Cor Hendriks – Het Velikovsky Syndroom (22): De Assyrische verovering deel 3 Seti de Grote

Sennacherib werd opgevolgd door zijn zoon Esarhaddon, die zichzelf voor ‘all-powerful’ hield, maar in zijn twaalfde jaar tijdens een expeditie naar Egypte ziek werd en stierf. [De zaak wordt door Velikovsky te simpel voorgesteld, want Esarhaddon kwam wel degelijk in Egypte en nam zelfs de hoofdstad in, waarbij Taharqa de benen nam, maar vrouwen en kinderen verloor, zoals te lezen is in deze PDF: http://jan.ucc.nau.edu/gdc/ssea/vol31/kahn%20article.pdf van Dan’el Kahn. Een stele, die deze overwinning van 671 herdenkt en waarop de zoon van Taharqa, Ushanhuru, te zien is met een touw door zijn lip, neergeknield heel klein aan de voeten van de reusachtige Esarhaddon die ook Ba’al, de koning van Tyrus, vasthoudt, is te zien op https://nl.pinterest.com/pin/431923420488965574/] Hij had tevoren de opvolging van zijn zoon Assurbanipal geregeld en deze trof meteen voorbereidingen voor een campagne tegen Egypte, waar inmiddels Tirhaka de macht had gegrepen in Memfis. In –667 ging een groot leger op weg naar Egypte, Assurbanipal ging niet zelf mee, maar liet zijn generaals het werk opknappen met de troepenmacht samengesteld uit de vele onderworpen naties. Het leger, dat Tirhaka ertegen in het veld bracht, werd in de pan gehakt en toen Tirhaka in Memfis het nieuws van de nederlaag kreeg, nam hij snel een boot en zeilde stroomopwaarts naar Thebe, terwijl de Assyriërs zich meester maakten van de Ethiopische vloot, waarmee ze met de locale door de Ethiopiërs onderdrukte leiders snel konden doorstoten naar Thebe, waar ze tien dagen later reeds aankwamen, maar ook hier bleek Tirhaka reeds vertrokken; hij was de Nijl overgestoken en had zich daar verschanst.

Er is een interessant artikel van Timothy Kendall, getiteld ‘Why did Taharqa build his tomb at Nuri?’ (PAM Supplement Series 2.1, 2008, 117-147 https://www.academia.edu/16629315/Why_did_Taharqa_build_his_Tomb_at_Nuri). Het eerste wat me opviel was het volgende op p. 117. László Török heeft onlangs erop gewezen dat de afstand tussen de oude necropolis van el-Kurru en het Amon-heiligdom te Jebel Barkal op de rechteroever [van de Nijl] vrijwel hetzelfde is als die tussen Nuri en het Amon-heiligdom te Sanam op de linkeroever – maar met omgekeerde richtingsrelaties. Zulk een tegengestelde relatie van de twee koninklijke begraafplaatsen, suggereerde hij, zou te maken kunnen hebben gehad met een cultische link tussen de twee heiligdommen van Jebel Barkal en Sanam gebaseerd op de metaforische implicaties van de locaal omgekeerde richting van de rivier, waar “oost” “west” werd en vice versa. Kendall becommentarieert: Hoe aantrekkelijk deze theorie op het eerste gezicht mag schijnen, de verderop aangevoerde gegevens tonen dat deze veronderstelde gespiegelde relaties van de twee necropolissen waarschijnlijk slechts toevallig is. Maar hoe toevallig is het, dat niet ver voor de tijd van Taharqa volgens Velikovsky de wereld omdraaide en ‘oost’ werkelijk ‘west’ werd, zoals in de mythe van Europa, die ontvoerd werd naar het westen?

Een ander iets is de ‘opvallende gelijkenis’ (remarkable parallels) tussen het ondergrondse plan van Nuri I en het Osireion te Abydos, gebouwd door Seti I, wat sommige geleerden ertoe bracht te suggereren dat Nuri I gebouwd was als een ‘Osireion’ voor Taharqa. (Kendall, 119f) In het conventionele schema gaat Seti I zo’n 600 jaar vooraf aan Taharqa, maar in het schema van Velikovsky is Taharqa vrijwel gelijktijdig, maar eerder dan Seti I. Er is een belangrijk verschil tussen Nuri I en het Osireion van Abydos, aldus Kendall. In dit laatste is de centrale vloer opgehoogd in de vorm van een ‘Oerberg’ (Primeval Mound), waarop de tombe lag, die zo omringd was door de wateren; maar in Nuri I is de centrale vloer niet verhoogd en ligt dus onder de waterspiegel, terwijl de vloer van de omringende in de rots uitgehakte gang erboven lag, waardoor toegang tot de onder water staande crypte aan de voor- en achterkant mogelijk was. Het lijkt moeilijk te geloven, aldus Kendall, dat de mummie en sarcofagen van de koning werkelijk in het water hebben gelegen dat de tombe onder water zette, maar er lijkt geen andere verklaring mogelijk. Ter ondersteuning voert hij een hymne aan Osiris uit Jebel Barkal aan, waarin regels voorkomen die suggereren, dat de mummie van de koning inderdaad in het water kan hebben gelegen. “Stralende jongeling, die in het oerwater (primordial water) is, geboren op de eerste dag van het jaar … Van de uitstroom van zijn leden drinken beide landen. Van hem is het geregeld dat het graan ontspruit uit het water Waarin hij is gelegen.” De Egyptenaren beschouwen de Nieuwjaarsdag als de geboortedag van Osiris zowel als Re, en ze vieren het als de verjaardag van de Schepping van de wereld, toen Re (als Atum) voortkwam vanuit de waterige Nun, zichzelf optillend op de Oerberg en de eerste goden voortbracht en de eerste zonsopkomst. Symbolisch is dit ook verbonden met de eerste opkomst van de levensgevende wateren van de Nijl. (K. 121) Het Osireion te Abydos, gebouwd door Seti I als een symbolische tombe voor Osiris en een cenotaaf voor hemzelf, is een ondergronds complex aan de westkant van Seti’s Osiristempel te Abydos. Het belangrijkste onderdeel is een grafkamer met tien massieve vierkante pilaren opgesteld in twee rijen van vijf. De centrale vloer, tussen de kolommen, was verhoogd boven de omringende vloer, die beneden de waterspiegel lag en permanent onder water stond. De verhoogde vloer recreëerde kennelijk onder de grond de ‘Oerberg’ der Egyptische mythologie, waarop de Scheppergod Re-Atum werd gezegd zichzelf opgericht te hebben aan het begin der tijd, omringd door het waterige ‘Nun’ – een motief, dat symbool staat voor generatie en regeneratie, waaraan ook Osiris deel had. Als een alter-ego van Re in de Onderwereld werd ook Osiris in staat geacht de Schepping te vernieuwen en jaarlijks de overstroming te brengen en de vruchtbaarheid van de aarde. Boven de grond was het Osireion bedekt met een berg aarde waarop bomen waren geplant. De bomen zouden een bewijs zijn van de magische generatieve kracht van de ondergrondse structuur. Aangezien Osiris een god van vegetatieve vruchtbaarheid was zowel als de waargenomen goddelijke voortbrenger van koningschap door zijn zoon Horus, moet het Osireion te Abydos tijdens de 19e dynastie bedoeld zijn geweest om niet alleen de jaarlijkse opkomst van de Nijl, de vruchtbaarheid van het land en de gods eigen regeneratie te garanderen, maar ook de vernieuwing en continuïteit van de koninklijke lijn, waarvan de god, hier geïncarneerd als Seti, geloofd werd de stichter te zijn. In Nuri I zijn gefragmenteerde canopische kruiken gevonden en ‘sjawabti’s’, beschreven met ‘Osiris Taharqa’. Zelfs al werden alle koningen (en alle stervelingen) gedacht zich te verenigen met Osiris in dood, schijnt Nuri I – net als Seti’s Osireion – ontworpen te zijn om te benadrukken dat Taharqa waarlijk en letterlijk de god was geworden en dat primeval koningschap, vruchtbaarheid en de continuïteit van de staat uitstraalde van het geheiligde wezen van deze koning, die de eeuwige koning was geworden. (K, 120)

In een ander paper (http://www.jebelbarkal.org/frames/B350.pdf) borduurt Kendall voort op het thema van het ‘Osireion’ van Tarhaqa. In dood werd iedere koning volgens het geloof Osiris, net als in het leven iedere koning zijn zoon Horus is. Volgens de legende werd Osiris vermoord door zijn broer Seth, god van Chaos, en gedegradeerd tot heerser over de Onderwereld. Zijn dood werd gewroken door Horus, die de goden opdroegen om de aardse wereld te regeren. Gezien de opvallendheid van de piramide van Taharqa en zijn ongewone onderaardse tombe is het waarschijnlijk niet onredelijk te vermoeden dat deze koning nauwer geïdentificeerd was met Osiris dan andere koningen in zijn dagen, want net als Osiris verondersteld werd vermoord te zijn door Seth en de krachten der Chaos, was Taharqa figuurlijk ‘vermoord’ door de Assyrische legers, de toenmalige ‘krachten der Chaos’, wier invasies van Egypte zonder precedent waren in de Egyptische geschiedenis, die bijna geen parallel hebben behalve in de Osiris-legende. Door zichzelf te laten begraven in een tombe die die van Osiris nabootst en door zichzelf in standbeeldvorm te mengen met de Jebel Barkal naald (die vaaglijk op een standbeeld van Osiris lijkt), probeerde de koning waarschijnlijk letterlijk Osiris te ‘worden’, de tragische eerste koning van de Egyptische mythe. In deze rol, ondanks de tegenslagen die zijn laatste regeringsjaren markeerden, kon hij misschien een gelukkige toekomst anticiperen waarin hij zou worden gewroken door een nieuwe Horus, die een teken zou zijn van een nieuwe en glorieuze tijd – een complete vernieuwing en wedergeboorte van de Egyptische staat onder Koesjitische heerschappij, aldus Kendall. En inderdaad kwam deze wedergeboorte er en rees de heuvel van Osiris op uit de Oerwateren en was het Seti I, die deze glorieuze tijd inluidde.

Tijdens de korte regering van Ramses I (i.e. Necho I) stierf Tirhaka in zijn hoofdstad Napata en liet een vrouw achter, Duk-hat-amun, en wie met haar zou trouwen kreeg recht op de troon. In de biografie van Suppiluliumas, samengesteld door zijn zoon Mursilis, wordt een brief geciteerd van een Egyptische koningin, genaamd Dakhamun. [Zie voor deze brief uit een niet met Velikovsky gerelateerde bron: full text of AkhenatenByEgyptianLibrary, p. 23 op https://archive.org/stream/AkhenatenByEgyptianLibrary/AkhenatenEgyptianMuseumInCairo-bySamySalah_djvu.txt.] De brief is eigenlijk een verslag, dat iets anders luidt dan Velikovsky citeert. “Toen stierf hun [i.e. de Egyptenaren] heerser, genaamd Fip-khuru-riya, net op dat moment; nu was de koningin van Egypte Dakhamun … zij zond een ambassadeur naar mijn vader en zei tegen hem: ‘Mijn echtgenoot is gestorven, en ik heb geen kinderen; jouw zoons zijn volwassen; als je me een van je zonen geeft, zal hij mijn echtgenoot zijn, hij zal van pas komen, zend hem dus.’ Suppiluliumas was echter op zijn hoede. Maar een huwelijksalliantie met Egypte zou in zijn voordeel kunnen zijn. Hij liet een hele tijd verloren gaan met nadenken. Toen schreef de koningin hem nogmaals: ‘Wat is dit dat je zegt: “Ze heeft me bedrogen” … en je denkt dat ik echtgenoot heb; maar hij is dood. Ik heb geen zoon; dus heb ik een dienaar genomen [dit moet zijn: moet ik soms een dienaar nemen]… Ik heb niet geschreven naar jou [dit moet zijn: naar een ander land]. Ik heb alleen naar jou geschreven; je zoons zegt men zijn volwassen; dus zend me een van je zonen en als mijn echtgenoot zal hij in het land Egypte koning zijn…’”

Daarop zond Suppiluliumas een zoon, maar een paar weken later kwam het nieuws dat de prins vermoord was, maar de achtergrond ervan is niet duidelijk. Dus het plan van de weduwe ging niet door en in plaats daarvan kwam Tandamane, een neef van Tirhaka, op de troon en deed een hernieuwde poging om de Ethiopische dynastie te vestigen. Hij versterkte Thebe en Heliopolis en belegerde het Assyrische garnizoen in Memfis. Van Herodotus weten we dat Necho I, door hem Necos geheten, na een zeer korte regering gedood werd door de Ethiopiërs (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Necho_I). Zijn jonge zoon ontkwam naar Palestina en leefde daar in ballingschap. Maar ‘toen de Ethiopiërs vertrokken vanwege wat hij zag in een droom, brachten de Egyptenaren van de provincie Sais hem [de zoon van Necho] terug uit Syrië.’ Maar de Ethiopiërs vertrokken niet vanwege een of andere droom, maar vanwege de naderende Assurbanipal, die het Egyptische leger in een grote veldslag versloeg, waarop Tandamane Memfis in de steek liet en zich terugtrok in Thebe, op de voet gevolgd door het leger van Assurbanipal, dat in 10 dagen een mars van 30 dagen aflegde. Toen Tandamane het leger zag komen, waagde hij niet nog een strijd, maar vertrok meteen naar Kipkipi en nooit meer staken de Ethiopiërs de grens met Soedan over.

Thebe lag voor het grijpen voor de troepen van Assurbanipal en werd ‘verbrijzeld (als door) een stormvloed.’ De voornaamste bewoners werden als krijgsgevangenen afgevoerd en daarmee werd de profetie van Jesaja vervuld (20:4). De woorden van Nahum over No, i.e. Thebe, zijn na te lezen met commentaar op http://biblehub.com/commentaries/nahum/3-8.htm. In het gevolg van Assurbanipal kwam ook de jonge banneling, Seti-Psammetich. De paragraaf over Necho I, die nu volgt, hoort eigenlijk voor de val van Thebe. Volgens Velikovsky is hij dezelfde als Ramses I (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Ramses_I), die wordt afgeschilderd als een opvolger van Horemheb. Maar in de reconstructie van Velikovsky is Horemheb in ca. 688 afgezet door Tirhaka en kwam Necho I c.q. Ramses I in 665 aan de macht. Velikovsky wijst op de overeenkomst tussen de titels van Horemheb en Ramses I voordat beiden aan de macht kwamen. Dit is omdat beiden zijn aangesteld door de Assyriërs, de eerste door Sennacherib, de tweede door Assurbanipal. Een overeenkomst, die mij opviel, is dat van beiden een standbeeld als schrijver bestaat. Het is dezelfde afbeelding als op de bovengenoemde Nederlandse Wikipagina, maar in het Engels staat erbij vermeld, dat hij schrijver is (https://en.wikipedia.org/wiki/Ramesses_I). De pagina van Horemheb zit uiteraard met een link in de genoemde pagina (https://en.wikipedia.org/wiki/Horemheb).

We komen nu bij de paragraaf over de eerste Grieken in Egypte. Assurbanipal had een aantal onderkoningen aangesteld over de Egyptische gebieden en een ervan had alle macht naar zich toegetrokken met behulp van soldaten afkomstig uit Sardis in Klein Azië, waar op dat moment Gyges aan de macht was, die zich eerst als een vriend had voorgedaan tegenover Assurbanipal, maar achter zijn rug troepen stuurde naar Egypte [zie over Gyges en zijn droom op https://en.wikipedia.org/wiki/Ashurbanipal]. Volgens Herodotus was het Psammetichos, een van de twaalf onderkoningen, die met behulp van Ionische en Carische huurlingen zijn elf mederegeerders uit de weg ruimde. Het waren volgens Herodotus zeerovers, die door een storm op de kust van Egypte waren geslagen en daar door Psammetichos werden ingehuurd. Zij waren de eerste mensen met een vreemde spraak, die zich in Egypte vestigden, aldus Herodotus (II:154). Ionië en Carië grenzen aan Lydië, met zijn hoofdstad Sardis. Gyges had Colophon in Ionië bezet en beschikte dus over soldaten daarvandaan en stuurde die met eigen troepen mee en was het niet een toevallige storm, die de Grieken daarheen bracht. Psammetich plaatste de soldaten in twee kampen en gaf ze Egyptische jongens, die ze Grieks moesten leren, zodat de jongens als tolken konden optreden (en zij werden de voorouders van de Egyptische tolken) en ze bleven lange tijd daar, dicht bij zee, langs de Nijltak, die de Pelusische wordt genoemd, niet ver van de stad Bubastis. Diodorus van Sicilië vertelt over Psammetichus van Sais, die een van de 12 koningen was en de gebieden langs de zee onder zijn bevel had, verschafte koopwaar voor alle kooplieden en vooral voor de Feniciërs en de Grieken; en aangezien hij op deze wijze de producten van zijn eigen district afzette tegen een winst en ze ruilde tegen die van andere lieden, bezat hij niet alleen een grote rijkdom, maar genoot ook vriendelijke relaties met volken en heersers. En dit was de reden, zeggen ze, waarom de andere koningen jaloers werden en oorlog tegen hem begonnen. Sommigen der vroege geschiedschrijvers [i.e. Herodotus] vertellen dit uit de lucht gegrepen verhaal: De generaals hadden een orakel ontvangen dat inhield dat de eerste van hen om een libatie uit te gieten uit een bronzen kom aan de god in Memfis zou heersen over heel Egypte, en toen een van de priesters elf gouden kommen uit de tempel bracht, nam Psammetichus zijn helm af en goot de libatie daaruit. Zijn collega’s, die zijn daad verdacht vonden weliswaar, waren nog niet gereed om hem ter dood te brengen maar verdreven hem daarentegen uit het openbare leven, met het bevel dat hij de rest van zijn dagen moest doorbrengen in de moerassen bij de zee. Of ze nu ruzie kregen om deze reden of vanwege de jaloezie, die zij, zoals boven gemeld, ten opzichte van hem voelden, in ieder geval overwon Psammetichus, die huurlingen riep uit Carië en Ionië, de anderen in een veldslag nabij de stad genaamd Momemfis en van de koningen die zich tegen hem opstelden werden sommigen in de strijd gedood en sommigen werden verdreven naar Libië en waren niet langer in staat met hem om de troon te twisten. [67] Nadat Psammetichus zijn gezag had gevestigd over het hele koninkrijk, bouwde hij voor de god in Memfis de oostpropylon en de omheining rond de tempel, deze ondersteunend met colossi van 12 el hoogte in plaats van pilaren; en onder de huurlingen verdeelde hij aanzienlijke geschenken bovenop de hen beloofde vergoeding, gaf hen het gebied genaamd ‘De Kampen’ om te wonen en wees hen veel land toe in de regio enigszins stroomopwaarts langs de Pelusische monding; later zijn ze vandaar weggehaald door Amasis, die vele jaren later regeerde, en door hem gevestigd in Memfis. En aangezien Psammetichus zijn heerschappij had gevestigd met behulp van de huurlingen, vertrouwde hij hen voortaan vóór anderen met de administratie van zijn rijk en hield regulier grote huurlingenstrijdkrachten paraat. […] Psammetichus … behandelde ook gewoonlijk met vriendelijkheid alle vreemdelingen, die uit vrije wil in Egypte verbleven, en was zo’n grote bewonderaar van de Hellenen dat hij zijn zoons een Griekse opvoeding gaf; en in het algemeen was hij de eerste Egyptische koning om voor andere naties de handelsplaatsen in de rest van Egypte open te stellen en een grote mate van veiligheid te bieden aan vreemdelingen van over de zeeën. [Want zijn voorgangers in de macht hadden steevast Egypte gesloten voor vreemdelingen…] (Bron: http://penelope.uchicago.edu/Thayer/E/Roman/Texts/Diodorus_Siculus/1C*.html)

Velikovsky merkt op, dat Griekse wapens, gebruiksvoorwerpen en vazen en de beenderen zelf van de Griekse huurlingen in hun eigenaardige sarcofagen in en nabij de Delta zijn gevonden, vaak tezamen met voorwerpen uit de 19e dynastie. Formaties van huurlingen uit Sardis, genaamd Shardana of Sar-an, waren in dienst van Seti de Grote. In het conventionele tijdschema is de tijd van Seti het einde van de 14e eeuw [dit moet zijn het begin van de 13e eeuw, 1294 of 1290-1279 VC, zie https://en.wikipedia.org/wiki/Seti_I]; van Psammetichus de 7e eeuw (664-610 VC) (https://nl.wikipedia.org/wiki/Psammetichus_I), een verschil van ruim 600 (en niet 700 zoals V. schrijft) jaar.

Seti had te maken met de Shasu; hij kwam ze tegen op zijn tocht in het eerste jaar, toen hij optrok langs de ‘Horus Militaire weg’, de kustweg die leidde van de Egyptische stad Tjaroe in de noordoosterhoek van de Egyptische Nijldelta naar de stad van ‘Kanaän’ in de huidige Gazastrip. Hier, bij het doorkruisen van de Sinaï vocht het leger van de koning met de locale bedoeïenen, genaamd de Sjasoe (Shasu). Velikovsky noemt ze ook in zijn bespreking van een inscriptie (uit Breasted, Records). Het betreft hetzelfde gebeuren. De inscriptie luidt: ‘Stad van Pekanan, Jaar 1, koning van Boven en Beneden Egypte, Menmare [i.e. Seti]. De vernietiging die het machtige zwaard van Farao aanrichtte onder de verslagenen van de Sjasoe vanuit het fort van Tjaroe [in Egypte] naar Pekanan, toen zijne majesteit tegen hen optrok als een woestogende leeuw, karkassen van hen makend in hun valleien, omgevallen in hun bloed…’

Velikovsky houdt zich niet met de Sjasoe bezig, die binnenvallende bedoeïenen, maar met die genoemde stad Pekanan. Deze stad is onbekend. Ik heb uit 1984 de ‘Canaanite Toponyms in Ancient Egyptian Documents’ van Shmuel Aḥituv en daarin komt het niet voor. Volgens Velikovsky is Pekanan een door Pekah, de voorlaatste koning van Israël, versterkte stad. Deze stad bestond dus nog niet in de tijd van de verovering door Thutmosis III en is verdwenen na deze vernietiging door Seti, waardoor de stad ook niet voorkomt in de Bijbel; maar volgens Velikovsky moet de stad gelegen hebben in of nabij de Esdrelon Vallei (vlakte van Jizreël).

In die tijd was Manasse koning van Juda en hij was 12 jaar oud toen hij koning werd. Hij volgde Hizkia op, wiens extra vijftien jaren om waren, en hij regeerde 55 jaar, van –686 tot –631. Hij was geen Yahwe-aanhanger zoals zijn vader, bouwde de door zijn vader afgebroken offerhoogten weer op, maakte altaren voor Baäl, gewijde palen (voor Asjera) en boog zich neer voor het gehele hemelse leger en diende het. Hij liet zijn zoon [of zonen in het dal Ben-Hinnom (de Tofet voor Moloch)] door het vuur gaan, liet zich in met toverij en waarzeggerij en stelde bezweerders van doden en geesten aan. Hij plaatste ook een beeld van Asjera, dat hij gemaakt had, in de tempel. (2 Kon 21:1-7) Manasse en ook het volk luisterden niet naar Jahwe, dus bracht Jahwe over hen de legeroversten van de koning van Assur, die Manasse grepen met haken, hem boeiden met twee koperen ketenen en naar Babel voerden. Maar hij bad tot Jahwe, verootmoedigde zich diep en Deze liet zich verbidden, bracht hem naar Jeruzalem terug en herstelde hem in zijn koningschap. Hierna bouwde hij een buitenmuur voor Jeruzalem, trok hem om Ofel heen en maakte hem zeer hoog. Ook stelde hij legeroversten aan in al de versterkte steden van Juda. Hij verwijderde de vreemde goden en het stenen beeld (van Asjera) uit de tempel en ook de door hem gebouwde altaren binnen Jeruzalem. Ook richtte hij het altaar van Jahwe weer op, liet daar offers brengen en beval ook Juda Jahwe te dienen; ze deden dat wel maar op de oude offerhoogten. De rest van de geschiedenis van Manasse, o.a. over zijn gebed en bekering, maar ook waar hij offerhoogten had gebouwd en gewijde palen had neergezet, vóór hij zich bekeerde, dat is beschreven in de Woorden der Zieners. (2 Kron. 33) Hij werd opgevolgd door zijn zoon Amon, die 22 was en dus geboren werd toen Manasse 45 was, in zijn 33e regeringsjaar, dus in 653. Op dat moment was Manasse dus in de Egyptische invloedsfeer. Het door het vuur laten gaan van zijn zoon moet daarmee niet in tegenspraak zijn geweest. Het afvoeren naar Babel moet op een later moment hebben plaatsgevonden. Op de pagina van Seti I wordt gemeld, dat Seti na het veroveren van de Syrische stad Kadesh een stele daar oprichtte. Maar Kadesh kwam weldra weer onder Hittitische controle omdat de Egyptenaren geen permanente militaire bezetting van Kadesh en Amurru (i.e. Syrië) konden of wilden handhaven.

De laatste paragraaf betreft het einde van Ninive. Seti, als bondgenoot van Assyrië, nam het op zich om het rebellerende Syrië te bedwingen, rukte met zijn leger op langs de Esdrelon Vallei en kwam bij de stad Beth-Shan niet ver van de Jordaan. Hier is een stele van Seti gevonden met de tekst: ‘De ellendige vijand die in de stad Hamath was, hij had rond zich verzameld menig volk, werd weggenomen uit de stad Beth-Shan…’

Ook Psammetichos voelde zich rond 640, aldus Breasted, sterk genoeg om de oude veroveringsplannen in Azië weer op te vatten, Egypte’s van oudsher overleverde aanspraken op Syrië en Palestina weer geldend te maken en met Assyrië om hun bezit te strijden. Hij viel Palestina binnen en belegerde vele jaren de grensstad Asdod. Maar zijn eerzucht werd een snel einde bereid. De inval van Skythische volkeren uit het verre noorden, die geheel voor-Azië onder de voet liepen en naar het zuiden tot aan de Egyptische grens doordrongen, dwong hem tot terugkeer. Volgens Herodotus kocht Psammetich hen af en herkreeg daardoor zijn onafhankelijkheid. Waarschijnlijker is het, aldus Breasted, dat zijn eigen sterke arm zijn land heeft bevrijd. (Br. 307) Velikovsky doet min of meer alsof Herodotus geen plaatsnaam noemt en hij stelt de vraag: ‘Welke stad belegerde Psammetichos toen de Skythen neerdaalden uit het noorden?’ Herodotus meldt over Psammetichos, dat hij 54 jaar regeerde, waarvan hij er 29 besteedde aan de belegering van Azotus, een grote stad in Syrië, totdat hij deze eindelijk innam. De belegering van Azotus was de langste belegering van welke ons bekend uit de geschiedenis, aldus Herodotus (II, 157) Maar volgens Gardiner (357) kan deze 29-jarige belegering van Ashdod, de langste uit de geschiedenis, nauwelijks correct zijn. Maar wat wel correct is, zegt hij niet. Azotus is een uit de Bijbel bekende plaats en ligt halverwege tussen Gaza en Joppa en wordt met Asdod vertaald in Hand. 8:40. Het werd herhaaldelijk belegerd in de oudheid, door Tartan, de Assyrische generaal in 716 (Jes. 20:1), door Psammetichos in 630 VC. (Bron: http://biblehub.com/commentaries/acts/8-40.htm.) Velikovsky wijst erop dat Beth-Shan, de door Seti belegerde stad, de naam Scythopolis draagt (https://en.wikipedia.org/wiki/Beit_She%27an), mogelijk naar Skythische huurlingen, die daar waren achtergebleven uit de dagen van Psammetichos, maar volgens The Princeton Encyclopedia of Classical Sites: ‘possibly because Scythians were settled there by Ptolemy II in the middle of the 3d c. B.C. It is mentioned for the first time by Polybios (5.70), in connection with its conquest by Antiochos III, who enlarged its territory and granted it autonomy.’ (Bron: http://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus:text:1999.04.0006:entry=scythopolis.) Van het huis van de Egyptische gouverneur te Beth-Shan is een deurposttablet met de cartouches van Seti I teruggevonden (zie foto bovenaan, http://www.livius.org/pictures/israel/beth-sean-scythopolis/beth-shean-house-of-the-egyptian-governor-doorpost-tablet/).

Volgens Velikovsky zit er een groot gat in de geschiedenis van Beth-Shan en dat wordt door anderen bevestigd. In het Bijbels Woordenboek wordt gezegd bij Bet-San, wat ‘Huis van San’ betekent, maar wie San is, is onduidelijk, misschien de slangengodin Sjachan, dat het een oeroude Kanaänitische stad is, vanwege haar strategische ligging aan de weg van Egypte naar Damascus, en reeds genoemd in Egyptische teksten en de brieven van Amarna. Het wordt tot Manasse gerekend en was ‘nog’ onder Saul in het bezit van de Filistijnen, die er het lijk van Saul aan de stadsmuur ophingen. Onder Salomo hoorde Bet-San bij een van de 12 districten, maar ging later (onbekend wanneer [sic!]) voor de Israëlieten verloren. De Egyptenaar Sisak [i.e. Sheshonk] vermeldt Bet-San op de lijst van door hem veroverde of geplunderde steden. Daarna wordt Bet-San niet meer genoemd tot de verovering van de stad door Antiochus III (218 VC). In 107 VC werd Bet-San Joods bezit; onder Pompejus werd de toen Hellinistische en Scythopolis genoemde stad bevrijd (63 VC) en in het verband van de Dekapolis ondergebracht.

Bij de opgravingen blijkt ditzelfde gat. Eerst werd het door Thutmosis III veroverd en was drie eeuwen lang Egyptische garnizoensplaats met burcht en twee tempels. Uit deze tijd dateren vier wijstenen, een van een onbekende farao, twee van Seti I en een van Ramses II, die de stad versterkte en op de vroegere tempels twee nieuwe tempels bouwde, een voor Astarte/Anat en een voor Mekal/Rešef. Ook een (zittend) standbeeld van Ramses III is bewaard. Er worden enige ‘godsdiensthistorisch belangrijke vondsten’ opgesomd: zegels, wijstenen, hangers, cultusvoorwerpen, beelden van Astarte en Anat, van slangen, een wijsteen van de god Mekal uit de 14e eeuw VC (i.e. Seti I’s tijd), een leeuwenreliëf, bronzen drievoeten. Dan schakelen we meteen over naar de Hellinistische tijd, waaruit de gevonden fundamenten van een tempel dateren, misschien gewijd aan Dionysos/Bacchus, terwijl votiefinscripties wijzen op een cultus van Zeus. Ook is een Romeins theater opgegraven. [Bijb.Wb. 156f]

Aḥituv geeft een overzicht van de gevonden namen en spreekt over de beroemde en belangrijke stad Beth-shean, waarvan de naam in Egyptische documenten altijd wordt geschreven als Beth-šā’l, nooit met een n aan het einde, zoals in het Kanaänitisch of Hebreeuws. Na de verovering van Thutmosis III werd het kennelijk een Egyptisch militair en administratief centrum, aangezien een locale koning nooit vermeld is. Tijdens de regering van Seti I werd de stad belegerd door de rebellerende stadstaten van Peḥal (Pella) en Hamath; dit werd herdacht op de grotere Beth-shean Stele van Seti I, zijn topografische lijsten en Ramses II’s topografische lijst nr. 26, die is afgeleid van die van Seti I. Het laatste document van het Nieuwe Rijk, dat de stad vermeldt, is een literaire tekst uit de tijd van Ramses II. [Geen melding van een beeld van Ramses III.] Over Shishak zegt hij: ‘Het is waarschijnlijk dat de stad werd veroverd door Shishak tijdens de laatste fase van Stratum V.’ Dit is uiteraard gebaseerd op de lijst van ‘Shishak’, d.w.z. Sheshonk, en niet op de archeologische data. Aḥituv zegt zelf: ‘Maar er zijn vele moeilijkheden in het verduidelijken van het einde van Stratum V.’ En hij doet dan een gok: ‘Misschien zijn de tekenen van verwoesting [door Sheshonk] van Stratum V weggevaagd door de lange periode die verliep tussen het einde ervan en het begin van Stratum IV.’ Dus eigenlijk is er niets tussen het einde van het Nieuwe Rijk en de Hellinistische tijd, want alle andere gegevens, Shishak, Saul, etc., komen uit de Bijbel en niet uit de grond. In het schema van Velikovsky is dit allemaal zeer begrijpelijk. Eerst hebben we Saul en Salomon, daarna komt Thutmosis III, alias Sjisjak, en vestigt er een militaire basis om het land te controleren. Dit ging tijdens de Assyrische verovering verloren, maar werd terugveroverd door Seti I en daarna nogmaals door Ramses II, die het echter weer verloor aan Nebuchadnezzar. Dat Ramses III het weer terugveroverde, behoort zeker tot de mogelijkheden.

Ondertussen zitten we nog met het idee van Velikovsky over de stad, die Psammetich vele jaren belegerde, en die dus niet Beth-Shan was. De campagne van Seti wordt beschreven op http://www.reshafim.org.il/ad/egypt/seticampaign.htm. Aḥituv, die zijn gegevens van alle documenten en gedenktekens heeft, maakt melding van ‘Canaan and Canaanites’, termen die al voorkomen in de annalen van Amenhotep II, die het heeft over de Kanaänieten (K(i)n(a)nu, soms met dubbel n), waarvan de betekenis onbekend is. In 19e-dynastiedocumenten worden Kanaänitische slaven, inwoners van het land Khuru, i.e., Syrië-Palestina, genoemd. Het land Kanaän verschijnt voor het eerst op de Soleb-lijst van Amenhotep II (zie Sjasu-artikel: http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-shasu-van-jahwe-nieuw-bewijs-voor-de-chronologie-van-velikovsky/). Documenten van de 19e dynastie begonnen de vorm p3 Kn‘n, ‘Het Kanaän’ te gebruiken. Een van Seti I’s Karnak reliëfs beschrijft zijn campagne tegen de nomaden, i.e. de Sjasoe (š3sw) uit Sile naar ‘De Kanaän’, terwijl een tweede reliëf melding maakt van ‘Een/de stad van Kanaän’. Terwijl het latere reliëf algemeen wordt geïnterpreteerd als refererend aan Gaza, de hoofdstad van de Egyptische provincie van Kanaän, is het niet duidelijk of het eerste reliëf ook refereert aan Gaza of aan het land van Kanaän. Mogelijk wordt Gaza ook bedoeld in papyrus Harris I, waar een tempel van Ramses III wordt gemeld in ‘De Kanaän’. Het land (t3) van ‘De Kanaän’ wordt gevonden op een beeldje van een koningsbode aan ‘De Kanaän (en) Philistia’ van de 22e dynastie (i.e., die van Sheshonk!). De laatste melding van de naam Kanaän is in een topografische lijst van Kōm Ombo van de regering van Claudius, die uiteraard [sic! in de conventionele chronologie] geen historische betekenis heeft, aldus Aḥituv. (1984:84f)

Voor de laatste periode voor de val van Ninive wordt door Velikovsky verwezen naar zijn ‘Ramses II en zijn tijd’ (zie http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-velikovsky-syndroom-10-ramses-ii-en-zijn-tijd/). Het vervolg van deze serie betreft het ongepubliceerde deel over ‘The Dark Age of Greece’. De bijgevoegde PDF is een door mij verbeterde versie van het internetbestand van ‘The Assyrian Conquest’.

PDF:
Immanuel Velikovsky – The Assyrian Conquest

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Velikovsky

Leave a comment

Your email address will not be published.

*