-claims-ram-setu-man-made].

Boldsky – Ram Setu: 11 Interesting facts about ancient bridge between India and Sri Lanka

Gepubliceerd op 3 dec. 2017

Ram Setu or Rama’s Bridge is a causeway that was created across the sea connecting Pamban Island in Tamil Nadu, India to Mannar Island in Sri Lanka. The debate about whether the Ram Setu is natural or a man-made bridge is going on from years. Many discussions have led to some interesting things that make us astonished about the bridge. The Hindu religious theories believe that it is the bridge constructed by Lord Rama and his Vanara (monkey) army as mentioned in the epic Ramayana. Surprisingly, this causeway is visible from an aerial view even to this day. Check out here the mysterious story of this historic bridge between India and Sri Lanka.

Subscribe to Boldsky Channel for latest updates.
https://www.youtube.com/channel/UCp0PDmU9L_rqiD4nDH-P2Tg

Follow us on Twitter
https://twitter.com/boldskyliving

Like us on Facebook
https://www.facebook.com/boldsky.com/

Join us on Google Plus: https://plus.google.com/+Boldsky/posts

Reacties:

Hieronder volgt het vervolg van mijn aantekeningen over amrita, die ik toevoegde aan http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-sphinx-speaks-6-verspreiding-van-heliolitische-cultuur/.

Tenslotte zijn er Purāna-versies van het verhaal. De Vishnu-Purāna begint met de geschiedenis van Durvávas, een deel van Sankara (Shankara: gunstig, naam van Shiva). Hij was de zoon van Atri bij Anasūyá en een incarnatie van Shiva (CDHM 99). Zijn naam betekent “slecht gekleed”. Deze wijze dwaalde over de aarde en zag in de handen van een luchtnimf (Vidyádhari, geesten van de middenregio; volgens de Váyu kreeg de nimf de krans van Devi, de vrouw van Shiva [Wilson 96]) een krans van bloemen, geplukt van de hemelbomen, waarvan de zalige geur zich door het bos verspreidde en allen, die in zijn schaduw woonden, in verrukking bracht. De wijze, die op dat moment door religieuze waanzin (hij nam de vrata of gelofte der waanzin in acht) was bezeten, vroeg de nimf om de krans, die hij op zijn kruin plaatste. Aldus getooid kwam hij Indra op de olifant Airávata tegen, gevolgd door de goden. De waanzinnige wijze nam de bloemenkrans, waarin de bijen ambrosia verzamelden, van zijn hoofd en gooide die naar de koning der goden, die hem op de kruin van Airávata plaatste, waar hij straalde als de rivier Jáhnaví, glinsterend op de duistere top van de berg Kailása. De olifant, wiens ogen dof waren van dronkenheid en aangetrokken door de geur, nam met zijn slurf de krans en smeet die ter aarde. De leider der wijzen, Durvávas, werd zeer vertoornd bij deze beledigende behandeling van zijn geschenk en sprak aldus de vorst der onsterfelijken kwaad toe: “Opgezwollen met de vergiftiging van macht, Vásava, gemeen van geest, waart gij een idioot om niet de krans te respecteren, die ik u gaf en die het verblijf van Fortuna (Shri) is. Gij hebt hem niet erkend als een gift; gij hebt uzelf niet voor mij neergebogen; gij hebt de krans niet op uw hoofd geplaatst, met uw gelaat zich uitbreidend van vreugde. Nu, dwaas, omdat gij niet oneindig de krans hebt geprezen, die ik u gaf, zal uw heerschappij over de drie Werelden worden afgewenteld. Gij beschaamt mij, Shakra, met andere Brahmanen en vandaar heb ik minachting geleden door uw arrogantie: maar op dezelfde wijze als gij de krans hebt neergesmeten, zo zal uw heerschappij over het universum worden gedompeld in puin. Gij hebt iemand beledigd, wiens toorn gevreesd wordt door alle schepselen, koning der goden, mij dus, door uw overdadige trots.”

Haastig van zijn olifant afkomend probeerde Mahendra de zondeloze Durvávas te verzoenen, maar op de excuses en voetvallen van de 1000-ogige antwoordde de muni: “Ik ben geen berouwhebber, noch behoort vergeving tot mijn aard. Andere muni’s mogen toegeven; maar weet, Shakra, dat ik Durvávas ben. Gij bent vergeefs onbeschaamd gemaakt door Gautama en de anderen; want weet, Indra, dat ik Durvávas ben, wiens aard een vreemde is voor spijt. Gij waart gevlijd door Vashishitha en andere zachtaardige heiligen, wier luide lofprijzingen u zo arrogant hebben gemaakt, dat gij mij hebt beledigd. Maar wie is er in het universum, die mijn (= Shiva’s) gelaat, donker met fronzen en omgeven door mijn vlammend haar, kan aanschouwen en niet beven? Wat hebben woorden voor zin? Ik zal niet vergeven, welke schijn van nederigheid ge ook moogt aannemen.

Na aldus gesproken te hebben ging de Brahmaan heen en de koning der goden beklom weer zijn olifant en reed terug naar zijn hoofdstad Amarávati. Vanaf dat moment verloren de drie Werelden en Shakra hun kracht en alle vegetatie verwelkte en stierf; offers werden niet meer aangeboden, vrome oefeningen niet langer bedreven; de mensen waren niet langer toegewijd aan liefdadigheid of welke morele of religieuze verplichting dan ook; alle wezens werden Nihsatwa (zonder steun, zonder vastigheid); al de zinvermogens werden geblokkeerd door begeerte en de verlangens der mensen werden ontvlamd door frivole objecten. (…)

Toen de drie regionen aldus geheel ontdaan waren van voorspoed en beroofd van energie, brachten de Dánava’s en zonen van Diti, de vijanden van de goden, die niet tot vastheid in staat zijn en opgewonden zijn door ambitie, hun kracht tegenover de goden naar voren. Zij gingen de strijd aan met de zwakke en ongelukkige godheden; en Indra en de rest sloegen op de vlucht en gingen naar de schuilplaats van Brahma, voorafgegaan door de god van de Vlam (Hutáshana). Toen de grote vader van het universum gehoord had, wat er gebeurd was, zei hij tot de godheden: “Wendt u voor bescherming tot de god van hoog en laag, (…) hij zal jullie helpen.” Na aldus de godheden toegesproken te hebben, ging Brahma met hen mee naar de noordelijke oever van de Melkzee; en bad met eerbiedige woorden aldus tot de Allerhoogste Hari: “(…) O Vishnu, word openbaar aan ons.” Toen de goden dit gebed door Brahma geuit hoorden, bogen zij zich neer en riepen: “Wees ons goedgunstig; wees aanwezig voor ons zicht: wij buigen neer voor die glorievolle natuur, die de machtige Brahma niet kent; dat wat uw natuur is, o onverwoestbare, in wie het universum verblijft.”

Toen de goden klaar waren, baden Vrihaspati en de goddelijke rishi’s aldus: “Wij buigen neer voor het wezen, dat recht heeft op verering, die het eerste object van offer was, die voor de eerste der dingen was, de schepper van de schepper van de wereld, onvernietigbaar type-offer, heb medelijden met uw aanbidders; verschijn voor hen, die voor u neerliggen. Hier is Brahmá, hier is Trilochana (de 3-ogige Shiva) met de Rudra’s, Pushá (de zon) met de Aditya’s, en Vuur met al de machtige lichten: hier zijn de zonen van Ashwini, de Vasus en al de winden, de Sadhya’s, de Vishvadeva’s en Indra, de koning der goden: zij allen buigen zich voor u laag neer, alle stammen der onsterfelijken, verslagen door het demonenleger, zijn naar u gevlucht voor hulp.”

Toen aldus tot de opperste god, de machtige bezitter van de schelp en diskus, gebeden werd, vertoonde hij zich onder hen; en toen ze de heer der goden zagen, een schelp, een diskus en een knots, de samensmelting van primitieve vorm en stralend met belichaamd licht, brachten Pitámahá en de andere godheden, met ogen nat van extase, eerst eer aan hem en spraken hem aldus toe: “ (..) Wij zijn, verslagen door de Daitya’s, naar u gevlucht, o Vishnu, voor bescherming. Geest van alles, heb medelijden met ons, verdedig ons met uw machtige kracht. Er zullen kwelling, begeerte, moeilijkheden en verdriet zijn, totdat uw bescherming is verkregen: want gij zijt de verwijderaar van alle zonden. Toon dan, o zuivere van geest, uw gunst aan ons, die naar u gevlucht zijn: o heer van alles, bescherm ons met uw grote kracht tezamen met de godin, die uw kracht is (Shakti, d.w.z. Shri of Lakshmi).”

Hari, de schepper van het universum, aldus aanbeden door de neerknielende goden, glimlachte en sprak aldus: “Met vernieuwde energie, o goden, zal ik uw kracht herstellen. Handelt, zoals ik jullie voorschrijf. Laten alle goden, in samenwerking met de Asura’s, allerlei soorten medicinale kruiden in de Melkzee werpen en dan, de berg Mandara als karnstok nemend, samen de oceaan karnen tot ambrosia, steunend op mijn hulp. Om de assistentie van de Daitya’s te verzekeren, moet je vrede met hen sluiten en beloven hen een gelijk deel te geven van de vrucht van jullie gezamenlijke moeite, hen belovend, dat door het drinken van de amrita, die geproduceerd zal worden vanuit de in beroering gebrachte oceaan, ze machtig en onsterfelijk zullen worden. Ik zal ervoor zorgen, dat de vijanden der goden niet zullen nemen van de kostbare drank; dat ze slechts zullen delen in de arbeid.

Aldus geïnstrueerd door de god der goden, gingen de goden een verbond aan met de demonen en gezamenlijk ondernamen ze de verkrijging van de onsterfelijkheiddrank. Ze verzamelden diverse medicinale kruiden en wierpen die in de Melkzee, waarvan de wateren stralend waren als de dunne en stralende wolken der herfst. Toen namen ze de berg Mandara als de (karn)staf; de serpent Vásuki als het koord; en begonnen de oceaan te karnen voor de amrita. De verzamelde goden waren opgesteld bij Krishna aan de staart van de slang, de Daitya’s en Danava’s bij zijn kop en nek. Verschroeid door de vlammen, afgegeven door zijn opgezwollen kap, werden de demonen ontdaan van hun glorie, terwijl de wolken, naar zijn staart gedreven door de adem van zijn mond, de goden verfristen met levenherstellende regenbuien. In het midden van de Melkzee diende Hari zelf in de gedaante van een schildpad als een spil [= steun] voor de berg, terwijl die rondslingerde. De houder van de knots en diskus was ook in andere gedaanten onder de goden en demonen en hielp bij het trekken aan de vorst van het slangenras; en in een ander enorm lichaam, ongezien door goden en demonen, ondersteunde hij de slangenkoning en met een ander blies hij kracht in de goden.

Vanuit de aldus door de goden en Dánava’s gekarnde oceaan rees eerst de Koe Surabhi, de fontein van melk en wrongel, vereerd door de goden en aanschouwd door hen en hun medewerkers met verstoorde geest en ogen, glinsterend van vreugde. Toen, terwijl de heilige Siddha’s in de hemel zich verbaasden wat dit kon zijn, verscheen de godin Váruní (godin van wijn), haar ogen rollend van bedwelming. Vervolgens sprong vanuit de maalstroom der diepte de hemelse Párijátaboom, de vreugde der hemelse nimfen, de wereld parfumerend met zijn bloesems. De groep der Apsarasa’s, de hemelnimfen, werden toen geproduceerd, van verbazingwekkende lieftalligheid, in het bezit van schoonheid en smaak. De koel-stralende Maan verrees vervolgens en werd gegrepen door Mahádeva; en toen werd gif voortgebracht vanuit de zee, waarvan de slangengoden (Naga’s) bezit namen. Dhanvantari, gekleed in het wit en in zijn hand de beker met amrita dragend, kwam als volgende voort; toen ze dat zagen, werden de zonen van Diti en Danu evenals de muni’s vervuld met tevredenheid en vreugde. Toen, gezeten op een volgroeide lotus en een waterlelie in de hand houdend, verrees de godin Shri, stralend van schoonheid, op uit de golven. De grote wijzen, in verrukking, zongen haar toe met haar loflied.

Viswavasu en andere koorleden zongen en Ghrtáchi en andere hemelse nimfen dansten voor haar. Ganga en andere heilige rivieren bedienden bij haar rituele wassingen; en de olifanten van de hemelen, hun pure water in gouden vazen opnemend, goten die uit over de godin, de koningin van de universele wereld. De Melkzee persoonlijk schonk haar een krans van nooit-verwelkende bloemen; en de kunstenaar der goden (Viswakarmá) tooide haar persoon met hemelse ornamenten. Aldus gebaad, getooid en vereerd wierp de godin, in het zicht der hemelingen, zich op de borst van Hari; en daar neerliggend keerde ze haar ogen naar de goden, die met verrukking geïnspireerd waren door haar blik. Niet echter de Daitya’s, die, met Viprachitti aan de leiding, vervuld waren met verontwaardiging, toen Vishnu zich van hen afkeerde en zij werden verlaten door de godin der voorspoed (Lakshmi).

De machtige en verontwaardigde Daitya’s grepen toen met geweld de amritabeker, die in de hand van Dhanwantari was; maar Vishnu, een vrouwelijke gedaante aannemend, betoverde en bedroog hen; en de amrita van hen terugnemend, gaf hij die over aan de goden. Shakra en de andere godheden dronken de ambrosia geheel op. De woedende demonen, hun wapens grijpend, vielen hen aan; maar de goden, in wie de ambrosiale drank nieuwe kracht had geblazen, versloegen hen en joegen hen op de vlucht en zij vluchtten door de luchtruimten en plonsden in de onderaardse gebieden van Pátála. De goden waren daarbij zeer verheugd, brachten eer aan de bezitter van diskus en knots en hernamen hun regering in de hemel. De zon scheen met hernieuwde pracht en verrichtte weer zijn aangewezen taak en de hemelse lichten cirkelden weer in hun respectievelijke banen. Vuur laaide weer op, prachtig in schittering; en de geesten van alle wezens waren bezield door devotie. De 3 werelden waren weer gelukkig in voorspoed; en Indra, de leider der goden, werd in zijn macht hersteld (VP p. 96-111).

WILSON merkt in zijn commentaar op, dat het karnen van de oceaan niet voorkomt in diverse Purána’s. De rol, die Durvávas speelt, lijkt een toegevoegde verfraaiing, want geen melding wordt van hem gemaakt in de Matsya Purána, noch in de HV, Rām. en Mbh., waar de gebeurtenis wordt toegeschreven aan het verlangen van de goden naar onsterfelijkheid. In de Matsya-P. wordt dit verlangen der goden veroorzaakt doordat ze zagen, dat de door hen in de strijd gedode Daitya’s door Shukra weer tot leven werden gebracht met de Sanjiviní of “kruid der onsterfelijkheid”, die hij ontdekt had. Het verslag van de HV is kort en obscuur en wordt uitgelegd als een allegorie, waarin het karnen der oceaan ascetische boetedoening betekent en de ambrosia de uiteindelijke verlossing is; maar dit is louter mystificatie. Over de uit de oceaan voortgebrachte zaken bestaat verschil van mening, maar de populaire telling is 14 (Rām. en Mbh.: 9). WILSON geeft het volgende overzicht (in willekeurige volgorde):

1. Het Háláhala of Kālakūta vergif, geslikt door Shiva.
2. Váruni of Surá, de godin der wijn, wier aanname door de goden hen de naam Sura’s, verwerping door de Daitya’s hen de naam Asura’s opleverde.
3. Het paard Uchchaishshravas, genomen door Indra.
4. Kaustubha, het borstjuweel van Vishnu.
5. De Maan.
6. Dhanvantari met de amrita in zijn Kamandalu (vaas).
7. De godin Padmá of Shri.
8. De Apsarasa’s of hemelnimfen.
9. Surabhi of de Koe van Overvloed (= Kamadhenu).
10. De Párijáta-boom of Hemelboom.
11. Airávata, de olifant, die Indra nam.

Hieraan voegt de Matsya toe:

12. De paraplu, genomen door Varuna.
13. De oorbellen, genomen door Indra en gegeven aan Aditi.
14. En tenslotte nog een wit paard, het paard van de zon, of anders wordt – om het getal vol te maken – de amrita apart geteld van Dhanvantari.

In sommige lijsten worden de boog en schelp van Vishnu toegevoegd, maar daarvoor schijnt geen autoriteit te zijn, evenmin als voor de Tulashí-boom. Deze laatste wordt genoemd in de Padma-Purāna, die opsomt: Het vergif; Jyeshtrá of Alaksmi, de godin van het ongeluk (de pech, oudere zus van Fortuna); de godin der wijn, Nidrá of luiheid, de Apsarasa’s, de olifant van Indra, Lakshmi, de Maan, en de Tulashí-plant (Wilson 111f).

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-ramayana-1/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-ramayana-2-in-indonesie/

1 Trackbacks & Pingbacks

  1. Cor Hendriks – Ramayana (4): Valmiki’s Ramayana | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*