Cor Hendriks – Het Velikovsky Syndroom (25): Koning David en de Grondsteen

Door Immanuel Velikovsky wordt in Worlds in Collision niet veel aandacht besteed aan koning David. Op pagina 252 merkt hij op, dat vaak hemelse verschijnselen de vorm van zwaarden aannamen. Zo verscheen in de dagen van David een komeet in de vorm van een mensenwezen “tussen de aarde en de hemel, met in zijn hand het getrokken zwaard, uitgestrekt over Jeruzalem.” (I Kronieken 21:16) Velikovsky verbindt dit met de planeet Mars, hoewel Mars pas in de 8e eeuw BC een grote en gevreesde god werd in Babylon.

Op pagina 278 vermeldt hij, dat de steen, waarop de tempel van Salomon was gebouwd – de Eben Shetiya of vuursteen – een bolide is, die viel aan het begin van de 10e eeuw, in de tijd van David, toen een komeet, die de gedaante had van een man met een zwaard, in de lucht werd gezien. Dit wordt door Velikovsky verbonden met het heilige schild van Numa te Rome, de ancile (= het uit de hemel gevallen heilige schild) van Romeinse Mars, die een bolide was, die aan het begin van de 7e eeuw uit de hemel viel en oorspronkelijk van Mars afkomstig was. Maar hij laat deze passage voorafgaan door een over stenen afkomstig van Venus, zoals het beeld van Venus op Cyprus een steen was, die uit de lucht was gevallen. Het palladium van Troje was een steen, die op de aarde viel “van Pallas Athene” (de planeet Venus). De heilige steen van Tyrus was eveneens een meteoriet, gerelateerd met Astarte, de planeet Venus. “Reizend over de aarde, vond zij [Astarte] een ster vallend uit de lucht of hemel, die ze opnam en wijdde aan het heilige eiland [Tyrus].” Te Aphaea in Syria viel een meteoriet, die gedacht werd Astarte zelf te zijn, en een tempel van Astarte werd ter plaatse gebouwd; festivals werden regelmatig getimed om samen te vallen met de verschijning van Venus als de Morgenster of Avondster.

Allereerst is er de motivatie achter de reden, waarom de ster van David wordt verbonden met Mars, die gelegen is in het voorkomen als een man met een zwaard. Het zwaard is echter ook onderdeel van de uitrusting van de godin Athena, die volgens Velikovsky de planeet Venus is, voordat deze in zijn huidige baan kwam. Athena is een uitgesproken krijgsgodin in de Ilias. Ook is het tijdstip van het verschijnen van de komeet in de tijd van David op geen enkele wijze in overeenstemming te brengen met de tijd van het optreden van Mars, zijnde de 8e eeuw. Dus is het meest logische, dat de komeet van David de komeet Venus was en het zwaard gericht op Jeruzalem de bolide, afkomstig van de komeet.

Er bestaat een merkwaardige en weinig bekende sage over David verbonden met de Eben Shetiya (‘grondsteen’, zie https://en.wikipedia.org/wiki/Foundation_Stone), waarin een belangrijke rol wordt gespeeld door Achitofel. De voornaamste raadsman van David was Achitofel (Ahithophel: 1 Kronieken 27:33, 2 Samuel 15:31; 16:23), een zeer wijze, maar goddeloze man; het was zijn wens David van de troon te stoten en die zelf te bestijgen. Hij werd hierin gesterkt door tekenen in de sterren [!], die, naar hij meende, op zijn koningschap wezen, maar betrekking hadden op Bathseba, zijn kleindochter (…). Toen de fundamenten van de tempel door David gelegd zouden worden, vond men op een diepte van 1500 el een potscherf. “Beproef mij niet te verwijderen,” riep deze David toe, “want ik lig hier op Gods bevel om de afgrond te overdekken. Bij de Wetgeving [op de berg Sinaï] dreigde de aarde onder de machtige stem van God [Deka-logos] te vergaan en in de afgrond te storten en toen legde God mij hier neer om het water van de afgrond tegen te houden.” David stoorde zich echter niet aan deze woorden en nam de potscherf weg, waarna het water opborrelde en de aarde dreigde te overstromen. Achitofel zag dit met vreugde aan, want hij meende reeds, dat het laatste uur voor David geslagen was. In zijn wanhoop riep David uit: Wie een middel weet, om het water tegen te houden en het niet aanwendt, zal zichzelf eens van het leven beroven.” Toen werd Achitofel bevreesd en schreef de naam Gods op de potscherf, waarna deze op de plaats terugkeerde en het water terugdrong. Het water zakte nu evenwel zo diep, dat de aarde haar vochtigheid dreigde te verliezen; nu sprak David zijn 15 liederen “Sjier Hammaäloth” (Lied der Stijging; psalm 120 134) uit, waardoor het water weer steeg [Staal, 171f; 2 Samuel 17:23: Achitofel hangt zich op].

In het artikel ‘Ahithophel’ van de Joodse Encyclopedie wordt het bovenstaande op een ietwat andere wijze beschreven:

Ahithophel rendered a service to David upon another occasion; not, however, until he had been again threatened with the curse. It appears that David excavated too deeply for the foundations of the Temple, with the result that earth’s deepest floods (http://d3sva65x0i5hnc.cloudfront.net/V01p292003.jpg) broke forth, and nearly inundated the earth. None could help but Ahithophel, who withheld his counsel in the hope of seeing David borne away upon the flood. When David again warned him of the malediction, Ahithophel counseled the king to throw a tile, with the ineffable name of God written upon it, into the cavity; whereupon the waters began to sink. Ahithophel is said to have defended his use of the name of God in this emergency by reference to the practise enjoined by Scripture (Num. van 23) to restore marital harmony; surely a matter of small importance, he argued, compared with the threatened destruction of the world (Suk. 53a, b). David’s repeated malediction that Ahithophel would be hanged was finally realized when the latter hanged himself [http://www.jewishencyclopedia.com/articles/993-ahithophel].

Hetzelfde artikel schildert Ahithophel als een zeer bijzonder persoon.

Ahithophel’s death was a great loss to David; for his wisdom was so great that Scripture itself (II Samuel, xvi. 23) avoids calling him a man; in the passage quoted the Hebrew word for man, http://d3sva65x0i5hnc.cloudfront.net/V01p293001.jpg, is omitted in the text, being supplied only by the Masorah. Indeed, his wisdom bordered on that of the angels (Yer. Sanh. x. 2; YalḲ. II Samuel § 142). His learning in the Law was also extensive, so that David did not scruple to call him “master” (Abot, vi. 2; the two things which David is there said to have learned from Ahithophel are more closely described in “Kallah,” 16a (ed. N. Coronel). Ahithophel’s disposition, however, was a jealous one; and he always sought to wound David by mocking remarks (PesiḲ. ii. 10b; Midr. Teh. iii. 3, and parallel passages in Buber, note 68). His devotion to the study of the Law was not founded on worthy motives (Sanh. 106b). Ahithophel was thirty-three years old when he died (l.c.). In his will he left warning to his children never to side against the royal Davidic family, and to take no part in their dissensions (Yer. l.c.). Ahithophel is counted among those that have no share in the world to come (Sanh. xi. 1; B. B. 147a).

Keren we terug naar het verhaal van de overstroming. Hetzelfde verhaal is ook opgenomen in het vierde deel van Traditional Cosmology van Marinus Anthony van der Sluijs (2011, 74f + n. 219):

A parallel from the Old World is a Jewish legend, according to which king David (fl. 10th century BCE), while laying the foundations for the temple at Jerusalem, caused a flood when he lifted the foundations for the temple at Jerusalem, caused a flood when he lifted the ’ębęn šǝtīyā or ‘foundation stone’, which covered up the watery abyss known as the tǝhōm:
And so you find that when David came to dig the foundations of the Temple, he dug fifteen hundred cubits and did not reach the nethermost void.
In the end he found one clay pot, and he wanted to remove it. It said to him, ‘You cannot do so.’ He said to it, ‘Why not?’ It said to him, ‘For I here am the cover over the great deep.’ He said to it, ‘And how long have you been here?’ It said to him, ‘From the time that I heard the voice of the All-Merciful at Sinai: “I am the Lord your God,” (Ex. 20:2), the earth shook and trembled. And I am set here to seal the great deep.’
Even so, [David] did not listen to it. When he removed the clay pot, the great deep surged upward to flood the world.
And Ahitophel was standing there. He said, ‘Thus will David be strangled [in the flood] and I shall become king.’ Said David, ‘He who is a sage, knowing how to stop up the matter, and does not stop it, will in the end be put to death through strangulation.’ [Ahithophel] said what he said and stopped up [the flood].” [Rabbi Ḥanīnā bar-Ḥamā (d. circa 250 CE) and Rabbi Manā (4th century CE), apud Jerusalem Talmūd: Sanhędrin, 10. 2SDD, tr. Neusner 1984: 345, paragraphing added. The cubit corresponds to 42.8 cm. Lewy (1950:344) offered a different ending: There upon it was decided to inscribe the Name of the Lord upon the stone and to throw it into the flood waters. Immediately the flood subsided, but the waters sank to so great a depth that the earth was now menaced by a drought. The inscription of Yahwę’s name on the stone undergirds Lewy’s (1950: 346) suspicion that Yahwę himself personified the foundation stone in this role: “(…) in the Jerusalemite Temple Jahweh throned above the opening by way of which the waters of the t’hôm were assumed to have flooded the earth” (et cetera)].

Het verhaal is ook opgenomen in het bekende Hamlet’s Mill van het schrijversduo Giorgio De Santillana en Hertha von Dechend, (1969: 220).

When David was digging the foundations of the Temple, a shard was found at a depth of 1500 cubits. David was about to lift it when the shard exclaimed: “Thou canst not do it.” – “Why not?” asked David. “Because I rest upon the abyss.” – “Since when?” – “Since the hour in which the voice of God was heard to utter the words from Sinai, ‘I am the Lord, your God,’ causing the world to quake and sink into the Abyss. I lie here to cover up the Abyss.
Nevertheless David lifted the shard, and the waters of the Abyss rose and threatened to flood the earth. Ahithophel was standing by and he thought to himself: “Now David shall meet with his death and I shall be king.” Just then David said: “Whoever knows how to stem the tide of waters and fails to do it, will one day throttle himself.
Thereupon Ahithophel had the name of God inscribed upon the shard, and the shard thrown into the Abyss. The waters at once commenced to subside, but they sank to so great a depth that David feared the earth might lose her moisture, and he began to sing the fifteen “Songs of Ascents,” to bring the waters up again.
The foundation stone here has become a shard and its name in tradition is Eben Shetiyyah, which is derived from a verb of many meanings: “to be settled, satisfied; to drink; to fix the warp, to lay the foundations of,” among which “to fix the warp” is the most revealing, and a reminder of the continuing importance of “frames.” Within that “frame” there is a surging up and down of the waters below (as in the Phaedo myth) which suggests catastrophes unrecorded by history but indicated only by the highly colored terminology of cosmologists.

Volgens de Mishna is de tempel gelegen boven de Tehom, de Hebreeuwse afgrond (abīme), volgens Symboles identiek met de Babylonische Apsu. Daarom wordt de opening in de rots de “Bek van Tehom” genoemd. Gewezen wordt onder andere op de Rots van Ornan, waar David de engel van de Heer zag en waar hij besloot het Huis van de Heer te plaatsen en waar later zijn zoon Salomon de Tempel zou plaatsen. Volgens de traditie was het brandofferaltaar gelegen op de top van de Rots van Ornan. Op deze wijze bevindt het altaar zich dus juist daar, waar de aarde doorboord werd door de as van de kosmos. Met deze Rots van Ornan wordt ook een steen geassocieerd: de steen Shethiyah, die geplaatst is in het heilige der heilige en die dient om de Ark te ondersteunen. Deze steen is weer te zien als die waarop Jacob zijn hoofd legde en een traditie vertelt ook, dat het dezelfde steen zou zijn, die door David naar die plek is toegebracht voor de tempel. Volgens de Rabbijnse traditie gooide God na de schepping vanaf zijn troon een “kostbare steen” in de afgrond; het ene eind drong diep door in de afgrond, het andere kwam uit de chaos op. Dit einde vormde een “punt” [stip!], die begon uit te dijen, op deze wijze de uitgestrektheid vormend, waarop de wereld werd gevestigd. Daarom werd de steen Shethiya genoemd, wat wil zeggen: de Grondsteen (het fundament) [Symboles, 210].

Dit laatste wordt ook verteld door Wikipedia. According to the sages of the Talmud, it was from this rock that the world was created, itself being the first part of the Earth to come into existence. In the words of the Zohar, The world was not created until God took a stone called Even haShetiya and threw it into the depths where it was fixed from above till below, and from it the world expanded. It is the centre point of the world and on this spot stood the Holy of Holies (see https://en.wikipedia.org/wiki/Foundation_Stone#Jewish_significance).

Meer specifiek: The Zohar relates, “When the Holy One, blessed be He, was about to create world, He detached one precious stone from underneath His throne of glory and plunged it into the abyss; one end of it remained fastened therein, whilst the other end stood above…out of which the world started, spreading itself to the right and left and into all directions.” Some of the Jewish sages say that this stone was called Shetiyah, which in Hebrew also means “drinking” because beneath it is hidden the source of all the springs and fountains from which the world drinks its water. An Arab tradition also states that all the fresh waters of the world have their origin under this rock. In the floor of the small cave (measuring about 14 feet square with a six foot ceiling) under the great foundation stone in the Dome of the Rock is round marble slab closing a well shaft known as “the well of the souls” (Bir al Arwah). A Muslim tradition holds this is the entrance into the bottomless pit, the abyss. The souls of the dead awaiting judgment are said to be audible beneath. The Talmud claims that this is the abyss above the primeval waters of creation and of the Flood (http://www.templemount.org/earlytm.html).

In het artikel ‘Imagining the Temple in Rabbinic Stone: The Evolution of the ʾEven Shetiyah’ van Naomi Koltun-Fromm uit 2019 wordt in het abstract gezegd:

The mythical ʾeven shetiyah, often translated as the “foundation stone,” marks the physical place where the Jerusalem temples once stood in the rabbinic imagination. In its earliest incarnation it identified the place where the ark of the covenant resided in Solomon’s Temple. Over the centuries it absorbed cosmogonic and eventually eschatological meaning. In later post talmudic rabbinic literature, it adopted another mythic trope – the seal on the tehom. I argue that these two separate narrative strands of a seal on the tehom under the Temple and ʾeven shetiyah in the Temple became intertwined, but only in late (post talmudic) rabbinic midrash. I trace this evolutionary trend and argue that while the early rabbis both innovated and reinvigorated older biblical and ancient Near Eastern cosmogonic motifs with their ʾeven shetiyah, the later rabbinic texts were influenced by Christian and Muslim competition for spiritual and earthly Jerusalem. The stone that started as a means for rabbinic self authorization became a reassertion of God’s control of history and protection of Israel and the world, but in the process displaced priestly authority (https://www.cambridge.org/core/journals/ajs-review/article/imagining-the-temple-in-rabbinic-stone-the-evolution-of-the-even-shetiyah/08F68027FFAA51698DB0A99E592B4746).

Interessant zijn de volgende noten bij het artikel:

19. Y. Sanhedrin 10:2 (29a), line 52. Translation by Sperber, “On Sealing the Abysses,” 48. I have only substituted “clay pot” for “pottery shard,” because it both better translates עציץ (according to Jastrow, Dictionary, 1102) and better fits the idea of a magic bowlm and or pot containing the chaos demon.

22. Pottery was used as a primary writing material, as paper and parchment were less accessible, particularly for incantations.

28. Liebes, Perakim, 181, also claims that the Babylonian text suggests that David simultaneously establishes the foundations of the world as well as the Temple, but I think he is reading too much into the talmudic text.

34. Thus, within the Babylonian tradition the semantic and geographic kinship of shittin and shetiyah certainly resonates. No doubt, the ʾeven shetiyah and the shittin share many similarities. They are both part of Mt. Zion’s bedrock, they are both primordial, they are both creations of rabbinic imagination, and their names may derive from the same Hebrew root and reflect ancient primordial foundation mythologies. Yet, the most notable discrepancies, location and function, point to vast differences as well. The ʾeven shetiyah locates itself in the holy of holies; the shittin are found under the altar, outside the sanctuary building, but within the innermost Temple courtyard. The ʾeven shetiyah sits hidden, without any apparent function, under the ark of the covenant; the shittin open into the courtyard with purpose: they collect the libations (M. Middot 3:3; Meʿilah 3:3), they are an integral part of the priestly sacrificial service and ritual infrastructure as imagined by the rabbis. Thus, while the shittin and shetiyah are most likely related semantically, the midrashim are not. The focal point of the ʾeven shetiyah texts are on the ʾeven shetiyah; the focal point of the David and tehom texts are on the shard or Name of God and the tehom. Moreover, in the Babylonian traditions of the shittin, the focal point is more specifically on the altar and the tehom; the shittin are secondary.

Uit Gabriel’s Palace: Jewish Mystical Tales:

One of the primary themes of this tale is a stern warning against tampering with the primary forces of creation. Here the tampering takes the form of lifting the Foundation Stone that covers the Abyss. Even though King David is more than sufficiently warned not to proceed by a voice coming from the stone, he insists on lifting the Foundation Stone purely to satisfy his curiosity and almost provokes a flood that will inundate the world. Then he reverses the process by dropping a potsherd with God’s Name inscribed on it into the Abyss. The water recedes and the danger passes. Note that King David is not certain if such a use of God’s Name is permitted and virtually forces the others to approve his action. This clearly indicates that he recognizes the grave step he is taking in making use of God’s Name. A Talmudic variant of this tale gives the origin of the Foundation Stone and its history. According to this legend, God restrained the waters of the deep, known as Tehom, from rising up, and enforced this by placing a stone above it, on which God engraved His Name. God removed this stone only once: to bring on the flood in Noah’s day (Y. Sanh. 29a). This is one of several instances of the use of the Tetragrammaton in the Talmud (Gabriel’s Palace: Jewish Mystical Tales, 1994: 283).

Uit de Toledot Yeshu, geredigeerd door Michael Meerson en Peter Schäfer:

David digging the Temple’s foundation appears in b. Sukkah 53a-b. As he digs down into the earth, the Deep rises up and threatens to flood the world. David then takes a shard, writes the Ineffable Name upon it and throws it into the abyss, causing the flood to subside.
Nowhere does the story occur with exactly the same details as in the synoptic Todelot Yeshu, but it is clear how the authors of the Todelot could come up with those details by connecting the dots in the rabbinic tradition: God sinks into the Deep the Foundation Stone on which Jacob poured oil in Bethel. When David opens the Deep, it almost floods the world. At that moment, the Foundation Stone rises up to the surface, displaying the Ineffable Name which, according to Tg. Ps.-J. Ex. 28:30 and Tg. Eccl. 3:11, is engraved on it and guarded by God “in great secrecy, so as not to arouse the evil inclination in the hearts of men, who would desire to know, with its help, all that shall come to pass in the end of time, until eternity.Since only the Ineffable Name is able to seal the waters of the abyss (Tg. Cant. 4:12), David copies the Ineffable Name on a shard and throws it back into the Deep. The world is saved, but the mission of guarding the Foundation Stone with the Ineffable Name is now imposed on priests and sages; therefore, they make copper dogs or lions and station them at the entrance to the Holy of Holies. This last detail seems to be a genuine addition by the authors of Todelot Yeshu (Toledot Yeshu: The Life Story of Jesus: Two Volumes and Database. Volume I (…), geredigeerd door Michael Meerson, Peter Schäfer, 2014: 66)

Uit Divine Scapegoats: Demonic Mimesis in Early Jewish Mysticism van Andrei A. Orlov:

(…) in Jewish lore, the primordial Stone additionally becomes the cosmic plug, intended to subdue and seal the waters of chaos. One can find such idea of the primeval waters’ sealing in the Prayer of Manasseh 1 3, in which the Deity seals the abyss with his glorious Name:

O Lord, God of our fathers, God of Abraham, Isaac, Jacob, and their righteous offspring; He who made the heaven and the earth with all their beauty; He who bound the sea and established it by the command of his word, He who closed the bottomless pit and sealed it by his powerful and glorious name (…)”

Although the Foundation Stone is not mentioned in this early passage, the reference to the divine Name parallels this entity insofar as the Eben Shetiyah was often associated with the Name. Targum Pseudo-Jonathan on Exodus 28:30 states that, in the beginning, God sealed up the mouth of the Tehom with the Foundation Stone, on which the divine Name was engraved. In the Babylonian Talmud, this protological act of the Deity was later replicated by King David, who similarly seals the waters of chaos with the stone inscribed with the Tetragrammaton. Here the primordial act of subduing of the chaotic waters is linked to the Temple’s foundation. Michael Fishbane notes that

“(…) the waters of Tehom are held in check by a stone (…) and this the foundation stone upon which the Temple itself was established. (…) Thus (…) the Temple serves as an axis mundi, or point of connection and intermediation between the divine realms above and the chaotic waters below. There is also a palpable trace in these accounts of the ancient mythic theme of the establishment of the world and the heavenly shrine upon the defeated waters of chaos. This topic is most famously known from the great battle and building scenes found in Enuma elish iv v; but one will also recall the striking link between the divine combat against the sea and the references to the building of a temple recorded in Exodus. 15:68, 17 (Andrei A. Orlov, Divine Scapegoats: Demonic Mimesis in Early Jewish Mysticism, 2015, 51f).

Michael Fishbane schrijft: In Midrash Shoḥer Ṭov 91. 7, God presses the ’eben shetiyah down into the abyss (tehomot) with his foot. The text adds that this place is the world navel, upon which the Temple was built. (Michael Fishbane, Biblical Myth and Rabbinic Mythmaking, 2005, 128, n. 50).

Cherubim op reconstructie van de Ark vergeleken met ivoorsnijwerk (foto talivirtualmidrash)

Cherubim op reconstructie van de Ark vergeleken met ivoorsnijwerk (foto talivirtualmidrash)

Het verhaal begint met David, die de Tempel wil bouwen. Hoewel het zijn zoon Salomon was, die de Tempel bouwde, is het niet onrealistisch aan te nemen, dat David ermee wilde beginnen en probeerde de grondsteen te leggen. Dat hij daarvoor 1500 el diep groef, is merkwaardig, althans uit bouwkundig oogpunt. Het getal is dus betekenisvol: het is de helft van 3000, wat een getal voor de volheid is; dus 1500 is het getal voor halverwege (tot de onderwereld?).

Hij vindt daar een pot of scherf. De pot doet denken aan de pot, die de visser opvist in 1001 Nacht, waarin Salomon een geest had opgesloten, verzegeld met het zegel van Salomon. De pot (of scherf) spreekt tegen David, zegt hem te laten liggen, wat exact hetzelfde advies is als gegeven wordt in het sprookje over het Slimme Paardje (ATU 531, zie http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-the-macaws-19-the-magic-horse-atu-531-1/) door de op de grond liggende veer of het sprekende paard, maar de held stoort zich niet aan dit advies, neemt de veer toch mee en komt erdoor in moeilijkheden. Zo ook stoort David zich niet aan de waarschuwing en neemt de “stop” weg, waardoor de opgesloten wateren worden bevrijd en de aarde dreigen te overstromen.

Er is ook overeenkomst met de zogeheten “doos van Pandora”, die geen doos was, maar een kruik, dus een aardewerk pot, die ze niet mocht openen, toch deed, waarop allerlei ellende ontsnapte tot ze het deksel sloot en alleen “hoop” overhield. De “doos” is afkomstig uit het sprookje van ‘Amor en Psyche’ van Apuleius, waarin Psyche een doosje krijgt met schoonheidscrème bestemd voor haar schoonmoeder Venus, dat ze niet mag openen, wat ze toch doet, waarop de opgesloten “slaap” ontsnapt en haar in een eeuwigdurende slaap stort, waaruit ze alleen ontsnapt doordat Amor haar vindt en de slaap terug in het doosje stopt.

In vloedmythen komen we de pot tegen in diverse situaties.

Kwaya (Lake Victoria): The ocean was once enclosed in a small pot kept by a man and his wife under the roof of their hut to fill their larger pots. The man told his daughter in law never to touch it because it contained their sacred ancestors. But she grew curious and touched it. It shattered, and the resulting flood drowned everything. [Kahler-Meyer, Emmi, 1971, “Myth Motifs in Flood Stories from the Grasslands of Cameroon“, in Dundes, Alan (ed.) The Flood Myth, University of California Press, Berkeley and London, 1988, 253f (http://www.talkorigins.org/faqs/flood-myths.html).

Hetzelfde is te vinden in African Mythology, A to Z, van Patricia Ann Lynch, Jeremy Roberts, 2010: p. 45: Kwaya (Tanzania) A man and woman had a pot that never ran out of water. They told their new daughter-in-law never to touch the pot. However, the curious young woman could not keep from touching it. The pot shattered, and the resulting flood drowned everything.

Pygmy: Chameleon, hearing a strange noise in a tree, cut open its trunk. Water came out in a great flood that spread all over the earth. The first human couple emerged with the water. (Parrinder, Geoffrey. African Mythology, Peter Bedrick Books, New York, 1967, 1982, p. 46 47).

Arekuna (Guyana): Shortly after people arrived on earth, all crops grew on a single tree. Makunaima and his four brothers cut down the tree, and water immediately poured from the stump, and with it came fish. One of the brothers made a basket to stop the water, but Makunaima wanted a few more fish for the rivers. When he lifted the basket just a little, water came out full force, flooding the earth. (Bierhorst, John. The Mythology of South America, William Morrow, New York, 1988, p. 7980).

Ook bestaan er mythen over vloeden, die werden gestopt.

Once the sea rose against the ancient city of Maturai. The gods were alarmed and, seeing this, Śiva appeared to Ukkirapāņţiyaŋ in a dream and told him to throw the lance which he (as his father, Cuntarapāņţiyaŋ) had given him against the fearsome sea. The Pāņţiyaŋ awoke and, after being urged again by the god, threw his spear at the sea, which became calm and lapped at his feet. Tamiḻccŏkkaŋ (Śiva) appeared, erected a maņḍapa, and said, “This will be the site of the first and second Carikam; the third will be on the bank of the Ganges” (David Dean Shulman, Tamil Temple Myths: Sacrifice and Divine Marriage in the South Indian Saiva (…), p. 71).

Idem, p. 75. To summarize: the Tamil flood myths are essentially myths of creation. At the end of each cycle of time, a flood destroys the world – except for the shrine situated at the world’s center and linked directly to the transcendent worlds above and below. At this spot God creates the universe once more by throwing back the waters of the flood, or by substituting for them a creative flood of seed or amŗta. The cosmogony implies the institution of order in the face of primeval chaos; hence the close connection between the Tamil flood myths and the legend of the birth of Tamil poetry and culture. Civilization and order oppose the forces of chaos out of which they emerge. Yet these forces are never wholly conquered; the violent flood will one day return to destroy the world, and it may survive inside the shrine in a limited, bounded form as part of the idealized, ordered microcosm at the center of the universe.

In The Flood Myths of Early China, van Mark Edward Lewis, 2012: p. 157 n. 40: Frazer, Folklore in the Old Testament, p. 102: the flood is unleashed by a curious monkey who opens the basket that contained it. In one Tamil myth the flood is unleashed by the elephant-headed God Ganeśa, who, in the form of a bird, caused a magic pot containing the waters of the flood to be overturned. See Shulman, “The Tamil Flood Myths and the Cankam Legend,” p. 303 306.

Cherub (foto hebrewinisrael)

Cherub (foto hebrewinisrael)

David wordt beschouwd de schrijver te zijn van een groot aantal van de psalmen in de Bijbel. Hoewel dit waarschijnlijk overdreven is, is het idee van David als psalmendichter sterk tegenwoordig, zoals we boven zagen met de toeschrijving aan David van de psalmen, die de wateren deden opstijgen. De psalm, die het meest in aanmerking komt als authentiek van David, is psalm 18, die ook is opgenomen in het tweede boek Samuel (hoofdstuk 22). Hierin wordt God, de Heer, aangesproken als ‘mijn steenrots … de Rots, bij wie ik schuil’, die hem heeft verlost van zijn vijanden.

Voorwaar, baren [i.e. golven] des doods hadden mij omvangen
en stromen [i.e. rivieren] van verderf hadden mij overvallen,
banden van het dodenrijk hadden mij omgeven,
valstrikken van de dood lagen op mijn weg.

Toen het mij bang te moede was, riep ik de Heer aan;
tot mijn God riep ik.
En Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep klonk in Zijn oren.

Toen dreunde en beefde de aarde,
de grondvesten van de hemel sidderden
en daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was.
Rook steeg op uit Zijn neus,
verterend vuur kwam voort uit Zijn mond,
kolen raakten erdoor in brand.

Hij neigde de hemel en daalde neer,
donkerheid was onder Zijn voeten.
Hij reed op een cherub en vloog,
Hij verscheen op de vleugels van de wind.

En Hij stelde het duister tot een beschutting rondom Zich:
duistere wateren, wolkengevaarten.
Van de glans vóór Hem
raakten vurige kolen in brand.

De Heer deed de donder uit de hemel weerklinken,
de Allerhoogste verhief zijn stem.
Hij schoot pijlen en verstrooide hen,
bliksemen en brachten hen in verschrikking.

Toen werden de beddingen der zee zichtbaar,
de grondvesten der wereld kwamen bloot
door het dreigen van de Heer,
vanwege het blazen van de adem van Zijn neus.

Hij reikte van omhoog, greep mij,
trok mij op uit grote wateren.
Et cetera.

Cherub van ivoor (foto wyac)

Cherub van ivoor (foto wyac)

De Heer, dat is Jahwe, rijdt op een cherub (dat is engel, vliegend paard als Pegasus) en vliegt naderbij, een grote wind veroorzakend, die de zeewateren wegblaast. Maar na het passeren van de komeet komen deze weggeblazen wateren weer terug en veroorzaken een overstroming. Het is onduidelijk hoe we de redding van David moeten zien, maar de hand uit de hemel is een bekend beeld evenals de redding uit zee. De grondvesten van de wereld, die bloot kwamen, doen denken aan de grondsteen en de potscherf, die bloot werden gelegd door David.

Het citaat over David van Velikovsky is afkomstig uit het 21e hoofdstuk van het eerste boek Kronieken, dat begint met de opmerking: “Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan Israël te tellen.” Het is de eerste keer, dat Satan genoemd wordt. Het verhaal over deze volkstelling is ook te vinden in het tweede boek Samuel, kort na de bovenstaande psalm. Hier luidt de eerste zin: “De toorn des Heren ontbrandde weer tegen Israël. Hij zette David tegen hen op en zei: ‘Ga, tel Israël en Juda.’” Dus Satan en de Toorn van Jahwe zijn identiek. Dus David begaat een overtreding, min of meer als in de legende, waar de potscherf zegt hem niet op te nemen. Dus David voerde de telling uit. “Maar de zaak was kwaad in Gods ogen en Hij sloeg Israël.” (1 Kronieken 21:7) Deze zin is niet in het boek Samuel te vinden en is ook voorbarig, want het ‘slaan’ moet nog gebeuren. Toch wordt het aangevoerd als reden voor Davids wroeging, waarover alleen het boek Samuel spreekt. In beide boeken bidt David en stuurt de Heer een profeet, die namens de Heer aan David de keuze voorlegt uit drie kwaden: zeven jaar hongersnood, drie maanden vluchten voor zijn tegenstanders of drie dagen pest, dat wil zeggen, dat het zwaard des Heren, de pest in het land heerst en de engel des Heren in het gehele gebied van Israël verderf brengt. Alleen al deze laatste specificatie laat zien, dat David niet echt een keuze had en dat het laatste onvermijdelijk was. “Dus bracht de Heer de pest over Israël en er vielen van Israël 70.000 man. Ook zond God een engel naar Jeruzalem om dat te verdelgen, maar zodra hij daarmee begon, zag de Heer het, en het onheil berouwde Hem; Hij zei tot de verderfengel: ‘Genoeg! Laat nu uw hand zinken.’ De engel des Heren stond toen bij de dorsvloer van de Jebusiet Ornan (of Arauna). Toen sloeg David zijn ogen op en zag de engel des Heren staan tussen hemel en aarde, met in zijn hand het getrokken zwaard, uitgestrekt over Jeruzalem (…)” De profeet Gad geeft David namens de Heer opdracht om een altaar op te richten op de dorsvloer van Ornan, wat hij doet, waarop de Heer de engel het bevel gaf zijn zwaard in de schede te steken. “En de plaag werd van Israël weggenomen.

Velikovsky interpreteert het zwaard als een bolide, maar in het verhaal is geen sprake van een bolide, die inslaat, want er vallen geen doden bij Ornan en zijn mensen. Volgens Velikovsky heeft de komeet Venus twee staarten, vanwaar het beeld van een stier, et cetera . Deze staarten zijn elektrisch geladen en nemen diverse vormen aan. Het zwaard is een van die staarten, die vol kosmisch stof zit, wat de oorzaak is van de pest. Deze pestuitbraak houdt op, zodra de komeet is overgetrokken. Het idee van een bolide is meer in overeenstemming met het bovenstaande verhaal over David, die 1500 el diep graaft. Ook past het goed bij het verhaal van psalm 18, maar in de OT verhalen zie ik geen bevestiging.

Meer informatie
http://robscholtemuseum.nl/?s=Velikovsky
http://robscholtemuseum.nl/?s=Immanuel+Velikovsky
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-1-introductie/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-2-werelden-in-botsing/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-3-aarde-in-beroering/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-4-eeuwen-in-chaos-eerste-akte/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-5-eeuwen-in-chaos-tweede-akte/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-6-eeuwen-in-chaos-ras-sjamra-ugarit/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-7-eeuwen-in-chaos-el-amarna-de-stad-van-echnaton/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-8-ten-besluite-van-de-eo-serie/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-9-de-zeevolken/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-10-ramses-ii-en-zijn-tijd/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-11-wereldbeelden-in-botsing/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-12-mijn-leven-met-velikovsky/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-13-mozes
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-14-de-papyrus-ipuwer/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-15-de-mythe-van-het-einde-der-tijden/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-16-en-de-tijd-schrijdt-langzaam-voort/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-17-god-wikt-en-de-mens-beschikt-gevolgd-door-de-velikovskiaanse-revolutie/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-18-j-broekhuis-de-tien-plagen-en-egypte/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-19-het-rampschip-aarde/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-20-de-assyrische-verovering-deel-1-de-tijd-van-jesaja/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-21-de-assyrische-verovering-2-de-assyriers-in-egypte/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-22-de-assyrische-verovering-deel-3-seti-de-grote/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-23-nieuwe-videos-met-pdf/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-24-de-ark-van-het-verbond-in-egypte-nieuwe-bewijzen/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-shasu-van-jahwe-nieuw-bewijs-voor-de-chronologie-van-velikovsky/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-velikovsky-de-khazaren-en-de-verdwenen-tien-stammen-van-israel/

Leave a comment

Your email address will not be published.


*