Cor Hendriks – Inleiding in de mythologie (3): De Tekens aan de Hemel

When Was the Fall of Lucifer? (foto prophecyinthenews)

Sigmund Freud merkt op in Het onbehagen in de samenleving, dat “de observaties van de grote astronomische regelmatigheden niet alleen de mens een model verschaften om Orde in zijn leven te introduceren, maar hem ook de vertrekpunten daartoe leverden. (…) De voordelen van Orde zijn onbetwistbaar. (…) We zouden dus met recht mogen verwachten, dat Orde zijn plaats in menselijke activiteit van het begin af aan inneemt en dat zonder moeite”. Freud vraagt zich verbaasd af, waarom dit niet het geval is, waarom een uitgebreide training nodig is, voordat mensen leren om het voorbeeld van hun hemelse modellen te volgen [Freud II, p. 44f].

We zouden kunnen stellen, dat als de hemelse modellen (de archetypen) helemaal niet zo regelmatig zijn, daarmee het raadsel van Freud is opgelost: de mensen doen niet Ordelijk, omdat hun modellen niet Ordelijk doen (deden; in illo tempore)! Volgens de 14e eeuwse Honiré Bonet (https://en.wikipedia.org/wiki/Honoré Bonet) was de origine van Oorlog gelegen in de Oorlog van Lucifer [= de planeet Venus] tegen God [Tuchman, p. 59; zie voor de Val van Lucifer: https://prophecyinthenews.com/articles/when-was-the-FallofLucifer/].

De hiërogamie (het heilig huwelijk) is het slotritueel in de Babylonische Nieuwjaarsceremonie. Na de afdaling van Marduk in de onderWereld, die gepaard ging met een periode van droefheid en vasten voor heel de gemeenschap en van vernedering voor de Koning, had de uitbanning van alle boosheden en zonden plaats door middel van een zondebok. Daarna volgde de hiërogamie van de God met Sarpanitum, nagedaan door de Koning en een tempelslavin (priesteres) in het vertrek van de Godin (dat wil zeggen op de top van de Ziggurat) en waaraan zeker een periode van collectieve orgie beantwoordde [Eliade, 56; zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Hieros gamos].

Drayton (https://en.wikipedia.org/wiki/Michael Drayton) believed that in the starry heavens
as in an everlasting book,
Our ends are written;” [Elegy on the Three Sons of Lord Sheffield drowned in Humber, IV, p. 1244] and yet he not unnaturally asks,
Why his true motion keepeth every star,
Yet what they govern so irregular?
[The Barons’ Wars, book IV, verse 51 (p. 1, 161)] Drayton knew of the saying, that the sun dances on Eastern morn, and, I think, did not believe in it.[Polyolbion, XXII (p. 3, 109)]. Verder lezen we

It may be new to some, who know well enough thatthe stars in their courses fought against Sisera,” (zie Richteren, 5:20) that when God had determined to destroy the elder World He made the stars His instruments.

Venus and Mars God put this work upon,
Jupiter and Saturn in conjunction,
In th’ tail of Cancer, inundations threat,
Luna disposed generally to wet.
The Hyades and Pleiades put too
Their helps; Orion doth what he can do.
No star so small, but some one drop let down,
And all conspire the wicked World to drown:
On the wide heaven there was not any sign,
To watry Pisces but it doth incline.
[Noah’s Flood, IV, p. 1541f, FLJ 2, 1884, p. 366 (The Folk Lore of Drayton)].

In de Oudheid was astrologie een uitermate belangrijke preoccupatie op een schaal, die ons begrip ver te boven gaat. Als er iemand is, die dat heeft ingezien, dan is dat wel Mircea Eliade geweest. Het totale leven in de Oudheid werd beheerst door de astrologie en het was beslist niet strikt een staatsaangelegenheid in Mesopotamië, zoals misschien is op te maken uit de legende van de Oud Babylonische Koning Naram-Sin, die tekenen van de Goden ontzegd werd en toen dreigde “Als een rover zal ik voortgaan volgens mijn eigen wil!” [Cohen, p. 18] Hoe echter moeten we die tekenen van de Goden opvatten? De Mesopotamiërs beschouwden de planeten als de verblijfplaatsen van hun Goden en zij geloofden, dat het de Goden waren, die de planeten de macht gaven om de gebeurtenissen op aarde te beheersen [Cohen, p. 20].

Een voorbeeld van een teken: in 1179 deed de astroloog John van Toledo een voorspelling, die veel consternatie veroorzaakte in de christelijke Wereld. De voorspelling luidde, dat in 1186 een conjunctie van de planeten in hetstormachtige teken van Weegschaal een storm zou veroorzaken en een aardbeving van ongekende hevigheid. In Duitsland verstopten zich mensen in hun kelder en in Constantinopel liet de Byzantijnse Keizer de ramen van het Paleis verzegelen, terwijl in Brittannië de aartsbisschop van Canterbury opriep tot een nationale rouw en vasten. Hoewel de conjunctie op het voorspelde moment plaats had, gebeurde geen van de voorspelde rampen.

We zagen al eerder, dat Eliade (in navolging van Joseph Bidez, https://nl.wikipedia.org/wiki/Joseph Bidez) dit “conjunctie geeft ramp idee helemaal terug leidde tot haar Chaldese oorsprong. Het woord conjunctie betekent verbinding, zoals een huwelijksband. In de huidige astrologie betekent het slechts, dat twee planeten vlakbij elkaar staan op een astrologische kaart (chart). Van een “verbinding” is totaal geen sprake [etymologisch lungo: verbinden, verenigen, samenvoegen; iug(um) = juk (Duits Joch, Engels yoke, Frans joug; zie ook Zyg, van Grieks Zeugos (span, et cetera)] Bij de Romeinen werd de juk gebruikt in plaats van het sterrenbeeld Weegschaal (Libra) en Juga is de bijnaam van Juno als huwelijksGodin, terwijl Jugatinus de huwelijksGod was [Vollmer, p. 284]. Eerder zagen we, dat in de Indische filosofie de Yuga een Wereldtijdperk is, waarvan begin en eind gekenmerkt worden door Wereld rampen, die ze met elkaar verbinden; de yuga is dus een verbindingsperiode.

Ook het woord yoga betekent “vereniging” (https://en.wikipedia.org/wiki/Yoga#Etymology), en is in oorsprong hetzelfde als ons “juk”, dat ook de verbinding tussen twee dingen of dieren aanduidt. Yoga betekent eigenlijk verbindingsleer en is in feite een zoektocht naar het herstellen van de verbroken verbinding met de tijd van Toen en daardoor tot eenheid te komen. Er worden vier soorten yoga’s onderscheiden, net zoals er vier yuga’s zijn: Jnana (kennis), Hatha (geweld), Bhakti (liefde), Karma (daad). Het was de wijze Patanjali (https://nl.wikipedia.org/wiki/Patanjali), die deze vier grote systemen in één stelsel samenvoegde, dat men later de erenaam Raja yoga (Koninklijke yoga) gaf, in zijn yoga Sutra’s (leerspreuken). Hij sloot aan bij Boeddha, die het achtvoudige pad leerde om Nirwana te bereiken. Dus op de yoga volgt Nirwana (extase), de paradijselijke toestand. De Boeddha sage bevat het volgende dood en wedergeboorte verhaal:

Eens vond Boeddha ver van de rivier een krokodil, smachtend naar water en reeds te zwak om de rivieroever te bereiken. Toen hief Boeddha met zijn Godenkracht het 25 voet lange monster op en droeg het twee dagreizen door de wildernis naar de Bramaputr en toen hij zag, dat het geen kracht genoeg had om zich een buit te verschaffen, hieuw hij zich zijn arm af, gaf met zijn dorstlessende bloed het dier te drinken, gaf het de arm te eten en verweerde zich niet, toen het hem, snel opgemonterd, verscheurde, waarna hij nog reiner en meer gelouterd dan tevoren, weer uit de dood opstond. Overigens is Budea (de stier inspanster) een bijnaam van Athena, omdat ze de mensen de akkerbouw middels de voor de ploeg gespannen ossen leerde (het gebruik van het juk dus) [Vollmer, p. 116].

In het Nieuwe Testament wordt Jezus gevraagd een teken te laten zien en hij antwoordt: “Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona, de profeet” (Mattheüs, 12, 38f). Het boos en overspelig geslacht zet ons in het Kali yuga, maar herinnert tevens aan de voorafgaande Wereld vernietigingen, zoals de Bijbel, die kent: de vloed van Noach, de toren van Babel, de vernietiging van Sodom en Gomorrah, de uittocht uit Egypte en Israel voor de Babylonische ballingschap. Het teken, dat van Jezus verlangt wordt, is het bewijs van zijn macht als kosmokrator, in staat tot een fundamentele verandering van de kosmos. Dit teken krijgen de Farizeeën niet, maar wel dat van Jona, de profeet, die drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was (Mattheus, 12:40), in Sheol (Jona 2:2), dat wil zeggen in de onderWereld, het land van de Dood.

Jonah and the Whale (foto biblestudytools)

Jonah and the Whale (foto Biblestudytools)

Het verhaal van Jona is overbekend. De profeet kreeg van God de opdracht Niniveh haar zondigheid te verwijten (het thema van het zondige geslacht), voelde daar weinig voor en scheepte zich in naar Tarshish om te ontkomen aan de Heer. Deze echter veroorzaakte een enorme storm, die het schip dreigde te breken. De zeelui wierpen het lot (dobbelden) om erachter te komen, wie er voor de storm verantwoordelijk was en het lot viel op Jona, die moest toegeven, dat hij vluchtte voor het bevel van God. Hij liet zich overboord jonassen, waarop de storm ging liggen, terwijl Jona werd ingeslikt door een grote vis en na drie etmalen werd uitgespuwd nabij Niniveh, dat hij wist te bekeren, zodat de door God aangekondigde ramp niet doorging. Jona, kwaad hierover, ging de stad uit, bouwde een hut en ging in haar schaduw zitten wachten op wat er van de stad zou geworden.

“En de Heer beschikte een wonderboom (? gigayon: castorboonplant?), die boven Jona opschoot om tot schaduw te dienen boven zijn hoofd, ten einde hem van zijn misnoegen af te brengen. En Jona verheugde zich zeer over de wonderboom. Maar de volgende morgen, bij het aanbreken van de dag, beschikte God een Worm, die de wonderboom stak, zodat deze verdorde. En het geschiedde, zodra de zon opging, dat God een gloeiende Oosten wind beschikte en de zon stak op het hoofd van Jona, zodat hij amechtig neer zonk en wenste te mogen sterven.”

En God zegt hem, als hij zo begaan is met een wonderboom, die in één dag en één nacht is opgegroeid, hoeveel meer moet God dan wel niet begaan zijn met de grote stad Niniveh (Jona 4: 1 11).

Joseph Campbell heeft een aantal versies van het “in de buik van de walvis motief bijeengebracht met het idee, dat de overstap naar de magische Wereld als een hergeboorte wordt voorgesteld in de vorm van het baarmoedersymbool van de walvis. De held, in plaats van de macht op de drempel te overweldigen of te verzoenen, wordt opgezwolgen in het onbekende en schijnt te zijn gestorven. In het Lied van Hiawatha is het Mishe Nhma, de Koning der Vissen, die in zijn woede omhoog kwam geschoten, flitsend opsprong in het zonlicht, zijn geweldige kaken open sperde en zowel kano als Hiawatha opslokte [Campbell, p. 90].
De Zulu’s hebben het verhaal van twee kinderen en hun moeder, die door een olifant werden opgeslokt. Toen de vrouw de maag van het beest bereikte, zag ze grote wouden en rivieren en veel hoge landen; aan de ene kant waren veel rotsen; en er waren veel mensen, die daar hun dorp hadden gebouwd; en veel honden en veel vee; dit alles was er in de olifant. Roodkapje wordt evenals haar grootmoeder opgeslokt door de wolf, een lot, dat ook zes van de zeven geitjes ondergingen, hetgeen lijkt op de Griekse mythe van Kronos, die zijn kinderen, op Zeus na (het geitje in de klok) opslokte.

De Griekse held Herakles, te Troje op weg naar huis met de gordel van de Amazone Koningin, bemerkte, dat de stad geteisterd werd door een monster, tegen haar gestuurd door de zeeGod Poseidon. Het beest kwam aan land en at de mensen op, die op de vlakte liepen. De mooie Hesione, de dochter van de Koning, was net door haar vader aan de zeerotsen gebonden als verzoenend offer en de grote, op bezoek zijnde held ging ermee akkoord haar te redden voor een prijs. Als dan het monster weer aan het oppervlak verschijnt en zijn geweldige muil open spert, duikt Herakles in zijn keel, hakt zich een weg door de buik en laat het monster dood achter [Campbell, p. 91]. Eenzelfde verhaal, maar dan zonder het “in de buik van het monster motief, is dat van Perseus.

Kepheos, de zoon van de Ethiopische Koning Belus, was gehuwd met Kassiopeia, die door haar schoonheid zo trots werd, dat ze de Nereïden de voorgang bestreed. Die klaagden hun leed bij Poseidon, die uit de zeebronnen zijn toornige hoofd verhief, Ethiopië overstroomde en een vreselijk monster stuurde, dat het hele land verwoestte. Het orakel van Zeus Amon zei, dat men het gedrocht Andromeda, de dochter van Cepheus en Cassiopeis, moest offeren, als straf voor de pralerij van haar moeder [de rituele fout, die de overstromingsslang brengt] met rugwaarts gebogen armen aan een rots werd gebonden. Perseus, een voorvader van Herakles, kwam toevallig langs (met het hoofd van Medusa) en vroeg de maagd naar de oorzaak van haar benarde positie. Om hem niet in de mening te laten, dat de Goden haar straften wegens haar eigen misdaad, vertelde Andromeda aan Perseus, waarom ze tot die kwelling gedoemd was. Nauwelijks was ze uitgesproken, toen reeds in de verte de zee opbruiste en het gedrocht kwam aanstormen; de vertwijfelde ouders zien jammerend de dood van hun dochter naderen; dan vraagt Perseus, of hij, als hij haar redt, de hand van de dochter zal krijgen. Graag wordt hem dit en de beste helft van het Rijk beloofd. Het monster is niet ver meer verwijderd en als een steen uit een Balearische slinger verheft Perseus zich op de van Hermes geleende vleugelschoenen en met het verstenende hoofd van Medusa houdt hij het monster tegen en verandert het in steen. Dan wordt het huwelijk gehouden, een verhaal apart. Na zijn dood wordt Perseus als heros vereerd en onder de sterren geplaatst in de buurt van Andromeda, midden in de Melkweg, evenals Kassiopeia en Kepheos [Vollmer, p. 45f].

Het sterrenbeeld Andromeda op een kaart van Johannes Hevelius, 1690 (foto Wikipedia)

Het sterrenbeeld Andromeda op een kaart van Johannes Hevelius, 1690 (foto Wikipedia)

Volgens Vollmer zag Herakles het monster aankomen, voer met een kano [!] in zijn muil, kwam in zijn buik en doodde het, zich van binnen, waar hij drie dagen [!] was geweest, naar buiten werkend [Vollmer, p. 239].

Ook het verhaal van de zusters Wawilak blijkt bij nadere bestudering het “in de buik van de walvis motief te bevatten. Deze versie wordt door Eliade verteld in het kader van de geheime cultus Kunapipi in Arnhemsland. We zagen in de versie van Levi-Strauss, dat de zusters na een lange reis bij een put kwamen, waarin zich de grote slang Julunggul (Yurlunggur) bevond. Hier bouwden de vrouwen een hut, ontstaken een vuur en probeerden een paar dieren te koken. Maar de dieren ontvluchtten het vuur en sprongen in de put. Want, zo verklaren nu de inboorlingen, de dieren wisten, dat een van de zusters, die door haar recente bevalling onrein was, de put niet mocht naderen. Aangetrokken door de geur van het bloed verliet Julunggul zijn onderaardse hol, richtte zich dreigend op, hetgeen bewolking en bliksem veroorzaakte en naderde de hut. De jongste zuster probeerde hem met dansen te verdrijven en deze dansen worden tijdens de Kunapipi ceremonie opnieuw geactualiseerd. Uiteindelijk omwikkelde de Slang de hut, waarin de twee zusters en het kind zich bevonden, met speeksel en slokte deze op, waarna hij zich oprichtte, met zijn kop naar de hemel. Enige tijd later braakte hij de twee zusters en het kind weer uit. Gestoken door witte mieren kwamen zij weer tot leven, maar Julunggul slokte hen opnieuw, ditmaal voorgoed, op. Het verhaal is met een ander verhaal verbonden: een python, Lueeningu genaamd, wilde Julunggul imiteren, nadat hij gezien had hoe deze de twee zusters opslokte en weer uitbraakte. Hij begon door het land te dwalen en slokte de jongelui op, die hij tegenkwam, maar wanneer hij ze uitbraakte, waren ze dood; soms was van hen slechts het skelet over. De mensen ontstaken in woede en doodden de slang, waarna ze voor hem een monument oprichtten, dat hem voorstelde. Om het gesis van de slang te imiteren, maakten ze de bull roarer, een soort muziekinstrument [snorhout], gebruikt in de riten. Wanneer in het Kunapipi ritueel de novieten het hoofdkamp verlaten en naar het heilig terrein gaan, worden zij verondersteld te worden opgeslokt door Lueeningu, zoals hij de jongelui in het Droom Tijdperk heeft opgeslokt en in vroeger tijden moesten zij gedurende een periode, variërend van twee weken tot twee maanden uit de buurt van vrouwen blijven, wat hun verblijf in de buik van de slang symboliseerde. Maar de twee slangen worden door elkaar gehaald, want wanneer ze in het hoofdkamp terugkomen, verklaren de mannen tegenover de vrouwen: “Alle jongens zijn vandaag heengegaan; Jullunggul heeft ze ingeslikt” [Eliade, p 2, 89f]

In het oudste verhaal over Jason, zo vertelt Kerenyi, trad deze zonder bemiddelaar en de Argo bleef met de schaar Minyers waarschijnlijk niet in het riet van de Phasis verborgen, zoals bij Apollonius voor de Koning van het land Aia en eiste het Gulden Vlies voor zijn geslacht terug. De Koningsdochter zag door de zilveren sluier, die haar omhulde, de jongeling, die als Sirius straalde. Het antwoord van de Koning bestond hierin, dat hij de held in de muil van de reuzenslang zond, die het Gulden Vlies bewaakte. Er werd ook verteld, dat het Vlies in een struikgewas uit de bek van de draak hing, die een geheel schip als de Argo met zijn 50 roeiers gemakkelijk had kunnen verslinden. Men noemde de dichte bossage “Woud van Atres”, wat een oord des doods, een gebied van Hades, betekent. En zo niet uit de bek van het monster, dan hing het Vlies toch daar, uitgespreid aan de takken, van de top van een eik, die door de draak werd bewaakt, of het lag, zoals afbeeldingen op vazen tonen, op een rots, waaromheen de slang zich slingerde. Door een vaasschildering [figuur 29 in Kerenyi, Griekse Heldensagen] ervaren we dan ook hoe Jason weer uit de muil van de reuzenslang tevoorschijn kwam: in dezelfde toestand als Herakles uit het hol van de leeuw van Nemea en zoals ook wel heel natuurlijk was, als de onderWereld ooit een sterfelijke aan de Wereld der levenden teruggaf, bewusteloos hing hij uit de bek van de draak. Men ziet het vlies aan de boom en de aanwezigheid van de Godin Athena met de uil bewijst, dat de held niet dood is. Doodop keert hij uit de buik van het monster terug en hij had de redster nodig om hem uit de versuffing van de dood weer in het leven terug te roepen [Kerenyi, p. 176].

Jason vomited forth, Douris cup, circa 480 BCE (foto Argonauts Book)
Jason vomited forth, Douris cup, circa 480 BCE (foto Argonauts Book)

Campbell is van mening, dat deze verdwijning (van de held) correspondeert met het binnentreden van de gelovige in de tempel. Het tempel inwendige, de buik van de walvis en het hemelse land voorbij, boven en onder de grenzen van de Wereld, zijn gelijk. Daarom zijn de ingangen van tempels geflankeerd en verdedigd door kolossale gargoyles: draken, leeuwen, demonendoders met getrokken zwaarden, haatdragende dwergen, gevleugelde stieren. Zij zijn de drempelwachters om een ieder, die niet in staat is tot het ontmoeten van de hogere stiltes van binnen, af te weren [Campbell, p. 92].

Eliade is zich terdege bewust van de ingewikkeldheid van de situatie: vanuit ieder beeld dringt zich weer een nieuw beeld op. De gedachte van de vorming in de baarmoeder en van de baring wordt tot uitdrukking gebracht door een reeks corresponderende afbeeldingen: het binnendringen in de buik van de Grote Moeder (= Moeder Aarde), of in het lichaam van het zeemonster, van een wild dier, of zelfs van een huisdier. De initiatie hut behoort uiteraard tot dezelfde groep van beelden; hieraan moeten we nog het beeld van de pot toevoegen, dat we tot nog toe nog niet waren tegengekomen. Bij de Kavirondo Bantu’s wordt van de geïnitiëerden gezegd “Nu komt het blanke kuiken uit het ei; wij zijn net als potten, die juist uit de oven zijn gekomen” [Eliade, 2, p. 92, 96].

De initiatie symboliek van het ei en het kuiken is oud; zeer waarschijnlijk ligt de “dubbele geboorte” van vogels ten grondslag aan het beeld van de dvi ja (tweemaal geborene) in de Upanayan ceremonie van de Brahmanen. Het motief van de ceremonie is de wording en de wedergeboorte; in de Atharva Veda, XI, p. 53,  wordt namelijk gezegd, dat de leerMeester de jongen verandert in een embryo en hem drie nachten in zijn buik bewaart, terwijl de Šatapatha Brâhmana, XI, p. 4, 5, 12 13, als bijzonderheid geeft: de leerMeester wordt bevrucht op het moment, waarop hij zijn hand op de schouder van de jongen legt, en op de derde dag wordt deze als Brahmaan herboren [Eliade, 2, p. 95].

Deze initiatie riten van regressus ad uterum (terugkeer tot de baarmoeder) hebben een mythisch model: Indra was het, die om de geboorte te verhinderen van een angstaanjagend monster als gevolg van de verbintenis van Vâc (het Woord) en Vajá (het Offer) zichzelf in een embryo veranderde en in de baarmoeder van Vác kroop [Eliade, 2, p. 98].

Eliade noemt het opmerkelijk, dat het initiatie thema van de terugkeer naar het embryonale stadium zelfs wordt terug gevonden bij culturen, die op een hoger niveau staan, bijvoorbeeld bij de Taoïstische technieken van mystieke fysiologie.De embryonale ademhaling (t’ai sí), die een belangrijke rol speelt in het neo Taoïsme, wordt opgevat als een ademhaling in een gesloten circuit, als die van een foetus; de ingewijde poogt de bloedsomloop en de ademhaling van de moeder naar het kind en van het kind naar de moeder te imiteren [Eliade, 2, p. 100] Het doel is: “door terug te komen op de basis, door terug te keren tot de oorsprong, verjaagt men de ouderdom, men keert terug tot de foetale staat.” En een moderne tekst luidt: “Dat is waarom Jou Lai in zijn grote genade de methode van het (alchemistische) werk van het Vuur heeft geopenbaard en de mensen heeft geleerd opnieuw in de baarmoeder te kruipen (onderstreping Eliade) om hun werkelijke natuur en de volheid van hun levenslot te herstellen.” Hetzelfde motief wordt vermeld bij de Westerse alchemisten: de ingewijde moet terugkeren in de schoot van zijn moeder, of zelfs met haar samenleven (vergelijk Oedipus). Uiteraard symboliseert de Moeder de Natuur in de oorspronkelijke staat, de prima materia van de alchemisten [Eliade, 2, p. 101].

Volgens Eliade wordt door de primitieve mens het begin van het leven altijd gevoeld in kosmische samenhang. De schepping van de Wereld is een exemplarisch model voor elke levende schepping [Eliade, 2, p. 102].Dus: de zon, elke avond verzinkend in de duisternis van de dood en de oer wateren, symbool van het ongeschapene en potentiële, lijkt evenveel op het embryo in de baarmoeder als de noviet, die verborgen is in zijn initiatie hut. Wanneer ‘s morgens de zon opgaat, wordt de Wereld herboren, evenals de noviet, die zijn hut verlaat [Eliade, 2, p. 103].

Campbell citeert het volgende van Gustave JungAlleen een weergaloze verarming van symbolisme maakte het voor ons mogelijk om de Goden te herontdekken als psychische factoren, dat wil zeggen als archetypen van het onbewuste. De hemel is voor ons de kosmische ruimte van de astronomen geworden en het Godenrijk een schone herinnering van dat wat eens was. Maar ‘het hart gloeit’, en een geheime onrust knaagt aan de wortels van ons zijn [Campbell, p. 104, nº 24] (vergelijk Jona’s Worm; worm in tanden; supra in Ygdrasil).

Maar welke onrustworm knaagt er aan de wortels van de Wereldboom? Is het binnen of buiten, is het “for real of “slechts” een droom? Keren we terug naar het teken, wat de Farizeeën Jezus vroegen te doen, dat zijn kosmische afstamming zou bewijzen. Een dergelijk teken verrichtte Mozes, die de wateren van de Rietzee splitste, Jozua, die de zon vroeg stil te staan. Dit zijn zaken, die indruisen tegen de ons bekende wetten van de kosmos. Zo verwachten we, dat de zon ‘s morgens keurig opkomt en zijn we niet de hele nacht riten aan het uitvoeren, om die opkomst te garanderen. Verder verwachten we, dat die zon een keurig baantje aan de hemel beschrijft, geen rare dingen doet onderweg en ‘s avonds aan de andere kant ondergaat.

Détail du char du soleil, fresque du plafond, 1575 - Sala del Mappamondo, Villa Farnèse, Caprarola (Viterbe) (foto tarotsanciens.canalblog)

Détail du char du soleil, fresque du plafond, 1575, Sala del Mappamondo, Villa Farnèse, Caprarolo (Viterbe) (foto tarotsanciens.canalblog)

Nu noemden de Grieken de zonneGod Helios. Deze reed iedere dag met de zonnewagen langs de hemel en had daar geen problemen mee. Maar Helios had een zoon, Phaëthon (De Stralende) genaamd, die over deze afstamming liep op te scheppen, tot ergernis van Epaphus (Apis), de zoon van Zeus (Amon) en Io (Isis), de Koning van Egypte, die dit betwijfelde, waarop Phaëthon naar zijn moeder Clymene, die getrouwd was met Merops, de Ethiopische Koning, ging en haar vroeg of de zonneGod (Ra ofwel Re) werkelijk zijn vader was, hetgeen Clymene bezwoor. Daarop ging Phaëthon bij zijn vader langs en bewerkte hem zolang, tot hij hem één wens onvoorwaardelijk beloofde te vervullen. De wens was hem een dag lang de leiding over de zonnewagen toe te vertrouwen. De vader probeerde hem op allerlei wijzen zijn wens af te raden, maar aangezien hij bij de Styx gezworen had, moest hij tenslotte toegeven. Hij probeerde Phaëthon nog snel wat bij te brengen over de paarden, de route en de gevaren onderweg en overhandigde met tegenzin de teugels aan de onervaren handen. En al snel werd zijn bezorgdheid gerechtvaardigd: de rossen, die niet de kracht van hun Meester voelden, weken uit hun baan en kwamen bij de Hyperboreeërs, die ze zo heet maakten, dat zij zich in zee verborgen; de ongekende hoogte deed Phaëthon slingeren; hij probeerde de paarden naar de aarde terug te voeren, en wel omdat monsters van de dierenriem, Kreeft en Schorpioen, hem schrik inboezemden; echter deze te dichte nabijheid had de vreselijkste gevolgen: de bronnen droogden op; de bossen van hele landen vlogen in brand, de aarde scheurde open en de zon scheen in de Tartarus; tenslotte slingerde Zeus, het ongeluk ziend, de koene jongeling met een bliksem van de wagen, waarop de rossen zich verstrooiden; maar Libye was reeds tot een woestijn geworden; de Aethiopiërs waren zwartgebrand. Athos, Taurus, Tmolus, Oeta, Ida, Helicon, Haemus, Etna en Caucasus stonden in vuur en vlam en verlichtten de Wereld, aangezien de zonneGod uit droefenis over het verlies van zijn zoon en kwaad over de moord door Zeus, het niet meer wilde doen. De Ganges, Tanais (Don), Xanthus, Rhodanus (Rhône), Rhenus (Rijn), Tiberis, Tagus en Nijl waren uitgedroogd, slechts de bronnen van de Eridanus schuimden nog en daarin vond de half verbrande Phaëthon zijn graf. Zijn ongelukkige zusters, de Phaëthoniaden, treurden zich dood en werden in elzebomen veranderd; een vriend van hem, Cygnus, stierf uit verlangen naar hem en werd tot zwaan; Clymene werd waanzinnig van verdriet [Vollmer, p. 377].

Dit vrij complexe verhaal bevat een groot aantal elementen, die we eerder zagen. Om een rituele fout (eed bij de Styx) raakte de zon uit zijn koers, veroorzaakt een “Wereldbrand en wil vervolgens enige tijd niet meer schijnen. Plato, in zijn Timaios, vertelt bij monde van Kritias van het bezoek van Solon aan Egypte ten tijde van Koning Amasis. Solon was in Saïs, de stad van Neith, de Egyptische Athena. Daar liep hij kennelijk wat op te scheppen over de Griekse ouderdom, vanaf de vloed van Deukalion, waarop een hoogbejaarde priester zei “Ach Solon, Solon. Jullie Grieken blijven toch altijd kinderen, tot grijsaard brengt het geen Griek (Helleen).” Solon wilde weten waarom en kreeg als antwoord:

Jullie zijn allen nog jonge zielen, want jullie houden er geen op oude verhalen gegronde mening op na, noch een door de tijd vergrijsd weten. De reden daarvoor is de volgende [22c] .Vele en veelsoortige vernietigingen van de mensheid hebben plaatsgevonden en zullen plaatsvinden, waarvan de belangrijkste door vuur en water, andere kleinere door duizenderlei andere oorzaken. Dat tenminste, wat ook bij jullie verteld wordt, namelijk dat eens Phaëthon, de zoon van Helios, op de wagen van zijn vader klom, de oppervlakte van de aarde, doordat hij niet in staat was de baan van zijn vader aan te houden, door vuur vernietigde, zelf echter, door de bliksem getroffen, zijn dood vond, dat wordt als een sprookje verteld. Het ware daarvan slaat op de afwijking van [22d] aan de hemel om de aarde lopend sterren en de na lange tijdsvakken plaatsvindende vernietiging van wat zich op de aarde bevindt door machtig vuur. Dan plegen daarbij diegenen, die bergen en hoog en droog gelegen gebieden bewonen sneller dan zij die aan de rivieren en de zee wonen ten onder te gaan, ons echter redde de ook verder zegen brengende Nijl door zijn overstroming uit die nood. Wanneer daarentegen de Goden de aarde, om haar te louteren, met water overstromen, dan komen de runder en schaapherders op de bergen er goed van af, terwijl daarentegen de bij jullie in de steden wonenden door de stromingen in zee worden gesleurd [22e]. Hier ten lande echter giet zich dan nog bij andere gelegenheden water van bovenaf over de grond uit, daarentegen pleegt alles van nature zich van onderaf naar boven te verheffen. Daarom en vanuit deze gronden heeft zich, zegt men, het hier bewaarde als het oudste behouden; het ware is echter, dat overal waar niet een overmatige koude of hitte heerst, een nu eens groter [23a], dan weer kleiner aantal mensen is; wat zich echter, zij het bij jullie of hier of in andere gebieden, waarvan we bericht krijgen, iets moois of groots of op andere manier merkwaardigs voordoet, dat alles is van oude tijden af hier in de tempels opgetekend en bewaard. Bij jullie en andere volken daarentegen was men destijds in eerste instantie verstoken van het schrift en al het andere, wat de staten nodig hebben, en vervolgens brak, na afloop van de gewoonlijke periode, als een ziekte een vloed vanuit de hemel over [23b] hen uit en liet van jullie slechts de analfabeten en ongeschoolden over, zodat jullie van het begin (der tijden) af weer in zekere zin tot de jeugd leeftijd terugkeerden, zonder daarvan iets te weten, wat zowel hier als bij jullie zich in de Oude Tijden heeft voorgedaan. Wat jij zojuist over de oude geslachten van jullie zei, O Solon, onderscheidt zich slechts weinig van kinderverhaaltjes, aangezien jullie je maar één overstroming herinneren, terwijl voorheen toch vele plaatsvonden. Zo weten jullie verder ook niet, dat het fraaiste en voortreffelijkste geslacht onder de mensen in jullie land ontsproot, waarvan jij afstamt en jullie gehele thans bestaande staat, aangezien toen een nietige stam daarvan overbleef [23c]. Dat bleef voornamelijk aan jullie verborgen, omdat de in leven gebleven mensen vele mensengeslachten door de uitspraak van het schrift vermangelden. Want eens, O Solon, vóór de grootste vernietiging door overstroming, was de staat, die thans de Atheense heet, de dapperste in de strijd en boven allen door een goede wettelijke regeling uitstekend; zij zou onder allen onder de zon, waarvan de mare ons bereikte, de schoonste daden volbracht en de fraaiste staatsinrichtingen getroffen hebben” [23d].

Met verwondering heeft Solon, naar hij zelf zegt, dit vernomen en omstandig de priester verzocht hem in volgorde al datgene, wat zijn medeburgers uit de Oudheid betreft, te berichten.

De priester antwoordde: “Dit bericht wil ik je niet misgunnen, Solon, daarentegen om jouw eigen en je vaderstads wil dit je meedelen, voornamelijk echter uit liefde voor de Godin, die jullie land en dit hier toeviel en die beide liet gedijen [23e] en stichtte, die van jullie zo’n 1.000 jaar vroeger, omdat zij het zaad van jullie volk van Hephaistos en de Aarde [Gaia] ontving, die van hier later. Het aantal jaren echter sinds de hier bestaande inrichting van onze staat is in de Heilige schrift aangegeven als 8.000 jaar. Van jullie 9.000 jaar geleden levende medeburgers wil ik je heel in het kort de wetgeving en de mooiste heldendaad, die door hen werd volbracht, berichten. [24a] Het precieze over alles echter zullen we later in volgorde, doordat we de schriften zelf ter hand zullen nemen, ordenen. Jullie wetten vormen het tegendeel (of een sluitstuk) van de hier geldende; want van vele van de toen bij jullie bestaande zal je hier thans vergelijkbare vinden, ten eerste de van de overigen gescheiden stand der priesters, dan die van de werkMeesters, waarvan een ieder van de anderen gescheiden zijn eigen zaak drijft, evenals die van de herders en jagers en landbouwers [24b]. Ook de stand van de krijgers, die van de wet de opdracht had, zich om niets anders dan de strijd te bekommeren, zie je toch ook hier van die anderen afgescheiden. Verder is ook de manier van uitrusting met schild en speer hetzelfde, waarvan wij onder de bewoners van Azië ons het eerst bedienden, doordat de Godin hen ons, evenals jullie daarginds, als eerste leerde. Wat echter de opvoeding tot wijsheid betreft, zie je wel, welke zorgvuldigheid de huidige wetgeving meteen vanaf het begin (der Tijden) aan haar wijdde zowel met betrekking tot de Wereld Ordening, [24c] doordat ze alles te samen, tot op de ziener en geneesKunst ten bate van de gezondheid uit deze Goddelijke zaken voor de menselijke aangelegenheden afleidde en ook zich in het bezit van alle andere daarmee verbonden kennis stelde.

Voor zover dan de Godin jullie als eerste deze gehele Ordening en voorstelling naliet, wees zij jullie ook jullie woonplaats aan en koos de stad, waaraan gij ontsproten bent, daarom uit, aangezien zij in de jaartijden een gunstig patroon onderkende, dat zij de verstandigste bewoners zou opvoeden [24d]. Als de Oorlog en de wijsheid toegedaan koos de Godin die plek uit, die voorbestemd was, de haar nabijkomende mensen groot te brengen en stichtte daar voor het eerst een staat. Daarin leefden jullie toen onder zulke wetten en een nog meer volkomen grondwet, in iedere deugd boven alle mensen uitstekend, zoals dat zich van jullie, als nakomelingen en zuigelingen van de Godin, liet verwachten.

Daarna wekten vele en grote van jullie hier opgetekende heldendaden van jullie vaderstad bewondering, voor alles echter [24e] tekent één door haar belangrijkheid en heldenmoed zich af; want de aantekeningen berichten van een zeer grote legermacht, die eens jullie staat overviel, welke vanaf de Atlantische zee overmoedig tegen heel EUropa en Azië optrok. Destijds was namelijk die zee bevaarbaar; want voor de ingang, die, zoals jij zegt, de zuilen van Herakles heet, bevond zich een eiland, groter dan Azië en Libye bij elkaar, vanwaar de reizigers van toen de toegang tot de overige eilanden en vanaf deze naar de geheel daartegenover gelegen, aan de ware zee gelegen vasteland, openstond [25a]. Want het zich in het binnendeel van deze ingang, waarvan wij spreken, bevindende lijkt op een haven met een nauwe doorvaart, daarbuiten echter bevond zich werkelijk een zee, aan van het haar omgevende land pas met het volste recht een vasteland te noemen is.

Atlantis (foto centerofthesoul)

Atlantis (foto centerofthesoul)

Op dit eiland Atlantis verenigde zich ook een grote, wonderlijke macht van Koningen, die het hele eiland toebehoorde evenals vele andere eilanden en delen van het vasteland. Bovendien beheersten zij ook het binnendeel, hier in Libië tot Egypte, in EUropa echter tot Tyrrhenië. Deze tot één verbonden totaalmacht ondernam het ook een keer jullie en ons land en het gezamenlijke aan deze kant van de ingang gelegen deel door één veldtocht te onderwerpen. Toen nu, O Solon, onderscheidde het leger van jullie vaderstad zich door dapperheid en manmoedigheid vóór alle mensen. Want doordat zij door moed en in de strijd bruikbare Kunstgrepen allen overtrof, geraakte zij, deels aan de spits van de Hellenen, deels na het afvallen van de overigen, noodgedwongen op zichzelf aangewezen, in het uiterste gevaar, behaalde echter de overwinning en richtte zegetekenen op over de invallers en verhinderde hen de nog niet onderworpenen te onderwerpen, terwijl zij de rest van ons, die met zijn allen binnen de Zuilen van Herakles wonen, grootmoedig de bevrijding bezorgde. Doordat echter in latere tijden geweldige aardbevingen en overstromingen optraden, verzonk, doordat [25b] toen een verschrikkelijke dag en nacht aanbrak, jullie legermacht in zijn geheel en in één keer onder de aarde en op dezelfde wijze werd ook het eiland Atlantis door wegzinken in de zee aan de ogen onttrokken. Daardoor is ook de gindse zee onbevaarbaar en ondoorzoekbaar geworden, aangezien de op geringe diepte zich bevindende modder, die het ondergaande eiland achterliet, hinderlijk werd [Plato, Timaios, vertaling (…), § 22c – 25b].

Dit verhaal, dat vanwege zijn Atlantis element altijd al een grote populariteit heeft genoten, is door John V Luce (https://en.wikipedia.org/wiki/John_V._Luce)onderzocht op innerlijke consistentie. Zijn conclusie is, dat de overdreven omvang van Atlantis en de even overdreven ouderdom van het gebeuren te wijten zijn aan een reeds voor ze Plato bereikte vervormde traditie, die hij niet correct wist te identificeren. Alle getallen moeten met een factor 10 worden verminderd. Van belang is Luce’s vaststelling, dat Plato zelf in de mogelijk waarheid van het verhaal geloofd moet hebben. [Luce, The End of Atlantis, p. 20, 147] Onze interesse is vooral gericht op de uitleg van de Phaëthon mythe. Allereerst is het opmerkelijk, dat de Egyptische priester het verhaal van Phaëthon kent en weet, dat het door de Grieken als een sprookje beschouwd wordt, terwijl hij de betekenis er van kent. Impliciet doet hij de reden hiervoor uit de doeken, want Egypte en Griekenland zijn aan elkaar verwant (denk aan “Danaosmythe).

The End of Atlantis by JV Luce (foto Amazon)

JV Luce – The End of Atlantis

De ware betekenis van het Phaëthon verhaal was, zoals de priester zei, de “afwijking van aan de hemel om de aarde lopende sterren”, dat wil zeggen de planeten, die uit hun banen kwamen, en de periodieke vernietiging van wat zich op aarde bevindt. Deze zelfde uitleg is uiteraard ook van toepassing op de zogenaamde kosmogonische mythen. De regressus ad uterum is een terugkeer naar de chaos van de periodieke vernietiging. Verdere aanwijzingen worden gegeven door Kerenyi. Phaëthon betekent de Schitterende, dus een Helder stralende ster. Als zoon van Helios was hij als het ware een “kleine zon”. Later werd de planeet Jupiter of Saturnus, die bij de Grieken evenals in de Oriënt, ook de zonnenaam droeg, als “Phaëthon” beschouwd [Kerenyi, p. 24].

Oorspronkelijk heette echter de ster, die het nauwst met de Godin Aphrodite verbonden was, zo. In de Oriënt was dit de planeet van de Godin van de liefde, die daarom tot op de huidige dag Venus heet. Door de Grieken werd hij ook als avond en als morgenster bewonderd, als Hesperos en Phosphoros, als waren het twee verschillende, mooie sterren. Men gaf Eos en Kephalos aan Phosphoros tot ouders, zoals ook aan Phaëthon, van wie de relatie met Aphrodite te vergelijken is met die van Adonis. De Godin der liefde haalde hem nog als een kind weg bij zijn ouders en stelde hem als bewaker van het allerheiligste in haar tempel en verhief hem tot de rang van God of Goddelijke geest, een Daimon, vergelijkbaar met Adonis. Overigens kennen wij Phosphoros beter onder zijn Latijnse naam Lucifer (“lichtdrager”) [Kerenyi, 124].

Interessant is ook Plato’s Politikos (De Staatsman): Het gesprek in de Politikos brengt ons bij een begin, waar de vreemdeling in het gesprek in zijn inleiding naar toe werkt [Plato, Politikos, 268de]. Hij merkt op, dat we de humor moeten mengen in ons begrip van de Wereld; we moeten opletten als kinderen (Jezus: wordt als kinderen). De oude vertellingen (mythen) moeten we zo benaderen en hij geeft als voorbeeld de verschijning bij de strijd, die zou zijn voorgevallen tussen Atreus en Thyestes. Socrates (de Jongere) vraagt, of hij misschien het teken van het gouden Lam bedoelt, maar de vreemdeling doelt op een ander teken, namelijk dat van de verandering in de op en ondergang van de zon en de andere sterren, namelijk dat zij opgaan, waar ze toen ondergingen en opgingen aan de tegenover liggende kant. Toentertijd echter gaf God aan Atreus een getuigenis (teken!) en draaide ze om in de huidige richting (Ordening) [Politikos, p. 269a] Ook doelt hij op het verhaal van de heerschappij van Kronos en de verhalen over de mensen, die uit de aarde geboren zijn.

Sokrates merkt op, dat dit allemaal oude sagen zijn. En de vreemdeling zegt: deze verhalen hebben allemaal betrekking op dezelfde “omstandigheid en ook duizenderlei andere, nog veel wonderlijke verhalen, waarvan sommige door de lange tijd geheel vervaagd zijn en de overige te hooi en te gras verteld worden, zonder enig verband. De omstandigheid echter, die van al deze dingen de oorzaak is, heeft nog niemand verteld [269 BC].

Om het thema van de Staatsman te ontwikkelen is het echter nodig om dit te onthullen, meent de vreemdeling. Als we nu alles bij elkaar nemend de omstandigheid beschouwen, die uit de verhalen naar voren komt en ons als de oorzaak van al het wonderbaarlijke voorkomt, dan zien we dat soms de beweging van alles de ene kant opgaat, en soms de tegenovergestelde richting. [p. 270b] Deze verandering is van alle omstandigheden, die zich aan de hemel voltrekken, de grootste en volledigste, vanwaar dan ook de grootse veranderingen, die zich bij ons voordoen, die in de Wereld wonen [zie GWB bij trope, vanwaar ons Tropen] Ten gevolge van deze verandering ontstaan vernietigingen op grote schaal onder dieren en mensen, waarvan er weinigen overblijven, die weer getroffen worden door nieuwe gebeurtenissen; echter deze is de grootste en begeleidt de omwenteling van het geheel [p. 270d].

De vreemdeling heeft enige berichten uit die tijd, die echter niet geheel gedemythologiseerd zijn. Niemand werd ouder, juist jonger, zodat ze op het laatst verdwenen. Ook de lijken van degenen, die toen gewelddadig waren omgekomen, waren in weinig dagen verteerd. [p. 271a]

Sokrates vraagt hoe het leven weer opnieuw ontstond. De vreemdeling vertelt, dat het toenmalig geslacht uit de aarde geborenen [autochthonoi] werd genoemd, van toen uit de aarde [p. 271b] terugkeerden [dat wil zeggen personen, die zich in schuilkelders onder de aarde verborgen hadden en zo de ramp hadden overleefd]. Deze personen, aan de aanvang van de huidige tijdsperiode geboren, hebben de herinnering bewaard van onze eerste voorvaderen en zijn de verkondigers geworden van al die verhalen, die thans [reeds in Plato’s tijd] onterecht door velen ongelovig verworpen worden.

Plato [bij monde van de vreemdeling] heeft een merkwaardig idee over dezeomwenteling ontwikkeld op basis van een wetenschappelijke hypothese”, over hoe de ramp tot stand komt. Omdat Plato niet tot voldoende demythologiseren in staat is, is hij van mening, dat die aard geborenen herleefde doden zijn, samenhangend met de boven genoemde terugkeer van oude mensen tot de jonge staat.

Nu vraagt Sokrates naar de relatie tussen de tijd van Kronos en de tijd van de veranderingen aan de zon en de sterren en de vreemdeling beaamt, dat het inderdaad om hetzelfde gaat, in zoverre, dat het Kronos tijdvak aan de beweging vooraf ging, terwijl thans het tijdvak van Zeus is. Ook is Plato van mening, dat een dwingende periodiek ten grondslag ligt aan de terugkerende rampen, terwijl hij tevens een evolutionaire spiraal ontwaart:

Na iedere ramp is de Wereld gezuiverd en beter geworden; dan treedt na verloop van tijd verval op, doordat het lichamelijke de overhand krijgt en het geestelijke achterop raakt (vergeten wordt). Dit doet de mensheid in zondigheid verzinken, zodat het tijd wordt voor een ramp. Daarom is Plato van mening, dat het Einde der Tijden nabij is, aangezien in zijn tijd de chaos in de maatschappij groot is en men niet meer weet, wat de mythen betekenen, waardoor zonde en losbandigheid toenemen.

Referenties

Campbell, Joseph, The Hero with a Thousand Faces, Princeton, 1973 (= 1949).
Cohen, Daniel, Myths of the Space Age, New York, 1967.
Eliade, Mircea, De mythe van de eeuwige terugkeer, Archetypen en hun herhaling, Hilversum, 1964 (= Paris, 1949).
Eliade, Mircea, Riten en Symbolen van Inwijding, Katwijk aan Zee, 1979 (= Initiation, Rites, Sociétés Secrètes, Paris, 1958).
Freud, Sigmund, Civilization and its Discontents, New York, London, 1961.
Kerényi, Karl, Die Heroen Geschichten, München, 1968.
Platon, Politikos | Philebos | Timaios | Kritias, Hamburg, 1974 (= 1959).
Tuchman, Barbara W., A Distant Mirror, The Calamitous 14th Century, New York, 1979.
Vollmer, Wörterbuch der Mythologie aller Völker, 3e Auflage, Stuttgart, 1874 (reprint Leipzig, 1978).

Meer informatie
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-inleiding-in-de-mythologie-1-freuds-totem-en-taboe/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-inleiding-in-de-mythologie-2-archetypen-droomtijd-wereldcycli/

1 Trackback / Pingback

  1. Cor Hendriks – Inleiding in de mythologie (4): De zeven planeetgoden | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.


*