Cor Hendriks – Het Velikovsky Syndroom (4): Eeuwen in Chaos (Eerste akte)

De Ipoewer-papyrus bevindt zich sedert 1828, dus al meer dan honderd jaar, in het Rijksmuseum van Oudheidkunde te Leiden in Nederland (thans Rijksmuseum van Oudheden, zie http://www.rmo.nl/). In de catalogus van het museum is hij ingeschreven onder nr. 344. Dit papyrus geschrift werd als nogal raadselachtig beschouwd. Enkele Egyptologen trachtten de teksten te verklaren als spreekwoorden of dichterlijke uitdrukkingen. Tenslotte echter, in 1909, slaagde de toen nog jonge Alan H. Gardiner, later een van de beroemdste Egyptologen (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Alan_Gardiner), er in dit document te vertalen. Hij gaf het uit onder de titel ‘The admonitions of an Egyptian Sage, from a Hieratic Papyrus in Leiden’ (zie http://dlib.nyu.edu/awdl/sites/dl-pa.home.nyu.edu.awdl/files/admonitionsofegy00gard/admonitionsofegy00gard.pdf). Hij dacht dat het betrekking had op een ramp van maatschappelijke aard. Ik hoefde de vertaling maar één maal te lezen om te beseffen dat het een parallel is van wat we in het boek Exodus lezen.

De papyrus: ‘Het gehele land is getroffen door de plaag. Bloed is overal.’
Exodus: ‘… er was bloed in het gehele land Egypte.’

De papyrus: ‘De rivier is bloed. … De mensen konden het niet drinken […] mensen lijden dorst.
Exodus: ‘… al het water in de Nijl werd in bloed veranderd. Het water stonk en de mensen konden het niet drinken. Alle Egyptenaren echter groeven in de omgeving van de Nijl naar water, want Nijlwater konden ze niet drinken.’
Papyrus: ‘Dat is ons water! Dat is onze rijkdom! Wat moeten we nu doen? Alles is verloren!’

Exodus: ‘… ook al het veldgewas sloeg de hagel neer en alle bomen op het veld deed hij afknappen.’
De papyrus: ‘De bomen zijn gebroken. De vruchten en de gewassen zijn verloren…’

Exodus: ‘… vuur schoot naar de aarde en er flikkerde vuur door de zware hagelbuien heen.’
De papyrus: ‘… de deuren, zuilen en muren worden verteerd door het vuur.’

Zo gaat het verder. In beide geschriften is sprake van vlas en gerst die verloren gingen.
Exodus: ‘Zodat er geen groen meer overbleef aan boom of veldgewas in het gehele land Egypte.’
De papyrus: ‘… het graan is overal verloren gegaan. Wat gisteren nog stond is nu verwoest. Het land biedt een troosteloze aanblik als het afsnijden van vlas…’
Het was dus geen langzaam proces; de verwoesting kwam in één dag.
De papyrus: ‘Er zijn vruchten noch gewassen… honger.

Exodus: ‘Dan zal de hand des HEREN zijn tegen uw vee dat in het veld is … een zware pest.’
De papyrus: ‘De harten van alle dieren wenen. Het vee kreunt…’
Exodus: ‘Laat uw kudde en alles wat gij op het veld hebt in veiligheid brengen, … maar wie geen acht slaat op het Woord des HEREN, liet knechten en kudde op het veld…’
De papyrus: ‘Zie, het vee dwaalt rond en er is niemand om het bijeen te drijven.’

Exodus: ‘… en er was een dikke duisternis in het gehele land.
De papyrus: ‘Het land is niet licht.’ (In het Egyptisch betekent ‘niet licht’: zonder licht, of gewoon donker.)

En zo gaat het verder, zelfs met de verwoesting van de huizen. In Exodus staat: ‘De engel des HEREN ging voorbij aan de huizen van de kinderen van Israël.’ En ook: ‘Er was een luid gejammer in Egypte, want er was geen huis waarin geen dode was.’
De papyrus: ‘Allerweg zijn mensen die één van de hunnen begraven.’ En: ‘In heel het land weerklinkt gekreun, vermengd met gejammer.’

Exodus spreekt van de eerstgeborenen en de gevangen die in de kerkers waren, die gedood werden.
De papyrus: ‘Kinderen van prinsen worden tegen de muren geworpen … [er vond een aardbeving plaats] … de kinderen van prinsen worden op straat geslingerd.
En wat betreft de gevangene in zijn kerker zegt de papyrus, dat de gevangenis verwoest wordt. Ook daar stierven mensen.

Er zijn meer overeenkomsten, maar ik geloof dat ik uit beide bronnen voldoende heb aangehaald om elke serieuze lezer of luisteraar ervan te overtuigen dat we hier twee documenten van ooggetuigen hebben die dezelfde gebeurtenissen beschrijven en waarvan het ene dateert uit de tijd toen deze gebeurtenissen plaatsvonden en kort daarna werd geschreven. Daarna volgden nog, zoals er staat geschreven, jaren van lawaai. Lawaai is ‘raasj’ in het Hebreeuws. Dit woord betekent ook aardbeving, omdat een aardbeving lawaai maakt.

Ik was opgewonden. Ik had het gevoel dat dit een ontdekking was die grote consequenties zou hebben. Ik zocht naar meer bewijsmateriaal, naar een tweede bron. En al spoedig vond ik die ook. De Ipoewer tekst is een papyrus; de naos van El-Arisj is een steen. Deze steen was al verschillende reizigers opgevallen. De bedoeïenen van El-Arisj gebruikten deze steen bij het voederen van hun vee. De steen was omvergeworpen en gevuld met water. Het vee kon er uit drinken of eten. Het was een naos, een soort tempeltje of relikwieënkastje. Rondom zijn inscripties aangebracht, in hiërogliefen. Ik leer er enkele voor:

‘Rampen troffen het land. Onheil kwam over de aarde… Er was een totale ontreddering in de residentie… Niemand verliet het paleis negen dagen lang en gedurende deze tijd van ontreddering stond er zo’n storm dat de mensen en zelfs de goden het gezicht van elkaar niet konden onderscheiden.’
En in het boek Exodus staat geschreven: ‘… en er was drie dagen een dikke duisternis in het gehele land. Men kon elkaar niet zien noch van zijn plaats opstaan.’

En we lezen in Exodus: ‘En de HERE zond een zeer sterke westenwind, die de sprinkhanen meevoerde en ze in zee dreef.’ En zo ook in de midrasjiem, die gedeeltelijk zeer oud zijn, sommige gedeelten zelfs ouder dan de Bijbel. [Volgens] Josephus Flavius, Philo van Alexandrië en andere rabbijnse bronnen, zoals we die vinden in Ginzbergs Legenden van de Joden: ‘Zeven dagen stond er een sterke westenwind. Al die tijd was het land gehuld in duisternis, een duisternis zo erg, dat geen lamp meer baatte. Elk vuur werd gedoofd door de storm, of het werd onzichtbaar. Het licht werd door de duisternis verzwolgen. Niemand kon spreken of horen of voedsel tot zich nemen. Iedereen legde zich neer, geheel verdoofd. Zo wachtten ze af, overweldigd door de plaag.’

Dit is een rabbijnse beschrijving van de gebeurtenissen, vermeld in de Bijbel. De gelijkenis met de beschrijving op de naos van El-Arisj is opvallend. Er is sprake van een natuurramp, maar op de naos lezen we ook, dat de Farao omkwam in de zee op de plaats van de kolkende maalstroom. Niet de bozen overwonnen zijne majesteit. Hij sprong in de plaats van de kolkende maalstroom. Hij ging het water in. En in Exodus staat dat de zee terugvloeide en de Egyptenaren vluchtten haar tegemoet en de HERE deed de Egyptenaren te niet in het midden van de zee. De wateren vloeiden terug en bedekten de wagens en de ruiters van de gehele legermacht van Farao, die hen in de zee achterna getrokken was. In Exodus staat dat de paarden van Farao met de wagens het water ingingen, net als op de steen. De farao ging het water in en de HERE deed ze door de zee overspoelen.

Dit alles bewijst nog onvoldoende dat de verhalen identiek zijn, al ontbreekt er niet veel aan. Maar waar vond dit alles plaats? In de Bijbel staat dat deze gebeurtenissen plaatsvonden bij Pi-Hachiroth. ‘Pi’ betekent mond. ‘Chiroth’ is een of andere naam. ‘Ha’ is een lidwoord, zoals ‘de’. Op de steen wordt dezelfde plaats genoemd. De zoon van de Farao gaat de omgekomene zoeken. Hij vindt het land verwoest en hij komt tenslotte bij een plaats genaamd Pi-Charoti. De gebeurtenissen bij de zee te Pi-Hachiroth, waarvan de Israëlieten getuige waren, wordt in een ander ‘document’ door de Egyptenaren eveneens beschreven. Het was dus niet zomaar een mythologisch verhaal, maar een werkelijke gebeurtenis, door mensen waargenomen.

Zie http://www.sciencehistoryfaith.com/History-The_Ten_Plagues_of_Egypt.html
Evenals: http://www.simchajtv.com/proof-of-the-exodus/
En van dezelfde schrijver: http://blogs.timesofisrael.com/decoding-the-el-arish-stone-blog-entry-2/

In april 1940 kwam deze gedachte bij me op. Een half jaar later kwam ik tot de denkbeelden die ik uiteengezet heb in mijn boek ‘Werelden in Botsing’. De vraag die ik me nu stelde was: Wanneer vond de uittocht plaats? Want er zijn vele theorieën waarover Bijbel geleerden en Egyptologen het niet met elkaar eens zijn. Het tijdstip van de uittocht blijft een mysterie. Was het tijdens de 18e dynastie, onder een van de Farao’s van de 19e dynastie, of zelfs tussen de 19e en 20e dynastie in of aan het begin van de 20e?

Maar in het papyrus Ipoewer staat een aanwijzing. Daarin staat namelijk dat tijdens de periode van duisternis, de Amoe, een Bedoeïenenvolk, uit de woestijn opgetrokken, de grenzen overschreden en Egypte bezetten zonder weerstand te ondervinden, ze overheersten het land, gingen zich te buiten aan vandalisme, vernielingen en gewelddaden. Griekse geschiedschrijvers noemen dit volk de Hyksos. In Egyptische bronnen worden ze Amoe genoemd.

Ik stelde me vervolgens de vraag: Toen de Israëlieten Egypte verlieten en het relatief kleine driehoekige stuk land introkken, het schiereiland Sinaï, was het hoogst waarschijnlijk, dat ze op de Amoe zouden stoten. Als de Amoe Egypte binnenvielen en de Israëlieten uit Egypte wegtrokken, moesten ze elkaar toch ontmoeten? Ik ging toen verder zoeken in bibliotheken om te zien wat de Arabische bronnen ons op dit punt te zeggen hebben. Ik werd niet in mijn verwachtingen teleurgesteld. We beschikken over veel Arabische geschriften uit de middeleeuwen en de schrijvers hiervan hebben geput uit oudere bronnen. En zo vond ik het verhaal van het volk dat uit Arabië kwam en Egypte binnenviel en overheerste. Vele Arabische schrijvers maken er melding van. Massoedi, Tabari, Aboe-Fida, en vele anderen beschrijven deze gebeurtenis, met veel details, de namen van de aanvoerders en ook dat ze het land verwoestten en geen tegenstand ondervonden toen ze het overwonnen land binnentrokken en overheersten. Dit las ik voor het eerst in een boek van Noeldeke, een honderd jaar oud boek over de Amalekieten. Hij dacht dat het een legende was. Maar hier had ik nu het overeenkomstige verhaal van Egyptische zijde en de overeenkomst is onmiskenbaar.

Arabische auteurs noemen de Amalekieten Amoe of Amia. Maar in Egyptische bronnen lezen we dat in die periode de Amoe of Hyksos Egypte overheersten tijdens het tweede interregnum, 400 à 500 jaar. Als dit zo is, wat zegt de Bijbel dan en wat vermelden de midrasjiem? En de Bijbel zegt dat toen de Israëlieten uit Egypte trokken naar Palestina, ze de Amalekieten op hun weg vonden. Hun wegen kruisten elkaar. Aanvankelijk waren ze bevreesd, zo talrijk waren de Amalekieten. Mozes zei tegen het volk dat het niet bang moest zijn. Hij waarschuwde ze ook, de Amalekieten niet aan te vallen. Ze werden teruggeslagen met zware verliezen. Door deze hindernis op hun weg naar Palestina moesten de Israëlieten veertig jaar in de woestijn blijven rondtrekken.

In ‘Ages in Chaos’ houd ik mij niet bezig met geografische problemen. Dat doe ik in een boek gewijd aan historisch-geografische vraagstukken. Daarin roon ik aan dat die woestijn meer was dan het schiereiland Sinaï en ook een groot deel van Arabië omvatte. En we weten verder dat na de verovering of tijdens en na de verovering gedurende het hele tijdvak der Richteren de Israëlieten zich moesten verdedigen tegen de Amalekieten en de Midjanieten die, naar de Bijbel vermeldt, gewoon waren met hun vee en kamelen een land binnen te vallen vlak na de oogst en die te gebruiken als voeder voor het vee. Wat er overbleef namen ze mee, zodat de bevolking omkwam van de honger. Precies hetzelfde lezen we ook in de Egyptische bronnen.

In Richteren staat geschreven: Wanneer Israël gezaaid had, kwamen Midjan, Amalek en de stammen van het oosten opdagen en trokken tegen hen op en vernielden het veldgewas tot bij Gaza en lieten geen leeftocht over in Israël, geen schaap, geen rund of ezel. Want ze trokken op met kudden en tenten. Ze kwamen, talrijk als sprinkhanen. Ze waren niet te tellen, zij noch hun kamelen en zij kwamen het land verwoesten zodat Israël zeer verarmde.

In de Hermitage in Leningrad bevindt zich een papyrus ingeschreven onder nummer 1116B, waarin staat dat de machtige Amoe naderen en als een woeste horde de landbouwers bij hun oogst overvallen. Ze nemen de runderen mee die gebruikt worden bij het ploegen. Het land wordt geheel verwoest en niets blijft er over. Dezelfde beschrijving, dezelfde gewoonte, in dezelfde tijd. Zo was het tot de tijd van Saul, de eerste koning van Israël. We weten ook dat Saul de Hyksos nog bestreden heeft [d.w.z. de Amalekieten, zie 1 Sam. 14:48].

Interessant is dat in Egyptische bronnen vermeld wordt dat onder een latere Hyksos-dynastie de Hyksos zich vermengden met Filistijnen en in de Schrift lezen we het verhaal hoe Saul, de eerste koning van Israël, ten strijde trok en een stad belegerde, de hoofdstad van de Amalekieten (15:5). De naam van de stad wordt in de Bijbel niet genoemd. Maar we hebben een beschrijving van een Egyptische officier die deelnam aan het beleg van de hoofdstad van de Amalekieten, van de Amoe. De naam van de stad was Avaris. Hij lag, en hij ligt nog, want de plaats is nog steeds bewoond, aan de kust van de Middellandse Zee. Van daaruit konden de Amalekieten zowel Palestina en Syrië in het noorden als Egypte in het zuiden overheersen en de opgelegde schattingen innen. We hebben de beschrijving hoe Saul de koning gevangen nam. Er waren veel mensen, veel soldaten in de stad. Saul bood een groot aantal strijders vrije aftocht uit de stad. Avaris moet een zeer grote vestingstad geweest zijn, misschien de grootste uit de oudheid. Ik meen in mijn boek te hebben aangetoond dat het huidige El-Arisj Avaris is – El-Arisj … de klank wijst er ook op. Ik hoop dat men er eens tot opgravingen komt. Het is zeer goed mogelijk dat de Amalekieten voor ze zich overgaven daar schatten begraven hebben die we zouden kunnen terugvinden. Saul nam de koning der Amalekieten, Agag, gevangen. Ik ga u geen Bijbelse geschiedenis vertellen. U weet uit de Bijbel hoe Saul later stierf en hoe zijn lijk aan de muur van Beth-San werd gehangen.

Ik had het gevoel dat ik de reis de geslachten door begonnen was en de eerstgevonden parallellen in latere bronnen telkens opnieuw bevestigd werden.

Wat betreft deze laatste zin, die uiteraard een EO-vertaling (van Glashouwer) van Velikovsky’s woorden is, neem ik aan, dat met die reis door de geslachten bedoeld wordt de convergentie tussen de Egyptische en Bijbelse geschiedenis, waarvan nu deel I is behandeld, namelijk van de Uittocht uit Egypte tot de stichting van het koninkrijk Israël onder Saul.

Zie https://www.biblicalarchaeology.org/daily/ancient-cultures/ancient-near-eastern-world/the-expulsion-of-the-hyksos/

Voor een alternatieve kijk, zie: Roger Henry, ‘Synchronized Chronology: Rethinking Middle East Antiquity : a Simple Correction to Egyptian Chronology Resolves the Major Problems in Biblical and Greek Archaeology’, New York 2003, p. 30 (voor Avaris = El Arish). (Zie http://www.algora.com/52/book/details.html) [Zie de Engelse beschrijving verderop.]

En ook J. Eric Aitchison, ‘Revisiting Velikovsky: An Audit of an Innovative Revisionist Attempt’, ebook 2016. (Zie voor de gehele inhoud: https://www.amazon.com/Revisiting-Velikovsky-Innovative-Revisionist-Attempt-ebook/dp/B01LOIA4AW)

Over catastrofisme, zie http://www.catastrophism.com/intro/index.php

Uuras Saarnivaara, ‘Can the Bible Be Trusted?: Old and New Testament Introduction and Interpretation’, 2008 = 1983, 248.

http://mithrandironchronology.blogspot.com/2014/11/on-amalekites-and-hyksos.html

Een discussie in een blog: https://againstjebelallawz.wordpress.com/2011/07/16/velikovsky-and-amalek/

Voor een Nederlandstalige presentatie: https://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1477260000&stopdatum=1477864800

Over het boven vermelde boek van Roger Henry, ‘Synchronized Chronology: Rethinking Middle East Antiquity’:

Imagine how distorted our understanding of ancient history would be if the chronological framework around which it was built had several extra centuries added. What if the backbone of Egyptian dynasties contained duplicates?

A revolutionary perspective on the Egyptian dynasties allows for correlation with Biblical chronology and classical history – clearing up nagging discrepancies between the findings of archaeology and the assertions of history.

About the Author:
Incurably piqued by the contradictions identified by Immanuel Velikovsky in his much-loved “Ages in Chaos,” and dissatisfied with the explanations given by Peter James in Centuries of Darkness, Roger Henry felt compelled to make public his own discoveries in the course of 25 years of research into the nagging discrepancies between the findings of archaeology and the assertions of history.

Henry’s writings have been published in several California newspapers. This is his first book.

About the Book:
Synchronized Chronology resolves the structural problems of Egyptian chronology and then outlines the correct history of the Middle East and Mediterranean from the time of Abraham and his wandering into the Empire of Alexander the Great. Recognizing some overlapping of dates and names in Manetho’s List of Kings, frees history to place pharaohs and dynasties where archaeology supports their existence. This resolves a myriad of discrepancies and unlikely assumptions that historians have been forced to swallow, and neatly opens the way to synchronizing Egyptian dynasties with Biblical chronology.
Several works have appeared in recent years, challenging Egyptian chronology; none is really successful in fixing the multi-layered problems of Biblical chronology, because they try to compress Egyptian history without recognizing duplicated dynasties.

The crisis in Biblical history is reflected in The Bible Unearthed. Palestinian archaeologist William Dever has just published What Did the Biblical Writers Know, and When Did They Know It? Peter James received wide attention for his Centuries of Darkness; David Rohl, in Pharaohs and Kings, relies on the recent archaeological work of Beitak at Tel Dab’a in Egypt. The evidence is compelling that the site’s population before the Hyksos took over was none other than the Hebrews. Rohl’s work, on the period preceding the Exodus, is complementary to The Synchronized Chronology. Like James, however, he tries to squeeze the remaining Egyptian dynasties without discarding the duplicates. It doesn’t work.

Anyone who enjoys ancient history, archaeology, or a good mystery will find this an intriguing read. The controversial theory is well-researched and sure to generate debate.

Preface:
Imagine how distorted our understanding of ancient history would be if the chronological framework around which it was built had several extra centuries added. What if the backbone of Egyptian dynasties contained duplicates? If they were far enough back in time there would be no outside reference for comparison. But if duplicates occurred while Greeks and Hebrews were recording history there would be a very predictable consequence. The archaeological remains of the pharaohs from the duplicated dynasties, those with Greek and Hebrew names, would be missing from Egypt.

At the same time, the dynasties with Greek names would be prefigured further back in time with Egyptian names. Those pharaohs would have left abundant archaeological, even monumental, remains. An entire history would be built around the writings left by these pharaohs. And just as surely the Greeks and Old Testament writers would know nothing of those.

How would the effects of this distorted history manifest on those surrounding cultures whose archaeology is cross-dated to Egypt? Greek pottery placed as funerary gifts in pharaohs’ tombs locks two chronologies. But Greek history does not have the kind of rigid dating seen in the Hebrew scriptures. So the two main ‘victims’ of faulty Egyptian chronology would be affected in dramatically different ways.

In the following pages, I assert that this is precisely what has happened. While some details of any review of antiquity are bound to be left open to question, I hope the ideas presented here will challenge those engaged in the study of these civilizations to take a fresh look at some important assumptions. On the one hand, Greek history has been forced to accommodate a Dark Age following the Trojan War, in contradiction to what the Greeks themselves believed happened. Their history indicates that Dorians moved south two generations after the war and so overcrowded eastern Greece with refugees that they had to send out colonies. Archaeologists have bullied historians into accepting a very different version: that, basically, after the war the culture collapsed and Greece was uninhabited for 500 years. Hypothetical (read ‘pretend’) evidence has been used for so long to minimize this gap that nobody even realizes it is happening. But at least the distorted sequences of Greek history remain intact.

What happens when there is a complete rigid history paralleling Egyptian history? Which history will be trusted? Will the Old Testament Chronicles, with sequentially dated reigns of kings and judges for over 1500 years, be accepted? Or will it be assumed that disagreements with Egyptian archaeology disqualify scripture?

The battle between these two versions of history will be the subject of this work. It spans a great deal of time and territory. It is quite impossible to be an expert in all the disciplines touched by the reconstruction. And a certain amount of seemingly boring (at least to the layman) material must be included to support the theory. Those parts or chapters can be skipped, by the casual reader, without losing the story.

It took fifteen years of research before I felt qualified to undertake the project. It then took five years to write and refine the work. I can only thank my family for their patience, and my long time friend and consummate historian Vern Leming for his editorial efforts.

Er volgt in een later stadium nog een aparte aflevering over de papyrus van Ipuwer.

Lees het vervolg: Het Velikovsky Syndroom (5): Eeuwen in Chaos (Tweede akte).

http://robscholtemuseum.nl/?s=Velikovsky

Leave a comment

Your email address will not be published.

*