Cor Hendriks – Magi |de wijzen uit het Oosten (3): Orion, Sirius, Tiśtrya

In de Woman’s Encyclopedy of Myths and Secrets van Barbara Walker (1983, 565f) wordt over de Magi gezegd:

‘Magiërs’, de Drie Wijze Mannen ingevoegd in het Christelijke geboorteverhaal omdat Perzisch-Esseense wijzen leerden dat de Magi de enige zieners waren, die in staat waren de komst van de ster van de Messias te lezen en zo het ware Goddelijke Kind te identificeren. Deze leer stamde uiteindelijk uit Egypte, waar de Drie Wijze Mannen de drie sterren in de Gordel van Orion waren, wat verwijst naar de ster van Osiris, Sothis (Sirius), die “opkwam in het Oosten” om de komst van de Heiland aan te kondigen bij het seizoen van de Nijlvloed. Deze drie Gordelsterren werden nog steeds Magi genoemd in de Middeleeuwen. In Rome, vroeg in de Christelijke tijd, betekende Magi priesters van Mithra (de oorspronkelijke Perzische ‘Messias’) of astrologen of allerlei genezers en wonderwerkers; het was een term voor magiërs in het algemeen. De Romeinse Christenen stonden vijandig tegenover de Magi, maar waren gedwongen de drie Magi van het Evangelie te behouden omdat hun aanwezigheid werd benadrukt als bewijs van Jezus’ goddelijkheid.

Volgens Murray in haar The Splendour that was Egypt (1977=1949, 189) waren de twee belangrijkste sterrenbeelden de zeven sterren van de Grote Beer, die de Onvergankelijke Sterren werden genoemd, en Orion (Sahu), die werd beschouwd als een godheid. De Hondster, Sirius of Sothis, was de leider van alle sterren, want hij was de aankondiger van de overstroming en het opnieuw verschijnen ervan bij dageraad op de zomerzonnewende werd gevierd als een religieus festival. Het was gewijd aan Isis en er was een legende dat de tranen die zij liet stromen bij de jaarlijkse dood van Osiris de overstroming veroorzaakte.

Er zijn twee sterrenbeelden, die de Hond heten. De Grote Hond is een zuidelijk sterrenbeeld, oost van Orion en stelt een zittende hond voor. Het is Lailaps, de hond, die Minos of Artemis aan Procris schonk, van wie Kephalos hem verkreeg en die Zeus onder de sterren zette, toen hij de Teumessische Vos jaagde. Of het is de hond van Orion, die een reus en een jager was en over de zee kon lopen. Zijn jachtbuit verleidde hem tot de uitspraak, dat hij geen wild dier meer op de aarde in leven zou laten. Daarom zond de aarde een monsterachtige schorpioen [vgl. Phaëthon] op, die hem moest doden. Anderen menen, dat Artemis hem neerschoot, toen hij Upis, een van haar nimfen achterna zat. Hij werd aan de sterren gezet, meestal afgebeeld met in de ene hand een knots en in de andere een leeuwenhuid (of een schild), een gordel om en een zwaard. Of het is Maira, de hond van Ikarios, die diens dochter Erigone naar het lijk van haar gedode vader voerde. De Kleine Hond staat vlakbij de Grote Hond en stelt een lopende hond voor en wordt met dezelfde verhalen verbonden, of hij is de hond van Helena, die zij op de vlucht met Paris verloor en die Zeus op haar verzoek onder de sterren zette. [WdM, 418, 362, 321, 260; Graves 34.3, 1]

De Hondster was ook bij de Perzen bekend en heette de schitterende Tiśtrya. Dat hij de Hondster is, hebben we op goed gezag van Plutarchus, die het weer ontleend heeft aan Theopompos (300 VC), die het weer aan oude Zend-geschriften ontleende: “Eén ster vereren zij meer dan alle, die Ahura Mazda als wachter en opzichter aanstelde, Sirius,” wat vrijwel woordelijk is, wat we zien in de Tîr-yaśt (44: Die Ahura mazda gesteld heeft als heer en opzichter boven alle sterren). Zijn 30 dagen zijn de Griekse Honddagen, zo genoemd omdat Sirius de Hond van Orion was.

Apollo, Vulcan and Mercury conceive Orion in an allegory of the three-fathered 'philosophical child'. The artist stands at the left; Mars at right (foto Wikipedia)

Apollo, Vulcan and Mercury conceive Orion in an allegory of the three-fathered ‘philosophical child’. The artist stands at the left; Mars at right (foto Wikipedia)

Van deze Orion lezen we, dat hij op wonderbare wijze werd verwekt. De drie goden Zeus, Poseidon en Hermes waren op bezoek bij koning Hyrieus, die omdat hij kinderloos was de goden om een zoon verzocht. Zijn verzoek werd ingewilligd, doordat elke god zijn ‘water’ in een tezamen gebonden koeienhuid liet vloeien, waaruit na de gewone rijpingsperiode een knaap ontstond, die naar die waterstromen Ōriōn (of Ōariōn) werd genoemd. Volgens Apollodoros (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Apollodorus) was hij een reus en een geweldige jager (Nimrod) en had hij van Poseidon de eigenschap verkregen om over de zee te lopen. Bekend is van hem de uitspraak, dat hij geen dier op aarde in leven wilde laten, waarop de aarde een reusachtige schorpioen stuurde om hem te doden. Volgens anderen was het Artemis, die hem doodde, omdat hij de nimf Upis achterna zat [WdM 362] (zie ook https://en.wikipedia.org/wiki/Orion_(mythology)).

Een ander verhaal is dat van Orion en de vuurkabouter Kedalion. Orion bracht een bezoek aan Oinopion, de wijnman, wiens dochter Merope hij wilde huwen. Maar de vader was op die krachtige schoonzoon niet gesteld. Toen hij Orion door wijn beneveld had, maakte hij hem blind. Doch de reus ontkwam naar Lemnos, het eiland van Hephaistos, van wie hij de raad ontving zich naar het paleis van Helios, de Zonnekoning, te begeven. Als leidsman kreeg hij Kedalion mee, die hij op de schouders nam. Zich naar het Oosten richtend, bereikten beiden het paleis van Helios, die de blinde het gezicht teruggaf en hem later in de hemel opnam. [Van Dijk 1933, 262f.]

Voor GRAVES (41.d-f) betekent Orion ‘de bergbewoner’. Hij wist aan de schorpioen te ontkomen door in het water te duiken. Apollo haalde toen met een list zijn zus ertoe over om een pijl af te schieten op de ver in zee dobberende Orion, die ze door zijn hoofd schoot. Toen ze ontdekte, dat het Orion was, smeekte ze Asklepios hem te doen herleven, maar toen die daarmee akkoord ging, werd hij vernietigd door Zeus’ bliksem voor hij zijn taak kon volbrengen. Toen zette Artemis Orions beeld tussen de sterren, voor altijd achtervolgd door de schorpioen, die volgens anderen hem doodde. Zijn naam van het ‘wateren’ is Urion: hij, die water maakt, wat ook het verhaal van Tiśtrya is.

Nu merkt TIELE, 178 op, dat er mensen zijn, die Tiśtrya met Tîr oftewel Mercurius vereenzelvigen, hetgeen volgens hem niet kan kloppen, omdat Tîr een boze ster is en Tiśtrya (de Vedische Tishya) een goede, terwijl ook de naam Tîr reeds in de Perzische namen als Tiribazes, Tiridates, etc. voorkomt. Kortom Tiśtrya is Sirius. Edoch Sirius, de hondster, is Thoth-Hermes volgens GRAVES (82.3), die bij de Ceans als Aristaeus bekend was.

En waarom heet de aan Tiśtrya gewijde Tîr-yaśt aldus, wanneer Tîr niet een verkorte vorm van Tiśtrya zou zijn (zoals de Srôsh yaśt van Sraosha, de Mihir yaśt van Mithra, de Farvardîn yaśt van de Fravashi en de Hôm yaśt van Haoma). Ook is het zo, dat Tiśtrya evenzeer in een boze ster kan veranderen, wanneer hij geen aandacht krijgt. Verder komt Tîr niet voor in de Zend-Avesta (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Tishtrya).

In zijn inleiding zegt DARMESTETER over Tiśtrya: De bliksemende overwinnaar van Apaosha, Tiśtrya werd in mythische verhalen soms beschreven als een ever met gouden hoorns, soms als een paard met gele oren en soms als een mooie jongeling. Maar omdat hij vergeleken was met een stralende ster vanwege de glans der bliksem, mengden de sterren zich in de strijd, waar ze stonden met Tiśtrya aan Ahura’s kant; en deels vanwege de symmetrie, deels vanwege Chaldese invloeden, gingen de planeten over in het leger van Ahriman [Darm. I, 227; Darm. I, intro, 74] (zie voor Ahriman en zijn leger http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-twee-broers-1-ohrmazd-en-ahriman/).

Ook de mythe van Tiśtrya en Apaosha beschrijft het gevecht om de wateren. Apaosha (de uitdover?, volgens TIELE: uitdroger) houdt de regen weg: Tiśtrya, eerst verslagen, vervolgens gesterkt door een offer hem gebracht door Mazda, slaat Apaosha (ook Spenġaghra genaamd) neer met zijn knuppel, het vuur Vâziśta (het is het gekreun van die demon onder de slag van die knuppel, die men hoort in de donder; Bund. 17:11; Farg. 19:40), en de wateren stromen vrijelijk neer over de 7 Karshvares, geleid door de winden, door de zoon der wateren en door het licht, dat in het water huist. [Darm. I, intro, 54]

Aan deze ster Tiśtrya is een gehele Yaśt gewijd, de Tîr Yaśt. Tiśtrya is de leider van de sterren in de strijd tegen de planeten, aangezien de sterren en de planeten respectievelijk behoren tot de wereld van Ahura Mazda en Angra Mainyu (Bund. 2:5 ev). De strijd tussen Tiśtrya en Apaosha wordt beschreven in de Bundahish (7), maar heeft daar een kosmologisch karakter: het heeft niet als object de jaarlijkse en regelmatige terugkeer van de regen na de Hondsdagen, maar de productie van de zeeën en meren in de eerste wereldperioden. Deze Yaśt is een beschrijving van de productie van regen door de inwerking van de ster Tiśtrya. Hij moet vechten tegen de Daêva der Droogte, Apaosha, wordt eerst overweldigd, maar overwint tenslotte. Dit schijnt een refacimento (herschepping) van de oude stormmythes, met deze vernieuwing, dat de heldenrol nu verschoven is naar een ster. Het is echter opmerkelijk, dat Apaosha niet beschreven wordt als een planeet. [Darm. II, 92]

Iedere paragraaf van de Tīr Yaśt begint met “we offeren aan Tiśtrya”, etc. Hierna volgen dan de regels:

… naar wie kudden en meuten en mensen verlangen,
naar hem uitkijkend en bedrogen in hun gelijk (zeggen):
“Wanneer zullen we hem zien oprijzen,
de heldere en glorieuze ster Tiśtrya?
Wanneer zullen de bronnen stromen met water
zo dik als de grootte van een paard en nog dikker?
Of zullen zij nooit komen?”

We zien, dat hier niet bepaald het gedrag van een vaste ster (zoals Sirius is) beschreven wordt, een indruk, die nog versterkt wordt door het volgende vers:

Die vliegt, naar de zee Vouru-Kasha,
zo snel als de pijl vloog door de hemelruimte,
die Erekhsha, de snelle boogschutter,
de Arya onder de Arya’s,
wiens pijl de snelste was,
schoot vanaf de berg Khshaotha naar de berg Hvanvaņţ.
Want Ahura Mazda gaf hem hulp;
zo deden de Wateren en de planten;
en Mithra, de heer van wijde velden,
opende een wijde weg voor hem.

Die Erekhsha khshviwi-ishuś, in Pahlavi Ariś Shîvâtîr oftewel Ariś-van-de-snelle-pijl, was de beste boogschutter in het Iraanse leger. Toen Minoķihr en Afrâsyâb besloten vrede te sluiten en de grens tussen Irân en Tûrân vast te stellen, werd bepaald, dat Ariś de berg Damâvand zou beklimmen en vanaf daar een pijl naar het oosten zou afschieten; en dat de plek, waar de pijl viel, de grens zou vormen tussen de twee koninkrijken. Ariś beklom toen de berg, schoot een pijl naar het oosten, die bleef vliegen vanaf de dageraad tot de middag, toen hij neerviel op de oevers van de Ģihûn (Oxus). De berg Khshaotha zou dus de Damâvand zijn. De berg Hvanvaņţ is waarschijnlijk de berg Bâmîân, vanwaar de Balkhrivier ontspringt, aangezien volgens Tabari de pijl van Ariś neerkwam bij de Balkh, een van de aanvoertakken van de Oxus (zie http://historicaliran.blogspot.com/2010/01/tiregan.html en http://www.iranreview.org/content/Documents/_Arash_the_Archer_and_the_Festival_of_Rain.htm).

De Tīr Yaśt vervolgt:

… die de Pairika teistert en kwelt,
die in de gedaante van wormsterren tussen de aarde en de hemel vliegen,
in de zee Vouru-Kasha, de machtige zee,
de grote-van-omvang, diepe zee der zoute wateren.
Hij gaat naar diens meer in de gedaante van een paard, in een heilige gedaante,
en daar beneden doet hij de wateren overkoken
en de winden vlieten erboven machtig rondom.
Toen deed Satavaêsa die wateren neerstromen naar de 7 Karshvares van de aarde
en wanneer hij daarbeneden aankomt, staat hij, prachtig,
gemak en vreugde verspreidend over de vruchtbare landen (denkend):
“Hoe zullen de landen der Arya’s vruchtbaar groeien?” (6-7)

Met de wormsterren, de Pairika’s, worden volgens DARMESTETER vallende sterren bedoeld. Ieder jaar valt er een zwerm vallende sterren (meteorieten) precies op de tijd, wanneer Tiśtrya (Sirius), in het Europese klimaat, verondersteld wordt het meest actief te zijn, op de 10e augustus. [Darm. II, 95] Dit is uit 1882! De Volkskrant bevatte een artikel genaamd “komeet verzorgt hemels vuurwerk”, gewijd aan de – toen nog komende passage van de komeet Swift-Tuttle op 11 augustus. In dit artikel lezen we over de Perseïden, de bekendste meteorietenzwerm (zgn. regen van vallende sterren), dat zij elk jaar rond 12 augustus zichtbaar zijn. Vaak verschijnen wel zo’n 10 meteorieten per uur, niet echt spectaculair, maar dat zou dit jaar anders kunnen zijn, n.l. in de nacht van 11 op 12 aug., even na middernacht, zijn er misschien 100-en Perseïden per uur te zien met bovendien veel extra-heldere exemplaren. Dit komt omdat de komeet Swift-Tuttle (ontdekt in 1862) bijna dezelfde baan volgt als de deeltjes van de Perseïdenzwerm.

Er is dus verband tussen kometen en meteorieten. Telkens wanneer de aarde de baan van de komeet doorkruist – elk jaar op dezelfde datum – zijn er extra veel meteorieten zichtbaar. De Perseïden danken hun naam aan het feit, dat deze meteorieten uit het sterrenbeeld Perseus afkomstig lijken te zijn. In werkelijkheid bewegen de stofdeeltjes langs evenwijdige banen door de ruimte, maar gezien vanaf het aardoppervlak lijken ze uit één punt aan de sterrenhemel te komen. [Volkskrant 7-8-1993]

De Hondsdagen zijn van 19 juli tot 18 augustus. Volgens de LAROUSSE ELEM., 110 is Canicule de oude naam voor de ster Sirius, van het sterrenbeeld de Grote Hond. Met deze naam (les jours canicule) wordt het tijdvak aangeduid, waarin Sirius rijst en daalt met de zon, overeenkomend met de grote warmtedagen van 22 juli tot 22 augustus.

De Pairika’s werden later tot de Peri’s, waarover Vollmer zegt: Een soort Dews (Deva’s), lichte, luchtige wezens van buitengewone schoonheid, die in de bovenste regionen der lucht wonen, levend van de geur van bloemen. Zij zijn gevallen geesten, bezig met hun louteringsproces, die zich reeds tot in de nabijheid van het paradijs mogen verheffen, echter zonder er binnen te mogen gaan. [WdM 164]

Volgens DARMESTETER komen de Pairika’s wat betreft hun afkomst en ook misschien ook naam betreft overeen met de Vedische Apsara’s. Hierbij denkt hij aan drie verhalen: het licht (of het water), waarvoor de Stormgod vecht, wordt vaak vergeleken met een mooie maagd of bruid, ontvoerd door de Boze. Daarnaast is er het verhaal, dat zij zich uit vrije wil overgaf aan de demon, waarmee ze de god, haar geliefde, verraadde. En volgens het derde verhaal waren de Pairika’s nimfen van een schoon, maar dwalend geslacht, die de helden verleiden om hen naar hun ondergang te voeren. Naderhand werd de Pari de verleiding der afgoderij (pairikâm werd gezien als pari-kâm: “liefde voor de Pari’s”).

In hun oudste Avesta-vorm zijn ze de demonische nimfen, die de goden en mensen van de hemelse wateren beroven. Zij zweven tussen hemel en aarde, in de zee Vouru-Kasha, waar ze samenwerken met Aži en Apaosha om de regenstroom weg te houden. Ook is er de Pairika Khnãthaiti als een gezel van Aņrô-mainyus [i.e. Ahriman] bij diens aanval op Zarathuśtra en dezelfde Knãthaiti (Afgoderij) komen we tegen bij Keresâspa, de doder van Srvara, in Farg. 1:10, waar we lezen, dat, nadat Ahoera Mazda het 7e der goede landen, Vaêkereta (Kapul) van de kwade schaduwen had geschapen, Angra Mainyu kwam en met zijn tovenarij de Pairika Khnãthaiti schiep, die aan Keresâspa kleefde. In latere verhalen wordt van Keresâspa gezegd, dat hij onsterfelijk was geboren, maar dat hij vanwege het versmaden van de heilige religie gedood was tijdens zijn slaap door een Turk, Niyâz, wat terugvertaald in de oude mythe betekent, dat hij zich overgaf aan de Pairika Khnãthaiti, die hem in slaap overleverde aan de Boze. Echter aan het einde der tijden moet hij uit zijn slaap oprijzen om Aži te doden, terwijl Khnãthaiti gedood zal worden tezelfdertijd door Saoshyaņţ, de zoon van Zarathuśtra, waaruit blijkt dat ze een echte zuster van Aži is. [Darm. I, intro, 66f]

Satavaêsa wordt de leider van de Westelijke sterren genoemd (wat we volgens Bund. 2:7 moeten lezen als Zuidelijke sterren) en heeft onder zijn hoede de zeeën van het Zuiderkwartier (Bund. 13:12); de Satavaêsa-zee is de Perzische Golf. [Darm. II, 96]

In de aanhef van de Tîr Yaśt lezen we, dat de Yaśt gewijd is aan Tiśtrya, de heldere en glorieuze ster en aan de machtige Satavaêsa, gemaakt door Mazda, die (d.w.z. S.) de wateren voorwaarts stuwt. [Darm. II, 92] De Yaśt vervolgt met de klacht van Tiśtrya [vgl. Shiva; Ashvins; Dionysos], dat hij niet vereerd wordt als de andere Yazata’s, anders was hij wel op de bestemde tijd verschenen, was het voor 1 of 2 of 50 of 100 nachten. (v. 11)

Wij offeren aan Tiśtrya,
aan de regens van Tiśtrya,
aan de eerste ster,
aan de regens van de eerste ster.
Ik zal offeren aan de sterren Haptôiriņga,
om de Yatu’s en Pairika’s te weerstaan.
Wij offeren aan Vanaņţ, de ster gemaakt door Mazda;
voor (het krijgen van) de welgevormde kracht,
voor de Overwinning, gemaakt door Ahura,
voor de verpletterende Ascendant,
voor de vernietiging van wat ons verdriet,
voor de vernietiging van wat ons vervolgt.
Wij offeren aan Tiśtrya, wier blik gezond is.
Voor 10 nachten, o Spitama Zarathuśtra, mengt Tiśtrya,
de heldere en glorieuze ster,
zijn gedaante met licht,
zich bewegend in de gedaante van een 15-jarige,
stralend, met heldere ogen, groot, vol kracht, sterk en slim.
Hij is actief als de eerste man (Gayô maratan) was;
hij gaat voort met de kracht van de eerste man;
hij heeft de mannelijkheid van de eerste man. (12-14)

De volgende 10 nachten (etc.), in de gedaante van een goudgehoornde stier. (16)

Pfedac - Tishtrya (foto Deviantart)

Pfedac – Tishtrya  (foto Deviantart) (Zie https://www.deviantart.com/pfedac/art/Tishtrya-455436988.)

De volgende 10 nachten (…), in de gedaante van een wit, prachtig paard met gouden oren en een gouden dekkleed. (18)

Dan (…) gaat Tiśtrya naar beneden naar de zee Vouru-Kasha
in de gedaante van een wit, prachtig paard met gouden oren en dito dekkleed.
Maar daar kwam neergesneld hem tegemoet de Daêva Apaosha,
in de gedaante van een zwart paard, zwart met een zwarte staart,
gebrandmerkt met kentekenen van verschrikking (terreur).
Zij komen tezamen, hoef tegen hoef (…);
zij vechten samen voor 3 dagen en 3 nachten.
En toen bleek de Daêva Apaosha sterker
dan de heldere en glorieuze Tiśtrya en overwon hem.
En Tiśtrya vlucht van de zee Vouru-Kasha weg
zo ver als een Hâtra’s lengte (een mijl).
Hij roept uit in wee en nood: “Wee mij, o Ahura Mazda!
Ik ben in nood, o wateren en planten!
O lot en gij, wet van de Mazda-vereerders!
Mensen vereren me niet met een offer,
waarin ik met mijn eigen naam wordt aangeroepen,
zoals ze de andere Yazata’s met offers,
waarin ze met hun eigen naam worden aangeroepen, vereren.
Als men mij vereerde (etc.), zou ik tot mij genomen hebben
de kracht van 10 paarden, 10 kamelen, 10 stieren, 10 bergen, 10 rivieren. (20-24)

Toen bracht Ahura Mazda hem dit krachtversterkende offer,
waarop Tiśtrya nogmaals als het witte paard naar de zee Vouru-Kasha gaat
en vecht met Apaosha, het zwarte paard,
en hem nu op het middaguur verslaat.
Toen ging hij weer een mijl van die zee af en riep:
“Heil, (etc.).
Het leven (?) van de wateren zal ongehinderd naar beneden stromen
naar de grootzadige (= tarwe) korenvelden,
naar de kleinzadige (= wikke) weidevelden,
en naar de hele stoffelijke wereld.”
Toen ging hij weer terug naar beneden naar de zee Vouru-Kasha,
nog steeds als het witte paard, en maakte die zee op en neer kokend;
hij doet de zee her- en derwaarts stromen;
alle oevers van de zee Vouru-Kasha koken over, evenals het middendeel.
En de heldere en glorieuze Tiśtrya rijst op uit de zee Vouru-Kasha,
o Spitama Zarathuśtra,
de heldere en glorieuze Satavaêsa rijst op uit de zee Vouru-Kasha;
en dampen rijzen op boven de berg Us-hindu,
die staat in het midden van de zee Vouru-Kasha.
Dan stuwen de dampen voorwaarts, in de gewone vorm van wolken (?);
zij gaan de wind volgend, langs de wegen,
die Haoma bewandelt, de vergroter van de wereld.
Achter hem reist de machtige Wind, gemaakt door Mazda,
en de regen en de wolk en de natte sneeuw,
neer naar de diverse plekken, neer naar de velden,
neer naar de 7 Karshvares van de aarde.
Apãm Napâţ, o Spitama Zarathuśtra, verdeelt de wateren
tussen de landen in de stoffelijke wereld,
in gezelschap van de machtige Wind, de Glorie,
gezeteld in de wateren, en de Fravashi’s van de gelovigen. (25-34)

Alradeck - Tishtrya contre Apaosa

Alradeck – Tishtrya contre Apaosa (Zie https://mythologica.fr/perse/tishtrya.htm)

TIELE geeft een samenvatting van de kosmogonische mythe uit de Bundehesh (7), waar de strijd van de hondster Tistrya tegen de uitdroger Apaosha aan de aanvang der wereld is geplaatst. Hier is de mythe in twee delen gesplitst. Voordat de strijd met Apaosha plaats heeft, maakt Tistrya reeds regen, die in druppels, groot als een kom, neerviel, die het water op de gehele aarde tot manshoogte deed stijgen. Al de khrafçtra’s of verscheurende demonen, die de Boze Geest op de aarde had afgezonden, werden erdoor gedood en hun onreine lijken zonken door de openingen der aarde in de diepte neer. Daarop werden deze wateren, “zoals de geest het lichaam beweegt,” bewogen door de Hemelse wind, de Vayus uparôkairyo, die ook in de Ram-Yaśt als akhsti of grondoorzaak van het heelal voorkomt. Zo werd de hele aarde schoongemaakt en het water aan haar grenzen vergaderd in de zee Vouru-kasha, die haar aan alle zijden omgeeft. Aldus werden de hemelse wateren geschapen. Maar nu is de aarde nog vol vergif en vuilnis door de lijken van de khrafçtra’s, die erop achterbleven. Tistar daalt af in de zee (de hemelzee) en de bekende strijd met Apaosha begint. Na zijn zegepraal doet hij een nog veel sterkere regen dan die eerste neerdalen; de druppels zijn zo groot als een hand, een vuist, een mensen hoofd, een stierenkop. Met dit water vermengt zich al het giftige overblijfsel van de gestorven khrafçtra’s en maakt het zout. Weer komt de wind en drijft na 3 dagen het water naar het einde der aarde, waaruit dan de zeeën en de beide moederstromen ontstaan. [Tiele, 210f.]

Apaosa (foto churchofahriman)

Apaosa (fotochurchofahriman, zie https://churchofahriman.net/2014/04/02/apaosa/)

Voor meer informatie, zie https://www.faranakmirjalili.net/articles/2018/6/22/tishtrya-god-of-summer-solstice-in-persian-paganism en https://parsi-times.com/2017/08/may-tishtryas-rain-bring-fruition-fields/.)

Literatuur

Darmesteter, James (vert.), The Zend-Avesta 1: The Vendîdâd, Dehli 1992; 2: The Sîrôzahs, Yasts and Nyâyis, Dehli 1993
Dijk, J. van, Mythen en hun esoterische betekenis, Amsterdam z.d. (= De Wereld als Gods Lichtkleed, Zutphen 1933)
Graves, Robert, The Greek Myths (2 delen), Harmondsworth 1977 (= 1955)
Tiele, C.P., De Godsdienst van Zarathustra (bij de oud-Perzische volken), Haarlem 1864
Vollmer, Wörterbuch der Mythologie aller Völker, 3e Aufl. Stuttgart 1874 (repr. Leipzig 1978)

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-magi-de-wijzen-uit-het-oosten-1-gurdjieff-en-zijn-kaart-van-pre-sand-egypt/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-magi-de-wijzen-uit-het-oosten-2-jezus-in-egypte/

Leave a comment

Your email address will not be published.


*