Cor Hendriks – Het Velikovsky Syndroom (20): De Assyrische verovering deel 1 De tijd van Jesaja

Er ontbreekt een deel in de reconstructie van de oude geschiedenis van Velikovsky, een deel dat hij “In the Time of Isaiah and Homer” wilde noemen (PotS, 203 n. 1), maar dat hij in twee delen samenstelde, waarvan het ene deel ‘The Assyrian Conquest’ heet en het andere ‘The Dark Age of Greece’. Hoewel beide hetzelfde tijdvak beslaan, is het toch handiger de delen gesplitst te houden en hier bespreek ik alleen het deel over de Assyrische verovering, dat aan het slot van dit drieluik in PDF is bijgevoegd (een onbewerkte tekst is te vinden op https://mafiadoc.com/the-assyrian-conquest-by-immanuel-velikovsky-lunas-little-_5a16e7de1723ddb6f5d623c5.html). Het geheel is in drieën gedeeld. Deel 1 is genaamd ‘De tijd van Jesaja’, deel 2 ‘De Assyriërs in Egypte’ en deel 3 ‘Seti de Grote’.

We beginnen waar ‘Ages in Chaos’ (1952) ophield, d.w.z. na de tijd van Achnaton en Toetanchamon in ca. 840, die Velikovsky ook afzonderlijk heeft behandeld in ‘Oedipus en Achnaton’. Deze tijd, waarin het huis van Achnaton uitstierf, is voor de gewone geschiedschrijving onduidelijk. We beginnen dus in het graf van Toetanchamon, waarin de jonge koning staat afgebeeld in oorlog met de Ethiopiërs en Syriërs. In de oorlog met zijn broer had Smenchkare de hulp ingeroepen van buitenlanders. Beiden stierven in deze oorlog en Ay, de broer van koningin Tiy, de moeder van Achnaton, nam de regering over. Hij regeerde echter niet lang, want een buitenlandse invasie maakte er een eind aan.

In de conventionele chronologie wordt Ay gevolgd door Horemheb, maar een verbinding tussen die twee is er niet en in de herziene chronologie zijn ze in feite 150 jaar van elkaar gescheiden. Want na de 18e dynastie volgt niet, zoals je zou verwachten, de 19e, maar ingeschoven zijn nog de Libysche dynastie van Sjesjonk en Orsokon, de 22e, en de Ethiopische dynastie van Tirhaka, etc. De overgang tussen deze twee ligt vast op rond –712, wat wordt ondersteund door bronnen uit de Bijbel en Assyrië. Het gaat dus om het begin van de Libysche dynastie, d.w.z. van Sjosjenk I, waarvan wordt aangenomen dat hij de Sjisjak van de Bijbel is. Aangezien dit Toetmosis III is, vervalt de –950 datum voor Sjosjenk I. Volgens Velikovsky is hij daarentegen farao So uit de 8e eeuw en waren hij en Osorkon I gelijktijdig met Elibaal en Abibaal in Byblos.

Volgens de conventionele chronologie zijn er maar een twintigtal jaren tussen de 18e en 19e dynastie, maar het culturele verschil is enorm. Daarentegen zijn er grote overeenkomsten tussen de kunst van de 18e dynastie en die van de Libysche. Als voorbeeld geef ik – geheel buiten het werk van Velikovsky om (ik zal hier in een apart artikel uitgebreider op terugkomen) – het volgende beeldje, dat onder de benaming ‘Familiegroep’ als nr. 52 is opgenomen in ‘Goden en farao’s’, de catalogus van de expositie in Museum Boymans-van Beuningen in 1979 [zie foto’s in http://archiv.ub.uni-heidelberg.de/propylaeumdok/2325/1/Jansen_Winkeln_Zu_zwei_Personen_2006.pdf]. Bij dit beeldje wordt het volgende gezegd: “Het geven van een andere vorm aan oudere kunstwerken door latere gebruikers is in Egypte een graag toegepaste methode. Deze groep van een echtpaar vertoont stilistisch de kenmerken van de rijpe 18de Dynastie, de tijd van Tuthmosis IV, onder wie het individualiseringsproces in de kunst begint. De inscripties hebben echter betrekking op een hogepriester van Ptah in Memphis ten tijde van koning Scheschonk I, Schedsu-nefertem.” Dit wordt uitgelegd als hergebruik! Dus 500 jaar later zet iemand zijn naam op een beeldje en laat de nodige aanpassingen aanbrengen om het zich toe te eigenen, alsof het niet eenvoudiger is om gewoon een nieuw beeld te maken [wordt vervolgd, want wie dit boek heeft, kan erin nog meer gevallen van hergebruik vinden].

Een specifiek iets voor de regering van Achnaton was de verering van Aton, die hij probeerde te zetten in plaats van de algehele verering van Amon. Toetanchamon was opgevoed met de cultus van Aton, maar ging terug naar die van Amon, zoals blijkt uit de naam waaronder hij is begraven. Hij regeerde maar kort en na zijn dood overleefde niet alleen de cultus van Amon, maar ook die van Aton onder de Libysche dynastie. Een priester van Osorkon II wordt op een stele omschreven als ‘Profeet van Amonrasonter in Karnak die Aton van Thebe overpeinst’, ‘alsof de priester leefde in Amarna-tijden!’ (aldus H. Kees). Ook is er het feit dat de Ethiopische tempelstad Gem-Aten, bekend van de annalen van de Nubische koningen, dezelfde naam heeft als Achnatons tempel te Thebe (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Great_Temple_of_the_Aten). Uit opgravingen bleek dat de tempel was gesticht door Amenophis III (zie https://amenhotepiii.weebly.com/the-religion-of-amenhotep.html). De eerste na Achnaton om over Gem-Aten te spreken was Tirhaka (ca. 690), volgens de conventionele chronologie bijna 700 jaar later.

In de conventionele chronologie wordt koning Ahab van Israël gelijktijdig gesteld met Osorkon II gebaseerd op de vondst van een albasten vaas met Osorkon II’s naam in Ahabs paleis te Samaria. Volgens de reconstructie leefde Ahab ten tijde van Achnaton, dus hoe zit dat met die vaas? Allereerst is het van belang vast te stellen, dat het paleis van Ahab gebouwd werd door zijn vader Omri op maagdelijke grond; er zijn dus geen oudere resten onder de fundering. Nu werden op de vloer van het paleis talloze scarabeeën gevonden waaronder een met de cartouche van Toetmosis III, wat gezien werd door de opgravers als een locale imitatie gezien de 6 eeuwen tijdsverschil. Maar als Toetmosis III, i.e. Sjisjak, in zijn ware tijd wordt geplaatst, dan is er maar weinig verschil in tijd met Omri. Nu de vaas; deze werd aangetroffen tussen potscherven, die toentertijd werden gebruikt als een soort kladblaadjes, met berichten, waarvan sommigen waren gedateerd in het zoveelste jaar van een niet genoemde koning, Ahab naar men aannam. Nadere bestudering onthulde echter dat de vaas uit een latere laag was dan de potscherven. Als deze potscherven uit de tijd van Ahab zijn, dan moeten ze overeenkomen met de stele van Mesha, maar in feite komen ze meer overeen met de tekens van de Sjiloa-inscriptie van koning Hizkia van ca. –700. Ook in Samaria werden op de daar gevonden ivoorsnijwerken lettertekens aangetroffen, die overeen kwamen met de stijl van de Mesha-stele, en dus dateren uit de 9e eeuw. Ze zijn dus ouder dan de potscherven, die dus dateren van een latere koning van Israël. Aangezien een potscherf spreekt van het 17e jaar komen alleen Jeroboam II en Peka in aanmerking en geconcludeerd werd dat de potscherven zijn geschreven in de tijd van Jeroboam II (ca. –785 tot –744). Het zgn. ‘Huis van Osorkon’, zo genoemd naar de vondst van de vaas, is gebouwd op de laag met de potscherven en Osorkon II moet dus later hebben geregeerd dan Jeroboam II.

Door de revolutie van Jehu (2 Kon. 9 e.v.) kwam een einde aan het huis van Omri, want Jehu liet alle zonen, 70 ten getale, doodslaan evenals al Achabs rijksgroten, vertrouwelingen en priesters (10:11). Vervolgens liet hij een feestmaal voor Baal aanrichten en de op deze listige wijze vergaderde priesters van Baal ombrengen (10:25). Hij was echter niet consequent, want hij liet de gouden kalveren in Dan en Betel staan. Als beloning voor zijn goede werken zullen zijn zonen tot het vierde geslacht op de troon zitten. Als straf voor zijn slechte werken begon Jahwe in die dagen Israël te besnoeien, want Hazaël sloeg hen in het hele gebied van Israël oostelijk van de Jordaan: het gehele gebied van Gilead, de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten, van Aroër aan de beek Arnon, zowel Gilead als Basan. (10:32)

Terwijl Israël en Juda verwikkeld waren in revoluties en onderlinge oorlogen, werd de penetratie van de Assyriërs in het gebied steeds sterker. Dat was al begonnen met Ashurnasirpal (ca. –883 tot –859), de vader van Shalmaneser III, bekend als Burraburiash, koning der Hatti, van de Amarna-brieven, die te Qarqar tegen een coalitie van troepen vocht, waarin ook Achab van Samaria participeerde, gesteund door een brigade van Egyptische (Musri) troepen. In plaats van troepen zo ver van huis te sturen steunde Shalmaneser de opstanden van locale leiders, zoals Mesha in zijn rebellie tegen Achab. Hij vocht op vele fronten, o.a. met Sapalulme van Hattina, die Velikovsky identificeert met Suppiluliumas, de koning der Hatti, schrijver van een of meer brieven in de Amarna-brieven.

Jehu ging op bezoek bij Shalmaneser in of rond –841 in een vergeefse poging om de opmars van Hazaël tot staan te brengen. Hij is afgebeeld neergeknield voor Shalmaneser (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Black_Obelisk_of_Shalmaneser_III). De naam van Jehu luidt ‘Yaw, zoon van Omri’, wat enigszins vreemd aandoet, aangezien hij het huis van Omri had uitgeroeid, maar hij is zelf in dat paleis van Omri gaan wonen en zijn naam Yaw wijst op zijn toewijding aan de religie van Jahwe. De Jehu-figuur op de obelisk wordt vaak gezien als een gezant van Jehu, misschien vanwege de eenvoudige kleding en de muts, maar Jehu was niet van bijzondere afkomst: de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, en legeroverste, gezalfd door een profeet van Elisa op bevel van Jahwe (2 Kon. 9:11-3) [Zie film vanaf 2:30: https://www.youtube.com/watch?v=MguRwtjyncg].

Het zien van deze video maakte me bekend met de Tel-Dan stele, gevonden in 1993 en 1994 (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Tel_Dan_Stele), waarop te lezen staat, dat niet Jehu, maar Hazaël degene was die Joram [Eng. Jehoram], de zoon van Achab, de koning van Israël, doodde evenals Achazja [Eng. Ahaziah], de zoon van Jehoram, koning van het huis van David. En hij maakte hun steden tot puinhopen en veranderde hun land in een wildernis. In de zwaar beschadigde regel 11 wordt ook Jehu genoemd, die kennelijk de leiding over Israël overnam en eveneens door Hazaël wordt belegerd (regel 13, eveneens zwaar beschadigd). Ik moet dit nog verder bestuderen, want de regel over de 70 koningen, die duizenden strijdwagens en duizenden ruiters harnasten (6 en 7) wordt op een andere site (http://www.newworldencyclopedia.org/entry/Tel_Dan_Stele) vertaald als: ‘Ik doodde twee machtige koningen, die 2000 strijdwagens en 2000 ruiters harnasten.’ Waarna Hazaël claimt Joram en Achazja te hebben gedood. Kortom, zij zijn die twee koningen met die 2000 strijdwagens en 2000 ruiters. Dat Hazaël zijn vader heeft vermoord, zoals in de Bijbel staat, zal hij uiteraard niet op een stele laten vastleggen, maar uit de stele blijkt dat zijn vader eerst stierf, waarna de koning van Israël zijn land binnenviel, waarop de god Hadad Hazaël tot koning maakte en voor hem uitging toen Hazaël de koning van Israël aanviel.

Een bespreking is ook te vinden op http://www.biblearchaeology.org/post/2011/05/04/The-Tel-Dan-Stela-and-the-Kings-of-Aram-and-Israel.aspx (met dezelfde vertaling als Wikipedia: 70 koningen, etc.), waar ook de oorlogen van Hazaël met Assyrië worden beschreven, die hem bezig hielden van ca. 841 tot 836. Shalmaneser III trof in zijn 18e jaar (ca. 841) Hazaël bij de berg Senir, doodde 16.000 Aramese soldaten, ving 1121 strijdwagens, 470 paarden en het kamp van Hazaël. In zijn 21e jaar (ca. 838) veroverde Shalmaneser III vier van Hazaëls grotere steden. Na 836 hervatte Hazaël zijn agressie jegens Israël en Juda, maakte de bovenvermelde veroveringen ten oosten van de Jordaan en viel in het 23e jaar van Joas, de zoon van Achazja, Jeruzalem aan en werd afgekocht. (2 Kon. 12:17-18) Maar in het laatste jaar van Joas’ regering tijdens oud en nieuw trok het leger van Aram tegen hem op. Zij drongen door tot Juda en Jeruzalem en verdelgden alle volksoversten onder het volk en zonden de gehele buit aan de koning van Damascus. (2 Kron. 24:23)

Ook de zoon van Hazaël, Ben Hadad III, bleef Israël aanvallen. Maar tijdens de regering van Joachaz, de zoon van Jehu, zond Jahwe een verlosser, zodat zij onder de overheersing van Aram uitkwamen en de Israëlieten in hun tenten konden wonden als tevoren. (2 Kon. 13:4-5) Deze verlosser was hoogst waarschijnlijk de Assyrische koning Adadnirari III (ca. 810-783), die Damascus in 806 aanviel. Hazaël stierf rond de tijd, dat Joas op de troon van Israël kwam (ca. 798), werd opgevolgd door Benhadad, die in drie oorlogen tegen Joas de door zijn vader veroverde steden weer verloor (13:25). Dat hij ook in andere oorlogen niet succesvol was, zou blijken uit de zgn. Zakkur-stele (https://en.wikipedia.org/wiki/Stele_of_Zakkur), waarin Zakkur, de koning van Hamath en Luash, spreekt over een coalitie van 17 koningen onder leiding van Bar-Hadad, de zoon van Hazael, de koning van Aram. Al deze koningen belegerden Hazrach. De god Baalshamayn zei tegen de koning: ‘Wees niet bang! Ik zal je redden van al diegenen, die je belegeren.’ Tot zover wordt geciteerd, maar het is duidelijk dat Zakkur de strijd won, vanwaar hij de stele opzette. Joas werd opgevolgd door Jeroboam II, die het gebied van Israël heroverde, van de weg naar Hamath tot de Zee der Vlakte (Arabah) (2 Kon. 14:25), een oude naam voor de Dode Zee, aldus Velikovsky. Het overige van de geschiedenis van Jeroboam en al wat hij gedaan heeft en zijn dappere daden, hoe hij gestreden heeft en hoe hij Damascus en Hamath, (die eens behoord hadden) aan Juda, aan Israël teruggebracht heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Israël? (14:28) Helaas wordt hiermee niet het boek Kronieken, dat we thans bezitten, bedoeld maar een verloren gegaan boek, zodat we over die verdere dappere daden van Jeroboam niets weten, net zo min als hoe hij Hamath heeft veroverd, wat natuurlijk een tijdje na Zakkur was.

We komen nu terecht bij de laatste koningen van Israël, in de tijd van de profeet Amos, een schapenfokker uit Tekoa (een stad in het gebergte van Juda), die leefde in de tijd van Uzzia, koning van Juda, en Jeroboam II, koning van Israël. Hij had zijn visioen twee jaar vóór de aardbeving (Amos 1:1) van –747. Hij voorspelt voor Damascus, dat Jahwe vuur zal werpen in Hazaëls huis, zodat het Benhadads burchten verteert, en Hij zal de grendel van Damascus breken en de inwoners uitroeien uit Bikar-Awen (= Vallei van slechtheid) en de scepterdrager uit Beth-Eden (Huis van plezier, allebei namen voor Damascus) en Arams bevolking zal in ballingschap gaan naar Kir. (1:4-5) Kir is het land, waar Jahwe de Arameeërs vandaan had gevoerd, zoals hij Israël uit Egypte en de Filistijnen uit Kaftor had gebracht (9:7). Hierheen werden ze weggevoerd door Tiglat-Pileser III, die regeerde over Assyrië van 745-727, een militair, die door een revolutie aan de macht kwam en over buitengewone capaciteiten beschikte (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Tiglat-Pileser_III) en een herleving van de macht van Assyrië bewerkstelligde. Reeds in zijn tweede jaar marcheerden zijn legers westwaarts en trok op tegen Israël, waar op dat moment Menachem koning was, die Pul, zoals Tiglat-Pileser ook wordt genoemd, afkocht voor 1000 talenten zilver (2 Kon. 15:19).

Een citaat uit de annalen van Tiglat-Pileser III: “I received tribute from Kuštašpi of Commagene, Rezon of Damascus, Menahem of Samaria, Hiram of Tyre, Sibitti-bi’li of Byblos, Urikki of Qu’e, Pisiris of Karchemiš, I’nil of Hamath, Panammu of Sam’al, Tarhulara of Gurgum, Sulumal of Melitene, Dadili of Kaska, Uassarme of Tabal, Ušhitti of Tuhana, Tuhamma of Ištunda, Urimme of Hubišna, and Zabibe, the queen of Arabi – gold, silver, tin, iron, elephant-hides, ivory, linen garments with multicolored trimmings, blue-dyed wool, purple-dyed wool, ebony-wood, boxwood-wood, whatever was precious enough for a royal treasure; also lambs whose stretched hides were dyed purple, wild birds whose spread-out wings were dyed blue, furthermore horses, mules, large and small cattle, male dromedaries, female dromedaries with their foals.” (Bron: http://www.livius.org/sources/content/anet/283-the-annals-of-tiglath-pileser)

Een ander citaat van de Calah inscriptions: “As to Hanno of Gaza (Ha-a-nu-ú-nu alHa-az-za-at-a-a) who had fled before my army and run away to Egypt, [I conquered] the town of Gaza,…his personal property, his images…[and I placed (?)] (the images of) my […gods] and my royal image in his own palace and declared (them) to be (thenceforward) the gods of their country. I imposed upon th[em tribute]. [As for Menahem I ov]erwhelmed him [like a snowstorm] and he fled like a bird, alone, [and bowed to my feet(?)]. I returned him to his place [and imposed tribute upon him, to wit:] gold, silver, linen garments with multicolored trimmings,…great…[I re]ceived from him. Israel (lit.: “Omri-Land” Bît Humria)…all its inhabitants (and) their king Pekah (Pa-qa-ha) and I placed Hoshea (A-ú-si-‘) as king over them. I received from them 10 talents of gold, 1,000(?) talents of silver as their [tri]bute and brought them to Assyria.” (Bron: http://people.bethel.edu/~pferris/historical/hidden/HistSynopsisLinks/tiglathinscription1.htm)

Terwijl Tiglat-Pileser op campagne is in het noorden en oosten, kwam door een paleisrevolutie Pekach aan de macht in Israël (2 Kon. 15:25). Hij sloot een verbond met Resin, de koning van Aram, en samen trokken ze op tegen Jeruzalem, waar inmiddels Achaz, de zoon van Jotam, koning was. Ze belegerden de stad, maar konden die niet innemen. In die tijd heroverde Resin Elat voor Aram en wierp de Judeeërs uit Elat; en de Edomieten kwamen naar Elat en woonden daar tot op de huidige dag. Toen zond Achaz boden naar Tiglat-Pileser, de koning van Assur, om te zeggen: Ik ben uw knecht en uw zoon; trek op en verlos mij uit de macht van de koning van Aram en uit de macht van de koning van Israël, die tegen mij zijn opgetrokken. Achaz nam het zilver en het goud, dat zich bevond in het huis van Jahwe en in de schatkamers van het koninklijk paleis en hij zond het als een geschenk aan de koning van Assur. En de koning van Assur gaf hem gehoor en trok op tegen Damascus, nam het in en voerde de bevolking in ballingschap weg naar Kir; en Resin bracht hij ter dood. Daarop ging koning Achaz Tiglat-Pileser, de koning van Assur, tegemoet naar Damascus (2 Kon. 16:5-10).

In de dagen van Pekach, de koning van Israël, kwam Tiglat-Pileser, de koning van Assur, en veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maäka, Janoch, Kedes en Hasor, Gilead en Galilea, het gehele land van Naftali; en hij voerde de bevolking in ballingschap naar Assur. En Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekach, de zoon van Remaljahu; hij sloeg hem dood en werd koning in zijn plaats in het twintigste jaar van Jotam, de zoon van Uzzia (2 Kon. 15:29-30).

Zie ook: Jordan Rodriguez heeft dit bewaard op Bible archeology: “Annals of Tiglath Pileser III This tablet records Tiglath-pileser receiving tribute from Judah and taking some of the northern kingdom of Israel into exile. He also records that Pekah was overthrown and he placed Hoshea on the throne of Israel. This is the same event as recorded in the Bible in 2 Kg 15:29-30.” (Bron: https://www.pinterest.co.uk/pin/548242954609013869/)

Toen Tiglat-Pileser stierf, maakte Hosea enige bewegingen richting onafhankelijkheid. Tegen hem trok Salmaneser (V), de koning van Assur, op; en Hosea onderwierp zich aan hem en betaalde hem schatting. Maar toen de koning van Assur een samenzwering bij Hosea ontdekte, dat hij gezanten naar So, de koning van Egypte, gezonden had en aan de koning van Assur geen schatting meer opbracht, zoals van jaar tot jaar [het geval was geweest], nam de koning van Assur hem gevangen en sloot hem in de boeien in de gevangenis. De koning van Assur trok door het gehele land, rukte op naar Samaria en belegerde het drie jaar. In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden (2 Kon. 17:3-6).

Wie nu was deze farao So? Aangezien het ten tijde van de Libysche dynastie is, die eindigde in –712, moet het wel een van de Sjosjenks zijn. En aangezien op een van de muren van Karnak een afbeelding te zien is van Sjosjenk Hedjkheperre met Israëlische steden als tribuutbrengers is hij de meest voor de hand liggende kandidaat voor de rol van So. Een nadeel is dat hij altijd wordt voorgesteld als de beginner van de Libysche dynastie en daarom Sjesjonk I wordt genoemd. Maar misschien was hij wel de laatste. Dit punt is door Velikovsky niet verder uitgewerkt. Ook uit de naam Osorkon kan de naam van farao So zijn afgeleid (zie: Arie Dirkzwager, ‘Pharaoh So and the Libyan Dynasty’, in: Catastrophism and Ancient History 3, 1981, 19-24; http://www.dirkzwagerarie.be/joomla/files/So%20and%20Libyan%20Dynasty.PDF. Zie ook http://starways.net/lisa/essays/slibyanstext.html, evenals http://www.starways.net/lisa/essays/scarab.html. Voor een ander idee, n.l. dat So is Shabaka, zie http://sargonsennacherib-amaic.blogspot.nl/2012/10, waarvoor zie ook https://ses.library.usyd.edu.au/handle/2123/5973).

Dit is hoe Sargon II de verovering van Samaria beschrijft:

“At the beginning of my royal rule, I…the town of the Samarians I besieged, conquered (2 Lines destroyed) [for the god…] who let me achieve this my triumph… I led away as prisoners [27,290 inhabitants of it (and) equipped from among them (soldiers to man)] 50 chariots for my royal corps… The town I rebuilt better than it was before and settled therein people from countries which I had conquered. I placed an officer of mine as governor over them and imposed upon them tribute as is customary for Assyrian citizens.” (Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Annals_of_Sargon_II)

In die tijd (van Jesaja) waren er grote catastrofen, waarover verslag wordt gedaan in het tweede deel van ‘Worlds in Collision’. Als gevolg daarvan gingen veel volken aan de wandel. Zo verhuisden de Phrygiërs van Thracië naar Anatolië (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Phrygians), waar volgens de traditie hun eerste koning Gordias was, die de stad Gordion (https://en.wikipedia.org/wiki/Gordium) stichtte. Zijn zoon Midas moest de hulp inroepen van Sargon II bij een invasie van Cimmeriërs, aldus Strabo. Deze waren in 705 verslagen door Sargon II en vielen toen Anatolië binnen (https://en.wikipedia.org/wiki/Cimmerians), dat ze in 696/5 veroverden.

Een andere groep van binnenvallende volken in het Assyrische rijk waren de Skythen (zie https://en.wikipedia.org/wiki/Scythians), die op dat moment Mars vereerden in de vorm van een zwaard. Volgens Velikovsky werden ze ook Umman-Manda genoemd, oftewel Volk van Saturnus, in de Akkadische en zogeheten Hittitische literaire teksten. Dit zijn vergaande assumpties, want de identificatie van de Skythen met deze Umman Manda, wat in het Akkadisch ‘de horde van wie weet waarvandaan’ betekent (https://en.wikipedia.org/wiki/Umman_Manda), staat in het geheel niet vast; het zouden ook de Cimmeriërs kunnen zijn.

Het laatste onderwerp van dit eerste deel van ‘The Assyrian Conquest’ betreft de verovering van Asjdod. Op de provisorische wikipedia pagina (https://en.wikipedia.org/wiki/Annals_of_Sargon_II) zijn de belangrijkste feiten als volgt weergegeven:

737 BCE: Yahu-Bihdi, a Hittite, establishes allegiances with Arvad, Simirra, Damascus and Samaria and declares independence from Assyria. Sargon captures him after laying siege to the city of Qarqar (Karkar), burning the city to the ground and executing Yahu-Bihdi by flaying.
731 BCE: Sargon attacks a number of Arabic tribes, including the Ibadidi and Marsimani; deporting the survivors of his campaign to Samaria.
727 BCE: Sargon deposes Aziru, king of Ashdod and puts Aziru’s brother Ahimiti on the throne. The Hittites revolt against this edict; Sargon in response lays siege to Ashdod, conquering it and making it a vassal state. (Naar: Matthews, Victor Harold; Benjamin, Don C. (2006). Old Testament parallels: laws and stories from the ancient Near East. Paulist Press. pp. 185–188)

Dit laatste volgens de annalen van Sargon: “Azuri king of Ashdod, not to bring tribute his heart was set, and to the kings in his neighbourhood proposals of rebellion against Assyria he sent. Because of the evil he did, over the men of his land I changed his lordship. Akhimiti his own brother, to sovereignty over them I appointed.” (Bron: https://historyancientphilsophy.wordpress.com/2017/03/03/akhimiti-and-archimedes/)

Na de val van Samaria verdween het laatste bolwerk van verzet tegen Assyrië en de laatste van de Libysche heersers waren gedwongen tribuut te betalen: in het 7e jaar neemt Sargon “Pir’u de koning van Musru’ [i.e. Farao of Misraïm] op onder zijn tribuutzenders. Later in datzelfde jaar greep een zekere Yamani de macht in Asjdod en probeerde een anti-Assyrische coalitie op touw te zetten, waarbij hij Egypte hoopte in te schakelen door omkoopsommen te zenden naar Pir’u koning van Musru, die hem, aldus Sargon, niet kon helpen. De opstandige prins probeerde ook Juda (Ia-u-di) in de samenzwering te betrekken, maar Hizkia, waarschijnlijk op aandringen van Jesaja [Canisius, p. 842 n. 1: Isaias had dit drie jaar tevoren voorspeld, en Juda het bondgenootschap met Egypte ontraden, omdat Egypte zelf door Assyrië zou worden vernietigd.], weigerde mee te gaan in dit riskante avontuur. Toen Sargon werd geïnformeerd over de opstand van Yamani zond hij troepen, die de steden innamen, zodat Yamani moest vluchten naar Egypte, thans onder Ethiopische heersers.

Zie b.v. “The city was not rebuilt until at least 815 BCE, asdûdu led the revolt of Philistines, Judeans, Edomites, and Moabites against Assyria after expulsion of king Ahimiti, whom Sargon had installed instead of his brother Azuri. Gath belonged to the kingdom of Ashdod at that time, assyrian king Sargon IIs commander-in-chief, whom the King James Bible calls simply Tartan, Isaiah 20,1 regained control of Ashdod in 712/711 BCE and forced the usurper Yamani to flee. Sargons general destroyed the city and exiled its residents, including some Israelites who were settled in Media.” (Bron: https://wikivividly.com/wiki/Annals_of_Sargon_II)

Citaat: “Yamani of Ashdod feared my weapons, left his wife, sons and daughters, fled to the border of Egypt which is on the frontier of Ethiopia, and lived there like a thief… As for the king of Ethiopia, the fear of the splendour of Ashur, my lord, overwhelmed him, and he cast Yamani into fetters, (binding) his hands and feet, and brought him into Assyria into my presence… (Fohn Boardman (ed.), ‘The Cambridge Ancient History’, 1982, 16)

Geen melding wordt gemaakt van “Pir’u koning van Musru”, wiens hulp Yamani een paar maanden eerder nog had gezocht, en aangenomen moet worden dat hij is afgezet door de koning van Ethiopië. Dit is het eerste optreden van de Ethiopiërs in de Assyrische annalen.

Dezelfde gebeurtenissen worden door de tijdgenoot Jesaja beschreven in het korte twintigste hoofdstuk, dat begint met: “In het jaar dat Tartan [NBG: de veldmaarschalk; JB: the cupbearer-in-chief; NRSV: commander-in-chief; Canisius: de Tartan (titel van Assyrische generaals)] naar Asjdod kwam, toen Sargon de koning van Assyrië hem zond, en vocht tegen Asjdod en het innam…” En hij vervolgt sprekend namens Jahwe: “En zoals mijn knecht Jesaja ongekleed en barrevoets gelopen heeft drie jaar lang, tot een teken en zinnebeeld aangaande Egypte en Ethiopië, zo zal de koning van Assur de gevangenen van Egypte en de ballingen van Ethiopië, jongen en ouden, wegdrijven, ongekleed en barrevoets en met ontblote achterdelen, een smaad voor Egypte. Dan zullen zij verslagen en beschaamd wezen om Ethiopië, hun toeverlaat, en om Egypte, hun trots; en de inwoners van dit kustland zullen te dien dage zeggen: Zie, zo gaat het met hen, op wie wij ons verlaten hebben, tot wie wij om hulp vluchtten om gered te worden van de koning van Assur; hoe zullen wij dan ontkomen?” (20:3-6)

Citaat: “Shebitko, nephew and successor of Shabako, tried apparently to improve his relations with Assyria and extradited Yamani to Sargon II in 707/6, in the first year of his reign (707/6-690). However, the death of Sargon II on the battlefield in Anatolia, in 705 BC, prompted a reversal in Shebitko’s policy. This radical change is attested explicitly in Sennacherib’s annals, where the unnamed ‘King of Cush’ fighting the Assyrians in Palestine is certainly Shebitko.” (Edward Lipiński, ‘On the Skirts of Canaan in the Iron Age: Historical and Topographical Researches, 2006, 143)

Maar met Sennacherib zijn we al aanbeland bij het volgende deel van dit drieluik, hoewel er reden kan zijn dat Sargon II, wiens naam maar eenmaal in de Bijbel voorkomt, dezelfde is als Sennacherib (zie http://sargonsennacherib-amaic.blogspot.nl/2012/10 en https://www.academia.edu/6708474/Assyrian_King_Sargon_II_Otherwise_Known_As_Sennacherib). Maar dat was iets, wat Velikovsky niet had voorzien. Lees meer erover in de volgende aflevering.

Voor een goed leesbaar (in het Engels) overzicht over de Assyrische periode en de Bijbelse geschiedenis, zie https://primetimeessay.com/contribution-assyrian-royal-inscriptions-knowledge-israelite-judean-histor/.

Lees ook deel 2 van ‘De Assyrische Verovering’: De Assyriërs in Egypte.

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Velikovsky+

1 Comments

  1. Aaaaandddyyyyy.....van Andy kitchen... 16 maart 2018 at 03:05

    Echt waaaaaaaar Fuccccckkkkk iedereennnnnnnnn……. Ik ben echt de laatste dagen zzzooooooo…. missssselijk geworden van de reactie’s …… ik heb me best gedaan maar wat kkkkkkotttssssss ik van die nep lui uit het zielloze meelopende achterbakse en media geil doortrapte, riool gehaalde moeder zielloze smurftoeter of what ever. Fffffuck die achterbakse homofile reet-teef van een achterbakse, Roomse nederzetting..achtinge .p**i..ie die door de paus word gedoogd… met andere nette worden. Alles kan hier in Nederland maar niemand( sorry Rob Scholte ) word geholpen… zelfs niet als je probeert om een ,”””””” kunstenaar te of willen of een klein beetje in de buurt te komen van de suppppper grootmeesters… dan word je vandaag de dag… gggevloerd. Ffffffffffffffffuccccccckkkk… DH… laat ze lekker de Teering krijgen Rob…..( grote fan. Van je…. )

Leave a comment

Your email address will not be published.

*