Cor Hendriks – Het Velikovsky Syndroom (21): De Assyrische verovering deel 2 De Assyriërs in Egypte

We vervolgen ons verhaal met Sennacherib in het jaar –701, die van zijn vader Sargon een enorm rijk had geërfd. “… (10) the god Assur, the great mountain, an unrivaled kingship (11) has entrusted to me, and above all those (12) who dwell in palaces, has made powerful my weapons; (13) from the upper sea of the setting sun [i.e. de Zwarte Zee] (14) to the lower sea of the rising sun [i.e. de Indische Oceaan], (15) all humankind (the blackheaded race) he has brought in submission at my feet (16) and mighty kings feared my warfare (17) leaving their abodes and (18) flying alone, like the sudinnu, the bird of the cave (? cliffs), (19) to (some) inaccessible place. [Luckenbill, ‘Annals of Sennacherib, ]

In zijn eerste campagne versloeg hij Merodach-baladan, koning van Babylon, tezamen met het leger van Elam, zijn bondgenoot, in de vlakte van Kish, maar Merodach-baladan wist te ontkomen, terwijl Sennacherib zich meester maakte van zijn paleis in Babylon met zijn eindeloze schatten en van 75 ommuurde steden van Chaldea en 420 kleine steden. De Arabieren, Arameeërs en Chaldeeën, die in Erech, Nippur, Kish, Harsagkalamma, Kutha en Sippar waren, tezamen met de bewoners, de zondaars, bracht hij naar buiten, telde hij als buit. […] Op zijn tweede campagne bemoedigde Assur zijn heer hem en hij trok op tegen het land van de Kassieten en het land van de Yasubigallai, die van oudsher niet onderworpen waren geweest aan de koningen, zijn vaders. In het midden van de hoge bergen reed hij te paard waar het terrein moeilijk was en liet zijn rijwagen ophijsen met touwen: waar het te steil werd, klom hij te voet als de woud os. En weer nam hij sterk ommuurde steden in en maakte veel buit en hun kleine steden, die talloos waren vernietigde hij, verwoeste hij, veranderde hij in puinhopen. De huizen op de steppe, de tenten, waarin zij woonden, stak hij in brand en veranderde ze in een vlammenzee. Toen keerde hij om, maakte van Bît-Kilamzah een fort met wallen sterker dan ze ooit tevoren waren geweest. En verder ging hij naar het land van de Elippi. Bij zijn nadering liet Ispabâra, hun koning, zijn sterke steden, zijn schathuizen, in de steek en vluchtte naar afgelegen streken. Over zijn hele wijde land zwiepte Sennacherib als een wervelwind. De steden Marubishti en Akkuddu, zijn koninklijke residentiesteden, samen met 34 kleine steden in de omgeving vernietigde hij, nam hij in, verwoestte hij, maakte hij tot puinhoop, verbrandde hij en de buit nam hij mee. Zo breidde hij Assyrië steeds verder uit en bij zijn terugkeer ontving hij zware tribuut van de verre Meden, wier naam geen onder de koningen, zijn vaders, ooit had gehoord.

Op zijn derde campagne trok hij westwaarts op tegen het Hittietenland [i.e. Hatti = Syrië]. Lulê, koning van Sidon, werd overweldigd door Sennacheribs ‘terrors of splendors’ van zijn soevereiniteit en vluchtte weg de zee op, waar hij stierf. Groot Sidon, Klein Sidon, Bît-Zitti, Zaribtu, Mahalliba, Ushu, Akzib, Akko, zijn sterke ommuurde steden met voorraden voor zijn garnizoenen, werden overweldigd door de schrik van het wapen van Assur, zijn heer, en zij bogen in onderwerping aan zijn voeten. Hij zette Tuba’lu op de troon en legde hem voor altijd tribuut op. Van Menachem, de Shamsimuruniet, Tuba’lu, de Sidoniet, Abdi-liti, de Arvadiet, Uru-milki, de Gubliet, Mitinti, de Ashdodiet, Budu-ilu, de Beth-Ammoniet, Kammusu-nabdi, de Moabiet, Malik-rammu, de Edomiet, koningen van Amurru, zij allemaal, brachten talloze geschenken als hun zware tribuut voor Sennacherib voor de vierde keer en kusten zijn voeten. Maar Sidka, de koning van Ashkelon, die zich niet had onderworpen aan zijn juk, rukte hij tezamen met zijn hele familie weg en bracht hen naar Assyrië en stelde Sharru-lu-dari, zoon van Rukibiti, hun voormalige koning, aan als koning en legde hem tribuut op. In de loop van zijn campagne belegerde hij Beth-Dagon, Joppa, Banaibarka, Asuru, steden van Sidka, die zich niet meteen hadden onderworpen aan zijn juk, veroverde die en voerde de buit weg. De leiders, edellieden en bewoners van Ekron, die Padi, hun koning, in de boeien hadden geslagen en hem hadden overhandigd aan Hizkia de Jood – hij hield hem gevangen als een vijand – zij werden bang en deden een beroep op de Egyptische koningen, de boogschutters, rijtuigen en paarden van de koning van Meluhha (Ethiopië), een talloze massa, en deze kwamen hen te hulp. In de buurt van Eltekeh hadden zij zich in slagorde tegenover Sennacherib opgesteld en begon de strijd. Vertrouwend op de hulp van Assur zijn heer vocht Sennacherib met hen en wist hen te verslaan. De Egyptische wagenmenners en prinsen, tezamen met de wagenmenners van de Ethiopische koning namen zijn handen levend in het midden van de strijd. Hij belegerde Eltekeh (en) Timna, nam ze in en voerde de buit weg. Hij rukte op naar Ekron en doodde de gouverneurs en edelen, die gezondigd hadden [d.w.z. gerebelleerd, aldus L.] en hing hun lijken aan staken rond de stad. De bewoners die gezondigd hadden en lichtvaardig gehandeld nam hij als buit. Degene die niet hadden gezondigd, werden niet gestraft. Padi, hun koning, bracht hij terug uit Jeruzalem, zette hem op zijn troon over hen en legde hem tribuut op. Wat betreft Hizkia, de Jood, die zich niet onderwierp aan mijn juk, 46 van zijn sterke, ommuurde steden evenals de kleine steden in hun omgeving, die talloos waren – door ze te slopen met stormrammen (?) en door het aanvoeren van belegeringsmachines (?), door aan te vallen en te bestormen te voet, door mijnen, tunnels en bressen (?), belegerde hij en nam ze in. 200.150 mensen, groot en klein en talloos vee voerde hij weg en nam hij als buit. Hemzelf [i.e. Hizkia], als een gekooide vogel, sloot hij op in Jeruzalem, zijn koninklijke stad. Aardewerken wierp hij tegen hem op – wie uit de stadspoort kwam, zond hij terug naar zijn ellende. De steden van hem, die Sennacherib had leeggeroofd, sneed hij af van zijn land en gaf hij aan Mitinti, koning van Ashdod, Padi, koning van Ekron en Silli-bêl, koning van Gaza. En zo verminderde hij Hizkia’s land. Hij legde een hogere tribuut op. Wat betreft Hizkia, de verschrikkelijke glans van Sennacheribs majesteit overwon hem en de Urbi (Arabs) en zijn huurlingtroepen die hij gebracht had om Jeruzalem, zijn koninklijke stad, te versterken, gingen er vandoor. Boven op de 30 talenten goud en 800 talenten zilver, liet hij edelstenen, antimoon, juwelen (?), grote sandu-stenen [cornalijn], ivoren banken, ivoren stoelen, olifanthuid en -tanden, ebbenhout (?), bukshout (?), allerlei soorten waardevolle (zware) schatten, als ook zijn dochters, zijn harem, zijn mannelijke en vrouwelijke musici, die hij had, brengen naar Ninive, zijn koninklijke stad.
De vijfde campagne ging weer naar het oosten, weer tegen Merodach-baladan en zijn bondgenoot, de koning van Elam. En hij plaatste zijn oudste zoon Assur-nâdin-shum op de troon van Babylon en gaf hem het bestuur over Sumer en Akkad.
Op deze vijfde campagne kwam Sennacherib ook bij de berg Nippur, waar zich lieden ophielden, die zich niet wilden onderwerpen. “Ik liet kamp opzetten aan de voet van de berg Nipur en met mijn uitgelezen lijfwacht en mijn niet-aflatende krijgers, ging ik als een sterke woudos voor hen uit. Rivierbedding, bergstromen en watervallen, gevaarlijke kliffen overwon ik in mijn [gesloten] draagstoel. Waar het te steil was voor mijn stoel, ging ik verder te voet. Als een gazelle beklom ik de hoogste pieken tijdens hun achtervolging. Waar mijn knieën een rustplek vonden, ging ik neerzitten op een bergrotsblok en dronk het koude water uit de waterzak om mijn dorst (te stillen). Tot de toppen van de bergen achtervolgde ik hen en bracht hun onderwerping te weeg. Hun steden nam ik in en droeg hun buit weg, ik vernietigde, ik verwoestte, ik brandde met vuur.” Vervolgens ging hij op weg naar Maniae, koning van Ukku, van het land van Daie, dat nog niet onderworpen was. Weer gaat het over hoge bergen, maar toen Manae de stofwolken opgeworpen door zijn marcherende soldaten zag, verliet hij Ukku, zijn koninklijke stad en vluchtte naar verre streken. Daarop nam Sennacherib Ukku in en voegde nog eens 33 steden bij zijn alsmaar uitbreidende rijk.
De zesde campagne is weer oostwaarts naar Elam, ditmaal in Hittietenschepen [van Hatti: zijn dit Tarshishschepen?[1]], en hij verovert het. Op de terugweg versloeg hij Shuzubu, de Babyloniër, die tijdens een opstand in het land zich had meester gemaakt van de heerschappij over Sumer en Akkad, in een veldslag op de vlakte, greep hem levend en voerde hem in boeien terug naar Assyrië. De koning van Elam, die naar hem was overgelopen, werd ook verslagen en zijn troepen uiteengejaagd. Ook de zevende campagne ging ondersteund door Assur zijn heer naar Elam.
De achtste campagne is weer tegen Shuzubu, de Chaldeër, die met de Babyloniërs in opstand was gekomen en met de koning van Elam en anderen een enorm leger op de been weet te brengen. ‘Als de aanval van sprinkhaanzwermen in de lente, bleven ze op me af komen om strijd te leveren. Met het stof van hun voeten de wijde hemelen bedekkend als een machtige storm met massa’s dikke wolken, stelden ze zich in slagorde voor me op in de stad Halulê, aan de oever van de Tigris. Zij blokkeerden mijn doorgang en boden strijd. Wat mij betreft, ik bad tot Assur, Sin, Shamash, Bêl, Nabû, Nergal, Ishtar van Ninive, Ishtar van Arbela, de goden waarin ik vertrouwen heb, voor overwinning over de machtige vijand. Zij gaven spoedig gehoor aan mijn gebeden en kwamen mij te hulp. Als een leeuw woedde ik. Ik deed mijn maliekolder aan. Mijn helm, embleem van overwinning, plaatste ik op mijn hoofd. Mijn grote strijdwagen, die de vijand neerhaalt, beklom ik haastig in de woede van mijn hart. De machtige boog, die Assur me had gegeven, greep ik met mijn handen; de werpspies, doorborend tot het leven, greep ik. Tegen al de massa’s doortrapte vijanden schreeuwde ik het uit, bulderend als een storm. Als Adad brulde ik. Met de wapens van Assur, mijn heer, en de vreselijke impact van mijn aanval, stopte ik hun voortgang, slaagde ik erin hen te omsingelen, decimeerde ik de vijandelijke legermacht met pijl en speer. Al hun lijven doorboorde ik als… Humban-undasha, de veldmaarschalk van de koning van Elam, een betrouwbare man, bevelhebber van zijn legers, zijn voornaamste steun, tezamen met zijn edelen, die de gouden gordeldolk dragen en wier polsen zijn omcirkeld met zware ringen van stralend goud – als vette stieren die jukken krijgen opgelegd – gezwind hakte ik hen neer en vestigde hun nederlaag. Ik sneed hun kelen als… Ik sneed hun kostbare levens af (als) een snaar. Als de vele wateren van een storm liet ik hun darmen en ingewanden neerstromen op de wijde aarde. Mijn trappelende hengsten, geharnast voor mijn rijden, plonsden in de stromen van hun bloed als een rivier. De wielen van mijn strijdwagen, die de boze en de kwade neerhaalt, waren besmeurd met bloed en troep. Met de lichamen van hun krijgers vulde ik de vlakte als gras. Hun testikels sneed ik af en rukte hun geslachtsdelen af als de zaden van komkommers van Siwan (juni). Hun handen hakte ik af. De zware ringen van het stralendste goud, die ze om hun polsen droegen, nam ik weg. Met scherpe zwaarden sneed ik hun gordels door en nam de gordeldolken van goud en zilver, die ze bij zich droegen. De rest van hun edelen, tezamen met Nabû-shum-ishkun, zoon van Merodach-baladan, die bang was geworden bij mijn aanval en overgelopen was naar hun kant, grepen mijn handen in het midden van de strijd. De strijdwagens en hun paarden, wier ruiters waren gedood bij het begin van het vreselijke treffen, en die op zichzelf waren gelaten, bleven heen en weer rennen over een afstand van twee-dubbel-uren, – ik maakte een einde aan hun overijlde vlucht. Die Umman-menanu, koning van Elam, tezamen met de koning van Babylon (en) de prinsen van Chaldea, die naar hun kant waren overgelopen, de schrik van mijn strijd wierp hun lijven om als een stier. Ze lieten hun tenten in de steek en om hun levens te redden vertrappelden ze de lichamen van hun soldaten, ze vluchtten als jonge duiven, die achtervolgd worden. Hun harten waren verscheurd, ze hielden hun urine in (?), maar lieten hun stront lopen in hun wagens. In achtervolging van hen zond ik mijn wagens en paarden achter hen aan. Diegenen van hen die waren ontkomen, die waren gevlucht voor hun levens, waar zij [d.w.z. mijn wagenmenners] hen troffen, hakten zij hen neer met het zwaard.” (Opmerkelijk: op p. 92, r. 23: Hazael.)

Velikovsky nu vraagt zich af of Sennacherib is doorgestoten na zijn overwinning op het gecombineerde Voor-Aziatisch-Egyptische leger naar Egypte, want in een Joodse legende zou hij de belegering van Jeruzalem een tijdje hebben stilgelegd om haastig op te trekken tegen Ethiopië. Na deze ‘parel aller landen’ te hebben veroverd, keerde hij terug naar Judea. (naar Ginzberg) Ik vond deze legende bij Patai, ‘Gates to the Old City’, 339. Het betreft de troon van Salomo, die door Sjisjak was meegenomen naar Egypte. ‘Vervolgens trok Sanherib op en greep de troon in Egypte en nam hem mee terug naar het land van Israël, want hij wilde strijden met de Joden. Op dit tijdsgewricht viel Sanherib in de handen van Israël en Israël maakte zich meester van zijn fortuin en de troon keerde naar zijn plaats terug. En koning Hizkia zat erop en nam deel aan de eer en werd verhoogd in zijn koningschap en slaagde …’ Hier breekt de tekst af, maar het verhaal van de troon gaat voort, want in de dagen van koning Josia kwam Farao Nekho (hetgeen ‘de lamme’ zou betekenen, omdat hij op de troon ging zitten en toen door een leeuw van de troon werd gebeten) en nam de troon mee, maar Nebuchadnezzar trok op tegen Egypte en nam de troon mee naar Babylon. Ook hij ging, zonder van de eigenschappen van de troon te weten erop zitten en werd door een leeuw eraf gestoten en had daarvan last tot de dag dat hij stierf. Darius de Mediër veroverde Babylon en nam de troon mee naar Elam, maar niemand durfde erop te zitten, zelfs Ahasverus niet, die de troon liet namaken door vaklui uit Tyrus en Alexandrië [sic!], die er 3 jaar aan werkten, en in zijn derde jaar zat hij erop. (D’mut Kisse Shel Sh’lomo, BhM 2:83-85) In een andere versie van de troonlegende heeft Sjisjak de troon meegenomen, maar had Zerah hem bij zich toen hij van Asa verloor, zodat de troon toen weer bij de koningen van Juda was en bleef tot Nebuchadnezzar hem meenam naar Babylon. (Patai, p. 340)

Er is echter een serieus artikel, genaamd ‘Evidence for an Advance on Egypt by Sennacherib in the Campaign of 701-700 B. C.’, geschreven door Stephen Langdon, verschenen in de ‘Journal of the American Oriental Society’, Vol. 24 (1903), pp. 265-274. Hij wijst op het bericht bij Josephus dat Senacherib, nadat Ezekias de tribuut van 300 talenten zilver en 30 talenten goud betaald had om verdere strijd bespaard te blijven, zijn belofte verbrak en terwijl hij zelf tegen de Egyptenaren en Ethiopiërs optrok, zijn veldheer Rapsakes met twee andere legeraanvoerders, genaamd Tharata en Anacharis, met een groot leger achterliet om Jeruzalem te vernietigen. […] Bij de belegering van Pelusium ging zeer veel tijd verloren. Toen hij – de koning der Assyriërs – nu de wal, die hij tegenover de stadsmuur liet oprichten voldoende hoog was om tot de bestorming over te gaan, kreeg hij het bericht dat de koning der Ethiopiërs, Tharsikes, die met een grote legermacht de Egyptenaren te hulp wilde komen, besloten had om door de woestijn te marcheren en in het land der Assyriërs binnen te vallen. Hierdoor werd Senacherib zo verontrust, dat hij onverrichter zake aftrok en Pelusium vrijgaf. Van deze koning Senacherib vertelt ook Herodotus in het tweede boek van zijn Geschiedenis, dat hij tegen de koning van de Egyptenaren, die een priester van Hephaistos geweest was, was opgetrokken en Pelusium had belegerd, maar die belegering om de volgende redenen had opgegeven. De priester van de Egyptenaren had tot God gebeden en die had zijn gebed verhoord en de Arabieren een zware kwelling gestuurd. Maar Herodotus vergist zich, aangezien hij hem niet de koning van de Assyriërs, maar van de Arabieren noemt. [In feite spreekt H. (II:141) over de koning van de Assyriërs en Arabieren.] Hierna volgt het bekende verhaal over de muizen, die de boogpezen en andere leerzaken hadden opgevreten, zodat de koning zijn leger moest terugtrekken van Pelusium. (Jos. 10:1:4)

De grote vraag is: ‘DID SENNACHERIB CAMPAIGN ONCE OR TWICE AGAINST HEZEKIAH?’, zoals het artikel van Sigfried Horn uit 1996 (https://www.andrews.edu/library/car/cardigital/Periodicals/AUSS/1966-1/1966-1-01.pdf) getiteld is. Het antwoord is tweemaal; en zo ging hij ook tweemaal op tegen Egypte, n.l. in –701 en –686 (de laatste 8 jaar van zijn regering zijn niet in de annalen opgenomen). We komen bij het verhaal van Herodotus en die hogepriester van Hephaistos, d.w.z. Ptah (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Ptah), genaamd Sethos, volgens Velikovsky de grootvader van Seti de Grote, d.w.z. de vader van Ramses I, die de vader van Seti de Grote is, en die hij om hem te onderscheiden van Seti de Grote ‘Sethos’ blijft noemen net als Herodotus.

Meestal wordt de 19e dynastie aangevangen bij Ramses I, die volgens Manetho de stichter was van een geheel nieuwe dynastie, die geen enkele verbinding had met voorafgaande koningen. De naam van Ramses’ zoon Seti, de devotie van vele van zijn afstammelingen aan de verering van Ptah, en de voorkeur van Ramses II voor de Delta, waar hij prefereerde te resideren, wijzen, aldus Hall (1950/1913, 313), op een Beneden-Egyptische origine van de familie.

Velikovsky neemt ons mee naar het verhaal, dat Josephus vertelt in zijn ‘Tegen Apion’ (I, 98-102) over Sethosis, ook genaamd Ramesses, die over een ruiterleger en een sterke vloot beschikte en zijn broer Harmais [of Hermaeus] tot onderkoning van Egypte aanstelde, terwijl hijzelf op campagne ging tegen Cyprus en Fenicië en later tegen de Assyriërs en de Meden. Maar zijn broer kwam in opstand, dus keerde hij snel terug naar Pelusium, hernam zijn koninkrijk en het land werd naar hem Aegyptus genoemd. Aldus Manetho, die stelt dat Sethos Aegyptus was genaamd en zijn broer Harmais Danaus.

Volgens Velikovsky heeft Manetho de twee Seti’s, d.w.z. Sethos en Seti de Grote met elkaar gemengd, welke laatste twee generaties later vocht tegen de Skythen, Babyloniërs en Meden, als bondgenoot van Assyrië, wat verderop aan de orde zal komen. Harmais is volgens hem Haremheb; dat hij een broer van de koning was reflecteert mogelijk een ware situatie. Net als Sethos was hij opgeleid om priester te worden. In een andere versie heersen eerst Sethosis en Ramesses, twee broers. “De eerste [Sethosis] … doodde Ramesses en benoemde Harmais, een andere broer van hem, tot onderkoning van Egypte.” De opstand van Harmais hield o.a. in dat hij de koningin had aangerand, d.w.z. haar gedwongen had tot een huwelijk. In Egypte loopt de koninklijke opvolging in de vrouwelijke lijn, wat meestal wordt gegarandeerd door te trouwen met een zuster. Het trouwen met de koningin is dus hetzelfde als het overnemen van de macht.

Hier komt Velikovsky op de proppen met koningin Tworse (i.e. Twosret, zie https://en.wikipedia.org/wiki/Twosret). Zij wordt geacht de tweede vrouw te zijn geweest van Seti II, die echter geen andere is dan de Sethos waarover we het hebben en wiens hoofdvrouw ze was (niet de tweede). Ze draagt de titel ‘Grote Vrouw van de Koning’ (Gardiner 1980/1964/1961, 278) vanwege haar huwelijk met Sethos II, maar een geïsoleerde scène toont haar staande achter Siptah die offert aan de aardegod; Siptahs naam is verwijderd en die van Sethos II ervoor in de plaats gezet. Gardiner heeft uitstekende redenen om aan te nemen dat Sethos de vroegere van de twee koningen was, maar waarschijnlijk is hij slachtoffer van naamsverwarring (de naam Ramses loopt door heel de familie; niet alleen de broer van Sethos heette zo, maar ook zijn zoon, Ramses I. Dus Ramses-Siptah werd gedood door zijn broer Sethos, maar deze nam nog niet de koningstitel aan. In de tussentijd was Twosret koningin en wordt bijgestaan door haar Aziatische adviseur Bay (https://en.wikipedia.org/wiki/Bay_(chancellor)), die al adviseur was geweest van Siptah. Er gaat over Bay het gerucht, dat hij Twosret heeft verleid, zodat hij volledige controle over de schatkamer kreeg. En ze zouden een tijdje minnaars zijn geweest. Twosret kreeg een zoon, ook Siptah genoemd en meteen tot farao gebombardeerd. Hij zat een zestal jaar op de troon en Twosret kreeg de titel ‘Beschermster van de farao’ (dit was vóór ze zelf koningin werd). Bay stierf toen de jongen vijf was. Er is echter, zoals Wikipedia bericht, nieuwe informatie opgedoken op een potscherf, die luidt: ‘Jaar 5 III Shemu de 27e. Op deze dag kwam de schrijver van de tombe Paser berichten: ‘Farao LPH!, heeft de grote vijand Bay gedood.’ Aangenomen wordt dat dit Siptah is, maar volgens Velikovsky was het Sethos en is Harmais niet Haremhab, zoals Velikovsky dacht, maar Bay!

Ramses Siptah kreeg een eigen graf in de Vallei der Koningen en de naam van Bay werd erin aangetroffen. Zijn tombe werd ontdekt door Davis. Hij had polio gehad en als gevolg daarvan was één been korter (denk aan de lamme = kreupele Ramses). Hij was bij zijn dood in zijn vroege twintiger jaren.

Als Harmais (of althans zijn verhaal van) Bay is, een door Sargon geplaatste landvoogd, wie is dan Haremhab? Horemheb’s specific titles are spelled out in his Saqqara tomb, which was built while he was still only an official: “Hereditary Prince, Fan-bearer on the Right Side of the King, and Chief Commander of the Army”; the “attendant of the King in his footsteps in the foreign countries of the south and the north”; the “King’s Messenger in front of his army to the foreign countries to the south and the north”; and the “Sole Companion, he who is by the feet of his lord on the battlefield on that day of killing Asiatics.” (Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Horemheb) Dit zijn uitzonderlijke titels voor een officier. Gewoonlijk wordt hij voorgesteld als de opvolger van Toetanchamon, maar zoals Wikipedia stelt: ‘No objects belonging to Horemheb were found in Tutankhamun’s tomb’.

Ondanks dat hij op dat moment geen koning is maar generaal, draagt hij op zijn voorhoofd een ureaus, zoals te zien op deze wikipedia-foto: https://en.wikipedia.org/wiki/Horemheb#/media/File:Saqq_Horemheb_07.jpg.
Bij een andere foto https://en.wikipedia.org/wiki/Tomb_of_Horemheb#/media/File:Saqq_Horemheb_06.jpg, waar de ureaus duidelijker te zien is, wordt gezegd, dat de ureaus later is toegevoegd, na zijn kroning.

Afbeeldingen van het graf van Horemheb te Saqqara bij Memfis zijn te vinden op de zeer fraai uitgevoerde site https://www.osirisnet.net/tombes/saqqara_nouvel_empire/horemheb_saqqara/e_horemheb_saqqara_01.htm. Ook hier is een foto van Horemheb (TC 23) met de ureaus en de bijgevoegde verklaring dat die later is toegevoegd. https://www.osirisnet.net/popupImage.php?img=/tombes/saqqara_nouvel_empire/horemheb_saqqara/photo/HorMem-TC-23.jpg&lang=en&sw=1366&sh=768

Ook op deze site wordt gesproken over Toetankamon als de koning, maar een afbeelding van de koning moet ik nog vinden. Als voorbeeld neem ik foto G 12 van de westenmuur: “Libyan, Nubians and Asiatic emissaries either knelt or lying on the ground come to implore king Tutankhamun, through the intermediary of his representative Horemheb, to grant them the “breath of life”, and therefore his clemency…”

Saqqara Horemheb G 12

Maar zoals op de foto te zien is of eigenlijk niet te zien is, is de koning, die uiterst links heel groot is afgebeeld, zo goed als geheel weggebeiteld. Bij foto G 03 staat de tekst: “The young king Tutankhamun and his wife Ankhsenamun are seated under a canopy. In the courtyard below, Horemheb is again rewarded by gold whose heavy necklaces are put in place around his neck…” Maar als we op de foto kijken, zien we alleen Horemheb met dikke gouden banden om zijn nek en de ureaus op zijn voorhoofd, terwijl van eventuele figuren boven hem niets te zien is. De afbeelding wordt door Gardiner beschreven (o.c., 243): Haremhab staat, beladen met gouden halsbanden, voor de koning – wiens beeltenis tezamen met dat van zijn koningin het niet heeft overleefd – en maakt de komst van een aantal buitenlandse prinsen bekend. Hij keert zich dan naar een groep Egyptische officieren en hoogwaardigheidsbekleders en rapporteert aan hen het bericht van de farao [i.e. koning!]. Hij heeft zelfs een krakkemikkige tekst bij deze scène: “And … [it has been reported that?] some foreigners who know not (how) they may live are come from (?) … their countries are hungry, and they live like animals of the desert, [and their child]ren (?) … the Great of Strenght will send his mighty arm in front of [his army? … and will] destroy them and plunder their town(s) and cast fire [into] … [and] … the foreign countries will (?) set others in their places.”

Die ‘Great of Strength’, die komt plunderen en vuur werpen en andere mensen in de plaats zetten, klinkt als Sennacherib. Velikovsky heeft een ander citaat van Gardiner (JEA 39:5) uit hetzelfde graf: “Words spoken to His Majesty … when … came the great ones of all the foreign lands to beg life from him, by the hereditary prince, sole friend and royal scribe Haremhab, justified. He said, making answer (to the king … foreigners) who knew not Egypt, they are beneath thy feet forever; Amun has handed them over to thee … Thy battle cry is in their hearts.”

Ondanks de lacunes is het, aldus Velikovsky, duidelijk dat de koning wordt toegesproken met vleiende woorden en wordt verzekerd dat zijn macht over alle landen zich uitstrekt.

Iets anders opmerkelijks aan dit graf van Horemheb is het vrijwel ontbreken van grafsymboliek zoals die in overdaad te vinden is in het tamelijk gelijktijdige graf van Ramses I (KV 16), zoals hier te zien is: https://www.osirisnet.net/tombes/pharaons/ramses1/e_ramses1_01.htm. Alle muren in dit graf zijn bedekt met voorstellingen die betrekking hebben op de mythologie. Nergens ook zien we de overdaad aan Nubische en Aziatische smekelingen, zoals we zien in het graf van Horemheb. [Onder hen zijn natuurlijk talrijke Shasu, maar dat moet ik nog uitzoeken!]

Verder is er nog de stele van Horemheb, die uitblinkt in nietszeggendheid, zie https://www.osirisnet.net/tombes/saqqara_nouvel_empire/horemheb_saqqara/e_horemheb_saqqara_03.htm. De stele begint met: “(1) Adoring Re, satisfying him when he rises. The hereditary prince Horemheb, he says: ‘Hail to you, who are beneficial and effective, Atum-Harakhty. When you have appeared in the horizon of the sky, praises (2) to you are in the mouth (s) of everyone, for you are beautiful and rejuvenated as the disk in the embrace of your mother Hathor. Appear everywhere, your heart being glad forever!” En daarna volgt een lange lofprijzing van de zon, Atum-Re-Harakhti, tot regel 16, waar Horemheb weer van zichzelf spreekt: “The hereditary prince Horemheb, he says: ‘I ado(17)re you, since your beauty is in my eyes and your rays shine upon my breast. I present Maat (18) to your majesty daily. Adoration to you, Thoth, lord of Hermopolis, who brought himself into being, who was not born, unique god, leader of the Netherworld, (19) who gives instructions to the Westerners who are in the following of Re, who distinguishes the tongue of every foreign country; may you cause the royal scribe (20) Horemheb to stand firmly by the side of the sovereign, as you were at the side of the lord of the universe, as you fostered him when he came forth from the womb.”

Dus Horemheb was koninklijk schrijver, stond bij zijn zijde, maar geeft niet de naam van deze soeverein. Hij besluit met: “Adoration (21) to you, Marat, lady of the north wind, who opens the nostrils of the living ones and gives breath to him who is in his barque; may you cause (22) the hereditary prince Horemheb to breathe the winds that are brought forth by the sky, as the lady of Punt breathes her scent from the lake of myrrh. May you cause (23) an entering and leaving in the Fields of Rushes, that I may be united there with the Field of Offerings, a receiving of offerings daily from the offering table (24) of the lords of Heliopolis, that my heart may cross in the water procession of the necropolis to the pure islands of the Field of Rushes. May you open for me the pleasant road, and may you clear (25) my way, that you may place [me] in the following of Sokar in Rostau, for the ka of the hereditary prince, sole companion, generalissimo, the revered one with Osiris, Horemheb, justified (lit. “true of voice”, thus “deceased”), possessor of reverence.”

Typisch is dat hij zich overal erfprins noemt, alsof hij een koninklijke afstamming heeft; onduidelijk is van wie. Volgens Gardiner (242) zijn zijn ouders onbekend en is er geen reden om aan te nemen dat koninklijk bloed in zijn aderen stroomde, maar volgens Breasted (1954, 234) stamde hij uit een oud geslacht, waarvan leden reeds gouwvorsten van Alabastronpolis waren geweest. [Niets hierover op http://www.ancientegyptonline.co.uk/horemheb.html.] In de Speos of the Haremhab in Jebel el-Silsila, Egypt, is een afbeelding te vinden van Horemheb als kind [van een jaar of twaalf, schat ik] die de borst krijgt van de nijlpaardgodin Thoeris of Taweret [vgl. de namen van Tworse – Taworset, bij Manetho Thuoris] in menselijke gedaante (te vinden op de site http://willofjehovah.com/Family%20History/_Rowe/from%20Adam/__new/testament.htm).

Het toevoegen van de ureaus in een later stadium zou gebeurd kunnen zijn op het moment, dat ook de beeltenissen van de vorst en zijn vrouw werden vernietigd; dat zou dan inhouden, dat Horemheb in eerste instantie van plan was dit graf aan te passen aan zijn nieuwe rol als koning, maar daar uiteindelijk toch vanaf zag en voor zichzelf een graf liet maken in Thebe (KV 57), zie https://www.osirisnet.net/tombes/pharaons/horemheb/e_horemheb_pharaon_01.htm. Hier zien we dezelfde mythologische voorstellingen als in het bovengenoemde graf van Ramses I en nergens zien we de Ethiopiërs en Aziaten, die in het eerste graf in overmaat aanwezig zijn. [Bezoek het graf in een video van 3 minuten: https://alchetron.com/Horemheb.]

We gaan terug naar het graf van Horemheb te Memfis naar de bovenstaande afbeelding G 12, want daarop zien we Horemheb gebruik maken van een tolk om met de Aziatische smekelingen (want het zijn geen gevangenen) te communiceren. Zoals de begeleidende tekst zegt: “An interpreter is in charge of the translations.” Dit is een ongekende zaak tijdens de 18e dynastie en ook tijdens de 19e dynastie zijn er geen tolken.

Gardiner (244) maakt melding van een fragment dat vertelt hoe hij werd uitgezonden als gezant van de koning naar het gebied van het oprijzen van de zonneschijf en in triomf terugkeerde. Volgens Breasted (l.c.) had hij belangrijke taken van de koning met succes volbracht en zich op een veldtocht in Azië, mogelijk (wohl) onder leiding van Toetanchamon, onderscheiden. Van Toetanchamon zijn geen Aziatische expedities bekend [behalve deze], maar het moet ook Sennacherib zijn.

Velikovsky maakt melding van het Bologna reliëf uit het graf van Haremhab, waarop een ruiter te zien is, die zonder zadel te paard rijdt – op zijn Assyrisch. Dit reliëf is te zien op de site http://www.museibologna.it/archeologicoen/percorsi/66288/offset/6/id/74955. Hier wordt gesproken over een ‘bode’ (messenger). Dit is de beschrijving, die bij de afbeelding wordt gegeven: “The relief illustrates Horemheb’s military encampment: above, two soldiers watch horses teamed to war chariots as an officer hurries off; below, another officer escorts two water bearers, a messenger on horseback is arriving or departing, and a group of soldiers is carrying a heavy load on their shoulders, a beam or perhaps Horemheb’s rolled-up tent.”

Die bode is duidelijk een gezagsdrager en te oordelen aan zijn uiterlijk zelf ook een Assyriër. Zie de onderstaande Pinterestfoto van Me Judy Design.

Assyrier (foto Me Judy Design Pinterest)

Uit dit alles trekt Velikovsky de conclusie, dat Haremhab onder een Assyrische koning diende als een benoemde militaire administrateur van Egypte. Na een tijdje in die hoedanigheid te hebben gewerkt, werd hij gekroond.

Citaat: “a coronation statue now in Turin recounts how his local god, Horus of Hnes (Hutnesu), elevated him to the throne… In the Turin stela, he goes on to record how he was carefully prepared for his role as king as the deputy and prince regent… Eventually, it is Horus of Hnes that presents him to Amun during the Opet Festival procession, and then who proceeds to crown him as king.” (Bron: http://www.touregypt.net/featurestories/horemheb.htm.)

Volgens Gardiner (242f) is er in het Museum van Turijn een fraai standbeeld van man en vrouw tezamen met op de plint een lange inscriptie waarin zijn reis naar Thebe om gekroond te worden wordt verteld na een vaag uitgedrukt voorwoord handelend over zijn antecedenten. Daaruit leren we dat hij kwam uit de onbelangrijke stad Hnes op de oostoever van de Nijl, 110 mijl van Caïro en dat het een gunst van de locale valkgod Horus was aan wie hij zijn bevordering te danken had. Zoals gebruikelijk is de taal die wordt gebruikt om zijn carrière te vertellen zo bloemrijk dat slechts met moeite solide historische feiten eruit kunnen worden getrokken. Een in het voorbijgaan melden van zijn geroepen worden naar het paleis – i.e. into the royal presence – toen ‘the Palace fell into rage’, schijnt erop te duiden dat hij de toorn van Achnaton, aldus Gardiner, Toetanchamon volgens hem elders, Sennacherib volgens Velikovsky, succesvol onder ogen zag. Hij vertelt ons, dat hij handelde ‘as vice-regent of the Two Lands over a period of many years.’ En het werkwoord hier gebruikt komt zo goed overeen met het zelfstandig naamwoord in de titel ‘viceregent (or ‘deputy’) of the king’ gevonden op diverse monumenten, dat wij reden hebben hem te zien als de regering in het noorden uitvoerend terwijl de ketterkoning druk bezig was met zijn religieuze vieringen in het zuiden. Aldus Gardiner, maar het is duidelijk, dat hij onderkoning was in Egypte in het noorden, voor een ver weg zijnde koning. [Afbeelding van dit beeld is te vinden op http://www.kemet.nl/moetnodjemet.]

Citaat van dezelfde website: ‘A middle aged man by the time of his ascent to the throne, he consolidated his rise to pharaoh by marriage to a lady named Mutnodjmet, who was a songstress of Amun…’ Zie https://en.wikipedia.org/wiki/Mutnedjmet .

The name, Mutnedjmet, translates as: The Goddess Mut is the Sweet One or Sweet Mother. Mutnedjemet’s titles include: Hereditary Princess (iryt-p`t), Great King’s Wife (hmt-niswt-wrt), Great of Praises (wrt-hzwt), Lady of Grace (nbt-im3t), Sweet of Love (bnrt-mrwt), Mistress of Upper and Lower Egypt (hnwt-Shm’w -mhw), Songstress of Hathor (hsyt-nt-hwt-hrw), and Songstress of Amun (Sm’yt-nt-imnw)

Velikovsky maakt melding van een gouden scarabee met haar naam. Deze is te vinden in het Brooklyn Museum, zie https://www.brooklynmuseum.org/opencollection/objects/4086.

Haar koninklijke connecties worden niet opgevoerd als de reden voor het huwelijk maar eerder haar goddelijkheid als de dochter van de god Amon. Haar goddelijkheid is verder benadrukt door haar titels van ‘Goddelijke Gade, Hogepriesteres van Amon’ en ‘De Goddelijke Moeder, Geliefde van Isis’. … (Charlotte Booth, “Horemheb: ‘The Forgotten Pharaoh’,” (ebook): het is lastig de info te scheiden van de info over de zus van Nefertiti, die uiteraard niets met de zaak te maken heeft, behalve een vage naamsgelijkenis.)

Ze is dus de dochter van Amon en Horemheb staat met zijn schoonvader afgebeeld op een bekend beeld uit het Museum in Turijn, zie https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Statue_of_Horemheb_with_Amun_(Museo_Egizio).jpg
Een ander beeld van Amon en Horemheb is te vinden op http://www.egyptologie.com/Images/Rois/Horemheb_amon1.jpg.

Gardiner (244) zegt over dit beeld, dat het geen referentie maakt naar zijn relaties met Ay, maar gewoon voortgaat te vertellen hoe zijn god Horus hem zuidwaarts naar Thebe bracht, waar hij werd gekroond door Amon en zijn koninklijke titels kreeg. [Citaat: “… ter gelegenheid van de processie van Karnak naar Luxor, door Amon tot koning aangewezen werd. Dit wordt verhaald op een zwart granieten beeld, in het Museum te Turijn, dat Horemheb en zijn vrouw Mutnedjernet voorstelt.” Bron: https://www.stilus.nl/oudheid/wdo/EGYPTE/GES/HOREMHEB.html.]

Volgens Velikovsky staat Horus symbolisch voor Sennacherib, maar is Amon niet veel meer voor de hand liggend? Dat zou inhouden, dat we in de Amonafbeelding – iemand moet er model voor hebben gestaan – een geflatteerd beeld zien van Sennacherib door Egyptische ogen. De Horus-symboliek wordt echter gesteund door Charlotte Booth (o.c.), die stelt dat anderen dit aspect van de kroningsstele hebben geïnterpreteerd als een metafoor voor Horus (i.e. de Koning [Ay, in haar ogen]) die een incarnatie was van de god, hem als ‘koning’ noemend. … Niet alleen benoemde deze locale god [i.e. Horus] Horemheb als erfgenaam van de troon, maar het is vastgelegd dat hij naar de Karnak- en Luxortempels reisde, persoonlijk Horemheb presenterend aan Amon als de rechtmatige erfgenaam van de troon van Egypte. “Then did Horus proceed amid rejoicing to Thebes, the city of the Lord of Eternity, his son [i.e. Horemheb] in his embrace, to Ipet-esut [Karnak] in order to induct him into the presence of Amun for the handling over to him of his office of king and for the making of his period (of life).”
Horus overhandigde Horemheb aan Amon die “vervuld was met vreugde toen hij hem zag komen op de dag” en hem onmiddellijk kroonde, zijn goddelijk recht om te regeren afrondend en de steun van de goden aan de nieuwe Koning van Opper en Neder Egypte verkondigend. De processie die Horemheb naar Karnak voerde, werd vergezeld van een standbeeld van Horus van Hansu, verzegeld in een schrijn, en was een metafoor van Horus die overhandigt of de presentatie van Horemheb aan Amon. Booth legt uit dat in het Oude Egypte men geloofde dat beelden van de goden de ka of geest van de god bevatte in plaats van uitsluitend een representatie van hen te zijn, en zo kwam het dat de god Horemheb vergezelde. De processie was bedoeld om indruk te maken en werd gadegeslagen en vergezeld door het leger, gekleed in paradeuniformen, op trommels slaand en op ceremoniële trompetten blazend, staatslieden, administrateurs en magistraten in ceremoniële kledij, evenals priesters, die de boot van de god dragen, en de zangeressen van Amon die op instrumenten spelen en zingen. … Zodra de koning de Karnak-tempel betreden had, vergezeld van de hogepriesters van Amon, werd hij naar de ‘pr-wr’ (het Grote Huis) gebracht voor de reinigingsrituelen. … De priesters brachten hem naar de ‘pr nsw’ (het Koningshuis), waar hij werd begroet door een priesteres, gekleed als de godin Mut [i.e. Mutnedjmet], die de gouden uraeus op zijn versgeschoren en gezalfde hoofd plaatste.

Horus, die in zijn schrijn wordt rondgedragen, is Sennacherib in zijn sedan-chair.

Een ander beeld van Horemheb met zijn vrouw, waaruit hun gelijkwaardigheid blijkt, is te zien op https://www.pinterest.co.uk/pin/405886985153496206 met deze beschrijving: “Limestone statue of Horemheb & wife, sat upon thrones with lion-paw feet. Horemheb wears curled lappet-wig, pleated garment with short flared sleeves and sandals; his wife wears gala-wig.”

Het grote edict van Horemheb in de vertaling van James Breasted is te vinden op http://www.touregypt.net/edictofhoremheb.htm.

Het zijn door Horemheb uitgevaardigde “commands … [concerning all] instances of oppression in the land”, die hij gaf om “delivering the Egyptians from the oppressions] which were among them. Behold, his majesty spent the whole time seeking the welfare of Egypt and searching out instances [of oppression in the land].”

Wat opvalt is het eigenbelang dat voorop staat in de orde die hij wil brengen. “Als de arme man voor zichzelf een boot maakte met een zeil om op die manier de Farao LVG! [het ladend met de spullen voor de brouwerijen en de keukens van de Farao, en hij werd beroofd van de boot en] de spullen, stond de arme man beroofd van zijn goederen en was zijn vele werk kwijt. Dit is fout en de Farao zal het onderdrukken door zijn uitstekende maatregelen. Als er een [arme man] is die de spullen levert voor de brouwerijen en keukens van de Farao, L.V.G!, aan de twee gedeputeerden, [en hij wordt beroofd van zijn goederen en zijn boot, beveelt mijn majesteit dat iedere officier die zich meester maakt van spullen] en de boot neemt van enige burger van het leger of van wie ook in het land, de wet aan hem zal worden voltrokken, in dat zijn neus zal worden afgesneden en hij verbannen zal worden naar Tharu.”

Aldus de eerste paragraaf. Velikovsky wijst op de ongekende wreedheid van de straffen. Een dief van huiden moet honderd slagen krijgen, die vijf wonden openen. Dit waren maatregelen zoals bij de Assyriërs: Sennacherib met name liet bij gevangenen in Elam de neuzen afsnijden. Ook valt aan het document de zakelijkheid op. De beschrijving van hem zelf: “Ik heb dit hele land verbeterd … Ik heb het bezeild, zo ver als zuidwaarts van de muur, heb ik gegeven … Ik heb het hele binnenste ervan leren kennen, ik heb het in zijn geheel bereisd tot in het midden. Ik heb gezocht in … [en ik heb twee beambten gezocht], perfect in spraak, uitstekend in goede kwaliteiten, die weten hoe het binnenste hart te beoordelen, die de woorden van het paleis horen, de wetten van de gerechtshal. Ik heb hen aangesteld om de Twee Landen te beoordelen, om hen tevreden te stellen die zijn in … [Ik heb gegeven aan ieder van hen] zijn zetel; ik heb hen gezet in de twee grote steden van het Zuiden en het Noorden, ieder land onder hen moet naar hem komen zonder uitzondering; ik heb voor hen regels opgesteld in het dagelijkse register [van het paleis] … Ik heb [hen] gewezen naar de weg van leven, ik leidde hen naar de waarheid. Ik leer hen, zeggend: ‘Associeer niet met anderen van het volk, ontvang geen beloning van een ander, niet luisterend … Hoe dan zullen zij als jullie anderen oordelen, terwijl er onder jullie iemand is die een misdaad tegen het recht begaat.”

Velikovsky wijst ter vergelijking op de eerste regels van de annalen van Sennacherib, waar deze zich afschildert als: “… de wijze heerser (lett. herder), favoriet van de grote goden, beschermer van het recht, minnaar van justitie; die steun geeft, die de behoeftigen te hulp komt, die (zijn gedachten) keert naar vrome daden; perfecte held, machtige man; eerste onder de prinsen, de machtige [‘de vlam’, zegt Velikovsky] die hem die zich niet onderwerpt verteert, die de boosdoener slaat met de bliksem…”

In Velikovsky’s reconstructie is Haremhab de tijdgenoot van Sheshonk, de zoon van Osorkon II. In de tijd van de laatste had een grote overstroming plaats, waarvan Velikovsky melding maakt in het tweede gedeelte van ‘Worlds in Collision’ (1972/1950, 204), die tegelijkertijd plaats had met de zgn. ‘raash’ (schudden van de aarde door een bijna-botsing met Mars) van Uzzia in –747, in het derde jaar van Orsokon. Hier echter komt Velikovsky met een andere berekening en zegt dat Osorkon regeerde na de tijd van Jeroboam II, i.e., na –744, kennelijk het bovenstaande vergetend. Hij baseert zich in het volgende op het onderzoek van Ahmad Badawi, maar dit wordt sterk in twijfel getrokken door Eric Aitchison, in zijn ‘Revisiting Velikovsky’ (ebook), die het ook niet makkelijker maakt. Zijn Haremhab was farao van 702-690 en hij heeft een Osorkon van 721-713 en een andere Osorkon in de jaren van Sargon II van 714-699. De Osorkon II, die gelijktijdig is met Jeroboam II (792-751), plaats hij in 793-770 VC, zodat ook hier de gelijktijdigheid met Uzza wegvalt. Ik ga daar hier nu niet verder op in.

Een andere tijdgenoot van Haremhab is Tirhaka, wat ook te lezen is op deze site: http://queennefertiti-amaic.blogspot.nl/2012/10/dr-immanuel-velikovsky-had-pharaoh.html met daarop het plaatje zonder gegevens, dat ik boven de eerste aflevering heb geplaatst. Het is niet de scène die Velikovsky beschrijft, want dat is een reliëf. Een andere kwestie is het graf van Petamenophis (TT 33), dat van de 26e dynastie is en toch een cartouche van Horemheb bevat (zie http://www.touregypt.net/featurestories/petamenophis.htm) naast de naam van Petamenophis.

De eerste campagne van Sennacherib had plaats in 701. De tweede had plaats in 686. Deze laatste campagne is niet opgenomen in de annalen van Sennacherib, die we boven gezien hebben, want hij liep niet goed af en dan is er geen reden om erover te juichen. Terwijl Sennacherib oorlog aan het voeren was in het oosten tegen Elam, was Hizkia bezig met het aanleggen van versterkingen en sloot een verbond met de Egyptenaren en de Ethiopiërs. Volgens de bijbel legde hij de vijver en de waterleiding aan en bracht het water naar de stad, wat uitgebreider is beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda (2 Kon. 20:20), wat duidelijk niet ons boek der kronieken is, waarin slechts staat, dat Hizkia de bovenste uitgang van het water van Gichon dichtstopte en het naar beneden westwaarts naar de stad Davids leidde. (2 Kr. 32-30)

Velikovsky wijst op een gevonden inscriptie, de zogeheten Siloaminscriptie (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Siloaminscriptie), gedateerd rond –700. De tekst van de inscriptie bestaat uit zes regels van ongelijke lengte en beschrijft de aanleg van de tunnel. De tekst is op enkele plaatsen beschadigd. De gereconstrueerde tekst laat zich als volgt vertalen:
“[Dit] is de tunnel en op deze wijze is de tunnel uitgebroken. Terwijl [de steenhouwers hieuwen met] hun houwelen, de een richting de ander, en met nog 3 ellen te g[aan], de stemmen van de roepende mannen de een naar de ander [konden worden gehoo]rd, want er was een ‘zdh’ [‘overlap’, aldus V.] rechts en [links]. De dag dat de doorbraak gemaakt werd, hieuwen de steenhouwers richting elkaar, houweel tegen houweel, en het water vloeide van de bron naar de poel, [twaal]fhonderd ellen, ondanks dat de hoogte van de rots boven de hoofden van de steenhouwe[rs] honderd el bedroeg.” [Over de betekenis van het woord ‘zdh’ bestaat onder Hebraeïci geen overeenstemming; voorgestelde vertalingen zijn onder meer ‘barst’, ‘overlap’, ‘ontmoeting’ en ‘toename (van geluid)’.]

Kortom, een fijn staaltje van ingenieurskwaliteiten. Meer over de tunnel van Hizkia is te vinden op https://www.biblicalarchaeology.org/daily/biblical-sites-places/jerusalem/hezekiah%E2%80%99s-tunnel-reexamined/

Twijfel over Velikovsky’s datering van Horemhem wordt gezaaid door de identificatie met Arma’a, zie http://www.historycy.org/index.php?showtopic=48458&mode=threaded&pid=491670, wat ik nog verder moet uitzoeken (of wat verder moet worden uitgezocht, want ik kan niet alles doen).

Hizkia (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Hizkia) was koning van Juda van 725 tot 696 aldus de genoemde Wikipedia pagina. Maar als Sennacherib Juda binnenviel in –701 en dit was in het 14e jaar van Hizkia, dan begon zijn regering in –715 en duurde dan tot 686. De bekende dodelijke ziekte, waarvan hij werd genezen met de hulp van Jesaja, was tijdens de eerste inval door Sennacherib. De profeet beloofde Hizkia een extra 15 jaar en in totaal regeerde hij 29 jaar, vanaf zijn 25e tot zijn 54e en hij stierf tijdens of kort na de tweede campagne van Sennacherib. Het bezoek van de gezanten van Merodach-Baladan (2 Kon. 20:12), de koning van Babel, die had gehoord van de ziekte van Hizkia en hem een brief en geschenken zond, moet aldus Velikovsky eerder hebben plaatsgevonden dan na de vernietiging van het leger van Sennacherib, dat dus plaatsvond in het laatste jaar van Hizkia. Velikovsky wil het zelfs plaatsen vóór de eerste campagne van Sennacherib, omdat Hizkia die gezanten al zijn schatten liet zien; maar dat klopt niet met de ziekte van Hizkia, die in zijn 14e jaar was. Bovendien zegt Jesaja, dat al die schatten die hij liet zien op een dag naar Babel zullen worden gesleept, dus moet de tribuutbetaling aan Sennacherib al hebben plaatsgevonden.

In –687 kwam Sennacherib dus voor de tweede maal naar Jeruzalem om de opstandige Hizkia een kopje kleiner te maken, maar dat liep anders; en als een geslagen hond droop hij af en de laatste zeven acht jaar van zijn leven onthield hij zich van militaire activiteiten en bracht zijn dagen door neergeknield voor het beeld van de god Nergal, de planeet Mars, en was in die houding vermoord door twee van zijn zonen, Adrammelek en Sareser, aldus 2 Kon. 19:37, waar de god niet Nergal maar Nisrok wordt genoemd, een god met een adelaarskop (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Nisroch); Josephus noemt de naam van ‘zijn eigen’ tempel: Araske. (Zie https://de.wikisource.org/wiki/RE:Araske.) [Zie de video Death of King Sennacherib (02:10 min.): https://youtu.be/Q6XzF-phlYc.]

Lees het vervolg: Het Velikovsky Syndroom (22): De Assyrische verovering deel 3: Seti de Grote.

[1] Zie p. 73: Nagitu, Hittite people [onduidelijk of die horen bij wat volgt.] Machtige schepen (naar) het vakmanschap van hun land, bouwden ze gezwind. Tyrische, Sidonische en Cypriotische zeelieden, gevangenen van mijn land, beval ik de Tigris met die [schepen] af te zakken en aan land te gaan bij de werven (?) te Opis. [Etc.] Verderop [r. 73 e.v.] is hij op zee met machtige golven, die zijn tent binnendringen. Zie ook p. 78 voor Hittite ships, waarmee hij kennelijk de Perzische Golf (Bitter-Sea) oversteekt. P. 86, uitgelegd als Fenicische schepen.

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Velikovsky

Leave a comment

Your email address will not be published.

*