Cor Hendriks – Het Velikovsky Syndroom (17): God wikt en de mens beschikt (gevolgd door: De Velikovskiaanse Revolutie)

Het Velikovsky Syndroom 17: God wikt en de mens beschikt

Filosofische overwegingen uit de 80-er jaren

In het huidige denken heeft het idee van de evolutie zodanig post gevat, dat iedere vorige periode uit de geschiedenis als minder ontwikkeld wordt gekwalificeerd. Hoe verder terug in de tijd, des te primitiever de mens, is een logische conclusie uit een strikte opvatting van de evolutieleer. Gelukkig is deze gedachtegang in de wetenschap van de geschiedenis en de antropologie opgemerkt en bekritiseerd. Toch blijven de evolutiedenkbeelden een belangrijke invloed uitoefenen in de richting van dit etnocentrische denken. Nog steeds is het een voor ons onmogelijk idee om toe te geven, dat beschavingen in het verleden een wetenschap hadden, die op sommige punten verder gevorderd was dan de onze. Met als ons technisch vernuft zijn wij niet in staat om een verklaring voor de piramiden te bedenken of Stonehenge of zoveel andere zaken uit een heus niet zo ver verleden als sommige schrijvers van populaire semi occulte boekjes ons zouden willen wijs maken. Het is helemaal niet nodig om op basis van die ene referentie van Plato aan te nemen, dat Atlantis 10.000 jaar geleden verzonk. Stel, dat er gewoon een nulletje te veel stond, dan zou dat ook al een zeer aannemelijke plek in de geschiedenis zijn [gerekend vanaf Solon]. Ook de opmerking van de Egyptische hogepriester over de ouderdom van Egypte ten opzichte van Griekenland blijft gewoon overeind. Het historisch bewustzijn van het Griekse volk ging terug tot de vloed van Deucalion, die optrad tijdens de komst van Venus (ca. 1450 v. Chr.), waarna (ca. 1400) de vloed van Ogyges plaatshad. Hierna begint de vroegste ontwikkeling van Griekenland, die zal leiden tot het bloeiende Myceense rijk in samenwerking met het Minoïsche rijk, en na de woelige 7e eeuw komt een nieuw bestel op, waarvan Solon en Plato vertegenwoordigers zijn. Egypte prees met Oosterse overdrijving zijn geschiedenis tot in ver vergeten oudheid terug. De hogepriester wist te vertellen van tijden vóór de vloed van Deucalion, toen Griekenland ook al bevolkt was en werd aangevallen, door troepen van Atlantis, een legendarisch land in het westen. In ieder geval waren deze summiere gegevens, die Plato vermelde (in totaal ongeveer 1½ bladzijde) voldoende voor bibliotheken vol onzinnige literatuur over het hoe, wat en waarom van Atlantis. Ook heden ten dage valt er nog een aardige boterham mee te verdienen om deze onzin met nog meer onzin te verrijken. De wetenschap heeft zich over het algemeen weinig met deze speculaties bezig gehouden en naar mijn idee terecht, want het hek gaat er mee van de dam. Zelfs Luce’s boek, hoe interessant ook zijn uitwerking van de hypothese, gaat voorbij aan het eenvoudige feit, dat de Minoïsche beschaving Solon en Plato en hun Atheense tijdgenoten behoorlijk bekend moet zijn geweest.

X – 0 – X – 0 – X

Wat weten we nu eigenlijk van die zgn. Oudheid? Op de gymnasia doceren we Grieks en Latijn, maar we vertellen er bij, dat het dode talen zijn, die niet meer gesproken worden. We vertalen de teksten, regel voor regel, van de meesterwerken van Homerus en Vergillius en we krijgen een vleugje Oudheid binnen.
Begrijpen we het Griekse denken? En hoe zit het met onze kennis van het Minoïsche denken? Hier staan we zeker voor raadsels. En dan komen we op het Egyptische. Egypte, het meest vruchtbare archeologieland, waar iedere steen wel een oudheidkundig verhaal te vertellen heeft. Er worden veel verhalen verteld, maar wat klopt er van die verhalen? Kennen we het Egyptische denken?
En als klapper op de vuurpijl is er het Joodse denken, het Oudtestamentische Joodse denken en nu staan we voor het grootste raadsel. En dan duikt voor ons het symbool van het grootste raadsel op: de Gordiaanse knoop. En we voelen ons weer Alexander de Grote, de eeuwig jonge en jeugdige overmoed en met het zwaard van de rede hakken we de knoop door en gooien we het raadsel achteloos opzij. En onze straf is verschrikkelijk, net als die van Alexander, om jong te sterven en niet meer te herrijzen.
Onze samenleving is kinds geworden en we zijn stoute kinderen ook, want we doen alles wat niet mag, immers het raadsel is uit de wereld en wat over blijft is een lege huls, net als wij zelf zijn. De wetenschappelijke overmoed is de belangrijkste schuldige aan het verdwijnen van het raadsel. Wat we niet begrijpen is, dat wat nog niet in het kader van de wetenschap is ingepast en een voortzetting van dat wat we al wel begrijpen. De weg van de wetenschap is het langzaam voort dragen van de toorts van licht, die meer en meer de wereld verlicht. Dit streven is de geschiedenis in gegaan als de ‘Verlichting’, vooral niet te verwarren met wat men in esoterische kringen onder verlichting verstaat, aangezien voor hen deze ‘Verlichting’ juist een verduistering inhield.
In dezelfde esoterische kringen heeft men ook een symbool voor deze vorm van de wetenschap: met een emmer de zee leeg scheppen. Wat echter ondertussen wel gebeurt, is dat we ons aan dat we gevonden hebben vast klampen en het maar heel moeilijk los laten. Wat we in onze scholen geleerd hebben, vormt de basis voor onze verdere ontwikkeling. En zo komt het dat we in evolutie geloven, hetgeen wonderwel aansluit bij het streven naar een geluksstaat, het aardse paradijs. Hoewel het beeld van de Marxistische heilstaat en dat van de kapitalistische nogal van elkaar verschillen, is de onderliggende methode dezelfde n.l. de technologische, oftewel de ‘wetenschappelijke’ methode. Het paradijs kunnen we ons dan als volgt voorstellen: minder werken is meer tijd voor plezier. Het werk wordt meer en meer door machines gedaan, allerlei zaken krijgen we meer en meer onder de knie, kosten minder moeite en tijd, etc. Deze super materialistische kijk op de wereld is een typisch product van de 20e eeuw en houdt direct verband met de ontwikkeling van de wegwerpmaatschappij, tegencultuur ontwikkelingen (hippies, punks), agressie en maatschappelijke onvrede, kortom met algehele desintegratie toestanden. Grondslag voor dit alles is de ontzaglijke spirituele frustratie, waar goedkope clowns handig gebruik van weten te maken met hun in oosters religieus jasje gestoken psychotherapieën.
Deze spirituele desintegratie is een gevolg van het bankroet van de geloofssystemen, de brengers van de waarheid en het licht. Het is natuurlijk een terechte zaak, dat bankroete ondernemingen ten ondergaan, maar bij geloofssystemen ligt dat anders. Het verval is al lang geleden begonnen en het licht en de waarheid zijn altijd zeer moeilijke zaken geweest, evenals in deze duistere tijden, nu we weliswaar niet meer onder fascistisch juk buigen, maar we te maken hebben met de zwarte dreiging. De zon en de maan geven hun licht niet meer, heet het in esoterische kringen, en dit is een voorteken van het Einde der Tijden. In oosterse kringen heeft men het begrip Kali Juga, het ijzeren tijdperk, een benaming, die uitstekend past bij onze robotcomputertijd, het 20e eeuwse machinepark. Sentimenteel gezien ziet de moderne mens geen hand meer voor ogen. Voor hem is er geen zon achter de zon, of zoals een Russische astronaut opmerkte: Ik was in de hemel, maar God was nergens te zien. De goden zijn dood, de engelen zijn dood en ook wij zijn dood, wat we symboliseren d.m.v. de doodse flatmassa in de voorsteden of in de doodse moderne abstracte kunst, onze voorkeur voor het rechte, platte en strakke in plaats van het grillige, onberekenbare. We hebben geen visie meer en het spookbeeld van Marcuse’s One-dimensional Man wordt meer en meer werkelijkheid.
De massamens is een schaduw van zichzelf. Hij gelooft niet meer in de oude dingen, maar heeft er niets nieuws voor in de plaats. Hij vervalt tot geestelijke indolentie en zoekt zijn vermaak op de daartoe bestemde of niet bestemde plaatsen. Zijn moraliteit zet zich naar zijn vermaak en hij doet alleen nog dat wat goed voor hem is, d.w.z. wat bevorderlijk is voor zijn vermaak. Dit wordt geluk genoemd en gelukkig zijn is je vermaken. De tweede helft van de twintigste eeuw laat het opkomen van de vermaakindustrie zien. Het vermaak wordt gekapitaliseerd en is voor geld ter beschikking van iedereen. Het is duidelijk: hoe meer geld, hoe meer vermaak. Vermaak is een noodzaak geworden door het ontbreken van spirituele waarden.
De vermaakindustrie is een belangrijk onderdeel van de moderne samenleving en niet meer weg te denken en functioneert als spelen voor het volk in de Romeinse tijd. Iedereen bezit een televisie en denkt daarmee de wereld te bezitten in zijn huiskamer, een telefoon, die hem met de hele wereld in verbinding brengt, een auto voor de deur, waarmee hij de wereld doorzuist, kortom iedereen beschikt over allerlei zaken om meer greep op de wereld te hebben, waarmee hij zich vermaakt.
Maar het licht en de waarheid zijn ver te zoeken, hoewel er wel een krant te koop is, die de Waarheid heet, maar het licht bij lange na niet gezien heeft en niet los te koppelen valt van onze westerse Verlichting- = Verduisteringsidee. Alcohol is hét symbool voor onze maatschappij en de Grote Dionysus is terug gebracht tot een moderne clochard op de verwarmingsroosters van de metro.
Want hoewel we niet meer in de goden of de engelen geloven, zijn ze natuurlijk nog steeds aanwezig en bevinden we ons in het oudtestamentische land, waar de gemeente hard moest vechten om overeind te blijven tegen de overweldigende golven van heidens geloof, het geloof in afgoden, waarvan de belangrijkste Mammon, de god van het geld, is. In later tijden is Mammon tot de alom bekende duivel geworden en heeft hij de gestalte gekregen van Pan, de Griekse verzinnebeelding van het al van de natuur. De duivel is de god van de wereld: God heeft de wereld geschapen om hem aan de duivel te geven. En van het begin af aan heeft het geleken, alsof de duivel alle troeven in handen had en nog steeds lijkt dit het geval; maar toch zit alles heel anders in elkaar. Natuurlijk is de duivel de tegenstander, het is onze eigen dialectische persoonlijkheid, ons ego, dat wij ons gevormd hebben naar en door de natuur, dat ons voortdurend martelt in een vertwijfelde strijd om ons af te houden van het inzicht: het licht en de waarheid. Zo komen we dan terug op ons uitgangspunt: weten is goddelijk weten en hangt samen met openbaring. De universele leer is de verzameling van de geopenbaarde wijsheid in de mysteriegodsdiensten. De wetenschap is volkomen machteloos tegen een dergelijk ondernemen, terwijl juist dit hele ondernemen dé drijvende kracht achter de geschiedenis is.
Zonder dit te incorporeren in ons denkraam staan we hulpeloos tegenover de oudheid, komen we niet verder dan zeer gebrekkige beschrijvende modellen, die niets verklaren, omdat ze lege hulzen zijn. Zo komen we dan tot het moeilijkste punt binnen het huidige wetenschappelijke denken, n.l. de gedachte, dat al het getheoretiseer uiteindelijk tot de ondermijning van de eigen uitgangspunten leidt. De geschiedenis laat zich zien als een demystificatieproces, waarvan de wetenschap de laatste fase is: de ontmaskering: het bankroet van de collectieve systemen; al het collectief pogen is het scheppen van nieuwe goden. Alle acceptatie van nieuwe banden is een vlucht voor de vrijheid, verkregen na een lange strijd tegen de oude overheersing. En nieuwe machthebbers kunnen wel eens wreder zijn dan de oude, waarvan de geschiedenis voldoende voorbeelden levert (zo leven we momenteel onder de dictatuur van het burgerlijk geweten, die strenger is dan die van het kerkelijk geweten, want uit deze gevangenis is geen ontsnappen mogelijk, ook niet door ‘gek’ te worden, aangezien je dan opgesloten wordt).
Dit is het dialectische spel van de geschiedenis: terwijl we ons enerzijds bevrijden van alle collectieve banden (de ontmaskering van de goden), verzinken we anderzijds steeds meer in de stofwereld en wordt ons geestelijk bewustzijn dichter en dichter. Op deze wijze komen we langzaam tot een culminatiepunt: op een gegeven moment zijn er óf geen goden meer te ontmaskeren óf we kunnen niet meer dieper zinken in de stofwereld. Op dat moment móet er wat gebeuren, die toestand kan niet blijven voort bestaan. Er heeft een voortdurende ophoping van krachten plaats gehad, die tot een ontlading moet komen. Dit wordt gesymboliseerd in de atoomwapenrace, waar de mensheid momenteel mee bezig is. Het atoom is het symbool voor de moderne mens. Alle franje is verdwenen en overblijft wat we werkelijk zijn, een atoom in het grote gebeuren. In dit atoom gaan echter grote krachten schuil, onmenselijke krachten welhaast, maar om deze los te maken moeten we buiten de natuurorde treden. We ontketenen een proces, dat indruist tegen de universele orde en in zijn gevolgen niet te overzien is. De mens is in staat om de mensheid in één klap te beëindigen, een vreselijke gedachte. De analogie met de mens zet zich voort. Ook in de mens gaan vreselijke krachten schuil, die buiten onze natuurorde liggen. Ook hier is sprake van een verstoring van de natuurlijk (= dialectische) orde. De mens in deze natuurorde verkeert in een voortdurende staat van opstand tegen de dialectische gang van de geschiedenis. Het is zijn wil tot macht, de zonde van Adam, die hem vanaf het begin der tijden heeft aangezet tot deze opstand tegen de onontkoombaarheid van het lot. En het is dan ook de verzoening met het lot, dat de eerste stap op het pad van bevrijding is. Het lot is een noodzakelijkheid en ons strijden daartegen houdt ons af van de vervulling van ons lot. Het lot is de weg, het pad van de bevrijding, waartoe we slechts door vervulling komen. Al het andere occulte streven is onze wil tot macht, die vergeefs in opstand komt tegen de vervulling van het lot. Dit leidt tot het lijden, waarvan onze natuur geheel is doortrokken. We zijn een lijdende mensheid, we verkeren in een staat van gevallen zijn en al ons streven om deze natuur te verbeteren (= veraangenamen) is tot falen gedoemd door de gebondenheid aan dialectische werkingen. Iedere verbetering, die geen terugkeer tot de oude staat voor het gevallen zijn inhoudt, is eigenlijk een verslechtering. De nieuwe illusie houdt ons gevangen en de hoop op ontsnapping vervliegt met de tijd. Toch houdt iedere situatie weer nieuwe ontsnappingsmogelijkheden in, maar deze liggen altijd op persoonlijk vlak en vanuit dit psychologisch gezichtspunt dienen we de geschiedenis te benaderen om te begrijpen, wat zich heeft afgespeeld in de tijd. Van hieruit zijn we in staat om de oudheid te benaderen in haar diepe zin, die de oppervlakkigheid van onze ‘beschaving’ op allerlei wijzen aantast.
We zijn niet klaar met de mens uit de oudheid. Als het ware leven we nog steeds in diezelfde oudheid met nog steeds dezelfde mythen, alleen zijn we zo massaal geworden en worden we dusdanig overspoeld met gegevens, dat we afgesneden zijn van de diepere zin der dingen. Vlijtig houden we ons bezig met het verzamelen van gegevens, maar hoe we ook passen en meten, het lukt niet om door te dringen tot de werkelijkheid achter de mythen. In ons falend pogen komen we er toe om vele schijn leren der bevrijding te formuleren, waarvan het occultisme gebruik maakt. Het occultisme houdt ons het beeld voor, dat we veel meer mogelijkheden hebben dan waar we gebruik van maken en zij stelt zich ten doel deze mogelijkheden te ontwikkelen. Hier betreden we het rijk van de negatieve magie, die zich ten dienste stelt van de aardgerichte mens.
De negatieve magie heeft altijd een grote aantrekkingskracht gehad op de dialectische mens. Niet in staat om tot een positieve magie te komen door het tekort aan zielenkracht, raakt de natuur religieuze mens verstrikt in de vele dwaalwegen van het occultisme en ziet de hem voorgetoverde werkelijkheid voor de ‘echte’ aan, terwijl het (nog steeds) om producten van de eigen geest gaat. En zo zien we een komen en gaan van oude en nieuwe goden en nog steeds ontgaat ons de betekenis, de waarheid, het licht, wat een volkomen logische zaak is, omdat we leven in duisternis en de duisternis het licht niet kan aannemen. Daarvoor is nodig, dat we in onszelf een lichtwezen bouwen, dat in staat is om wel dit licht te aanvaarden. Dit is het doel van de positieve magie, die een afbraak van het ego, het karakterpantser, dat ons van de gnostische instraling afhoudt, vooronderstelt. Dit proces van afbraak en wederopbouw is dus het pad, de weg, de zin van het leven.

De moderne mens bewandelt echter liever de dwaalwegen van de negatieve magie, het occultisme, met zijn vele inderdaad frappante prestaties met als hoogtepunt de splitsing van het atoom in laboratoriumsituatie, de ‘bad dream’ van de alchemisten, de uiterlijke interpretatie van de innerlijke weg. Nog steeds hebben we niet door, dat het ‘steeds hoger, steeds schoner’ niet slaat op een verbetering van het materialisme (de kwantitatieve verbetering), maar op een verbetering van het zielen peil (de kwalitatieve verbetering). En het kwaad straft zichzelf, zoals het in de volksmond zo correct heet, want langzaam verandert de wereld in één massief Babylon met alle gevolgen van dien. Het aanzien van de aarde verandert door de enorme toename van de wereldbevolking, de industrialisatie, verkeersnetten, milieuvervuiling, etc. De problemen, waarmee de mens nu te kampen heeft, nemen minstens even hard toe als zijn technologisch kunnen en langzaam maar zeker schrijdt de tijd voort in de richting van het punt van de diepste duisternis, wanneer de val compleet zal zijn. Dit is als het ware het volkomen tegendeel van de interpretatie, die Teilard de Chardin aan het punt Omega toekent. In plaats van dat de samenleving voorwaarts streeft in de richting van een steeds mooiere, idealere en betere wereld zakt ze steeds dieper weg in een het door haar zelf geschapen moeras van het materialisme, door de ondermijning van oude geestelijke waarden, zonder deze te vervangen door nieuwe waarden.
Nu alle waarden ontmaskerd zijn als illusies hebben we niets meer om te geloven, dus ook geen diepere basis meer voor onze handelingen in de wereld en langzaam maar zeker vervallen we tot geestelijke apathie en zien we machteloos toe hoe de wereld aan zijn eigen momentum ten onder gaat.

Leroy Augenstein, ‘God wikt, de mens beschikt’, Bussum 1971 [over de dood, abortus, bevolkingsgroei, orgaantransplantatie, medische ethiek] (vertaling van ‘Come, let us play God’ uit 1969; voor een bespreking uit 1970, zie http://www.journals.uchicago.edu/doi/abs/10.1086/406364).

Werelden in botsing

Het Velikovsky Syndroom 17a: De Velikovskiaanse Revolutie

De Copernicaanse revolutie was van een tweedimensionaal geocentrisch wereldbeeld naar een driedimensionaal heliocentrisch zonnestelsel.

De Velikovskiaanse revolutie is van een driedimensionaal statisch wereldbeeld naar een vierdimensionaal dynamisch wereldbeeld.

1. De Copernicaanse revolutie

Het dogma van de platte aarde => de directe bemoeienis van God
(bron: ‘The Intellectual Tradition of the West’, II, pp. 1-62)

Nicolaus Copernicus leefde van 1473 tot 1543. In zijn tijd was het geocentrische universum het wetenschappelijke en theologische dogma. Copernicus was de eerste, die dit denken doorbrak en in plaats daarvan een heliocentrisch universum postuleerde, welke theorie hij in 1530 in het kort publiceerde. Vlak voor zijn dood publiceerde hij zijn ‘De Revolutionibus Orbium Coelestium’, waarin hij uitgebreid zijn heliocentrische idee naar voren bracht.

De theorie van Copernicus had weinig invloed tijdens het grootste deel van de 16e eeuw. Debet hieraan was onder meer de Aristoteliaanse gedachte dat de hemelse bewegingen circulair zijn, een notie, waar ook Copernicus aan vast was blijven houden. Johannes Keplers (1571-1630) idee van ellipsvormige planetaire banen was de eerste directe wetenschappelijke consequentie van de Copernicaanse revolutie.

Echter pas door Galileo Galilei (1564-1642) werd het Copernicaanse systeem stevig gegrondvest o.a. door het gebruik van een door hemzelf ontwikkelde telescoop. Daardoor was hij in staat om gebergten op de maan en de fasen van Venus waar te nemen, waardoor het geocentrische wereldbeeld de genadeklap werd toegebracht. Toch duurde het nog een lange tijd voordat het heliocentrische wereldbeeld algemeen aanvaard werd.

2. De Velikovskiaanse revolutie

De Copernicaanse revolutie kwam tot volle kracht door de werkzaamheid van Isaac Newton (1642-1727). Het Newtoniaanse universum proclameerde het bestaan van Orde in de Natuur en gaf daarmee de mens reden om optimistisch te zijn over zijn wereldlijke, zowel als kosmische, vooruitzichten. Daarmee werd ruim baan geschapen eind 17e, begin 18e eeuw, voor de Verlichting en de zogenaamde industriële revolutie. Dit Newtoniaanse optimisme moest echter wijken, o.a. door het fiasco van de Franse Revolutie, voor het zwartgallige denken van de Romantici om tenslotte uit te monden in de 20e eeuwse gevoel van relativiteit, zowel in de ‘morele filosofie’ als in de ‘natuurlijke filosofie’.

Immanuel Velikovsky (1895-1979) is een denker van de 20e eeuw, die zijn opleiding tot psychoanalyticus bij Freud in Wenen kreeg, maar daarvoor gestudeerd had aan de universiteit van Edinburgh (natuurwetenschap), geschiedenis, menswetenschappen en medicijnen in Moskou (MD 1921) en biologie in Berlijn en de werkzaamheid van het brein in Zurich. In 1939 kwam hij naar New York en publiceerde in 1949 zijn eerste boek ‘Worlds in Collision’, waarin hij zijn nieuwe astronomische theorie uiteen zette. De implicaties van zijn astronomische theorie zijn dermate belangwekkend, dat het gerechtvaardigd is te spreken van de Velikovskiaanse revolutie. Echter ook hier hebben we iemand, die het opneemt tegen de gevestigde wetenschappelijke denken, zodat ook hier de conclusie gerechtvaardigd is, dat de acceptatie van dit denken geruime tijd in beslag zal nemen.

Evenals Copernicus, Kepler en Galileo heeft Velikovsky te maken met een gevestigde kliek, die zich verankerd heeft aan een serie dogma’s, waaraan niet getwijfeld mag worden. Daaraan twijfelen is heiligschennis en al belandt men niet op de brandstapel, even erg is het om gebrandmerkt te worden als pseudo wetenschapper. Nu hebben de pseudo wetenschappen altijd al een lustig leven geleid, o.a. vanwege de vele lacunes, die in het wetenschappelijke denken aanwezig zijn, en vooral de raadsels uit het verleden zijn ware bronnen van inspiratie voor de pseudo wetenschappers. Het is echter niet terecht om Velikovsky vanwege zijn gebruik van oude bronnen te betichten van het bedrijven van pseudo wetenschap. Zijn astronomische theorie bijv. kan op zijn eigen merites worden beoordeeld.

Kepler’s beschrijving van het zonnestelsel geeft geen beeld van de geschiedenis van het zonnestelsel, al kunnen we uit een aantal gegevens afleiden dat de planeten niet tegelijkertijd door één oorzaak ontstaan zijn. Niet alle planeten bevinden zich in hetzelfde vlak, sommige draaien de andere kant uit om hun as dan andere.

Een van de meer problematische ideeën is de Velikovskiaanse hypothese van de uitstoting van Venus door Jupiter. De hypothese van Velikovsky begint met een gebeurtenis, die nog nooit is waargenomen door astronomen en die inconsistent is met veel wat we weten over planetaire en kometaire natuurkunde, n.l. de uitstoting van een voorwerp van planetaire afmetingen door Jupiter, misschien door botsing met de een of andere gigantische planeet. Volgens de mythe, die door Velikovsky nauwelijks bekeken is, was Athene de dochter van Jupiter en Metis (in de taal van Vollmer, WdM, 334a). Metis was een Oceanide, die door haar slimheid de broers en zusters van Jupiter redde, doordat ze op Jupiters verzoek aan Saturnus het braakmiddel gaf, waardoor hij al zijn door hem verslonden kinderen moest uitbraken. Jupiter trouwde met haar; maar toen een orakel zei, dat Metis’ zoon hem van zijn troon zou stoten, verslond hij haar, en Minerva (i.e. Athene), het kind, dat ze ontvangen had, werd uit zijn hoofd geboren.

Vervolgens volgt een berekening van Sagan (‘Broca’s Brain’, 96): om te ontsnappen van Jupiter moet een komeet een kinetische energie hebben van ½mv2, waarbij m de kometaire massa en v de ontsnappingssnelheid vanaf Jupiter, die ca. 60 km/sec is. De minimum hoeveelheid kinetische energie per eenheid uitgeworpen massa is dan ½v2 = 1.3×1013 ergs per gram. Aangezien op z’n minst 10% van deze kinetische energie zich omzet in warmte en ca. 1011 ergs/gr nodig zijn om gesteente van lage temperatuur om te zetten in vloeiende lava, betekent dit, dat iedere gebeurtenis, waardoor een komeet of planeet vanuit Jupiter wordt gestoten, deze zou brengen op een temperatuur van op zijn minst enige duizenden graden of hij nou zou bestaan uit rotsen, ijs of organische stoffen, hem zou doen smelten. Aldus de redenering van Sagan in het kort.

De Velikovskiaanse hypothese

Man created myths. De mens heeft zich mythen geschapen. Deze mythen zijn verhalen over het doen en laten van de goden. Ieder volk heeft zijn eigen mythen over hun goden pantheon; echter al deze goden hebben betrekking op planeten en andere verschijnselen in en rond ons zonnestelsel. De vraag, waarom vooral aan de planeten zo’n belangrijke plaats in het dagelijks leven wordt toegekend, is nooit bevredigend beantwoord. De Velikovskiaanse hypothese geeft het antwoord: de planeten spelen zo’n belangrijke rol in de wereld mythologie, omdat ze in vroeger tijden een daadwerkelijke aanschijn verandering van de aarde teweeg hebben gebracht.

De publicaties van Velikovsky gaan niet verder terug in de tijd dan de 16e eeuw v.C. en beperken zich tot de rol van Venus en Mars, voor zover zich die laat reconstrueren aan de hand van de schaarse en zeer verspreide gegevens. Deze planeten veroorzaakten calamiteiten in de 16e en 8e-7e eeuw v.C., in tijden, die we min of meer historisch zouden mogen noemen, omdat in die tijd het schrift zich ontwikkelde van hiëroglyfen en spijkerschrift naar alfabetisch, zodat we als het ware over ooggetuigenverslagen beschikken van deze kosmische rampen. Dat is in de eerste plaats, dat merkwaardige boek van de geschiedenis van het volk van Israël: het Oude Testament. Velikovskys belangstelling naar de historiciteit van het Oude Testament heeft hem op het spoor gebracht van zijn hypothese. Hij vroeg zich af, of die Exodus, die uittocht van de Israëlieten uit Egypte, een historisch feit is geweest en wat dan wel die plagen waren. Nu hebben historici een vrij geringe dunk van de historiciteit van de Bijbel (zie Kathleen Kenyon), zeker wat betreft de tijd vóór David en Salomo. Velikovsky komt tot een radicaal nieuw standpunt wat betreft de datering van de Exodus, die hem echter brengt in het kamp van de fundamentalisten (vandaar de EO uitzendingen), die ook de Exodus dateren in de 15e eeuw v.C.: na de uittocht uit Egypte volgen 40 jaar zwerven in de woestijn, ruim tien jaar verovering van het Beloofde Land, ruim 400 jaar rechters en dan in ca. 1050 Saul als grondlegger van het Davidische koninkrijk.

Velikovsky dateert de uittocht in ca. 1450 v.C en de verovering door Jozua in ca. 1400 v.C. De oorzaak van de Exodus rampen en de ‘wonderen’ tijdens Joshua’s veroveringen was gelegen in de bijna botsing van de Aarde met een komeet van enorme, planetaire afmetingen. Deze komeet had zich ca. 1450 ‘losgemaakt’ uit Jupiter en was met enorme snelheid richting Aarde komen suizen. Na de bijna botsing was de komeet in een ellipsvormige baan gekomen met een periode van ca. 50 jaar. De eerste terugkeer was tijdens Jozua’s verovering van Kanaän en zorgde o.a. voor het opzienbarende verschijnsel van de ‘stilstand van de zon en de maan’. Ook uit andere culturen is de herinnering aan deze rampen bewaard gebleven. Velikovsky weet de Exodus te koppelen aan de vloed van Deucalion en de Jozua ramp aan de vloed van Ogyges (Ogyges staat in relatie met de Bijbelse Agag, die door Jozua wordt verslagen.). De vloed van Deucalion en de wereldbrand van Phaëton horen qua tijd bij elkaar. Zij beschrijven verschillende aspecten. De voorbeelden van Velikovsky zijn wat dat betreft uitputtend en veelomvattend. Niet alleen de Grieken…

Zijn de goden planeten?

Vroeger, voor de intrede van het Christendom, bestond er overal het veelgodendom, niet alleen bij ‘onze’ voorvaderen, de Germanen, maar ook bij de hen naburige volken als de Romeinen, de Grieken en de volken in het Nabije Oosten. De belangrijke rol ten aanzien van het dagelijks leven, die deze goden speelden, blijkt o.a. uit het feit, dat we nog steeds de dagen van de week naar hen noemen:
Zon-dag
Maan-dag
Dins-dag = Tius’ dag (Tiusday); Mardi = Mars-dag
Woens-dag = Wodans dag (Wensday); Mercredi = Mercurius-dag
Donder-dag = Donars dag (Thorsdag = Thursday); Jeudi = Jupiter-dag
Vrijdag = Freya’s dag (Fryday); Vendredi = Venus-dag
Zaterdag = Saturnus’ dag (Saterday); samedi.

Wetenschappelijke vernieuwing

De wetenschap is gebaseerd op een aantal grondhypothesen. Dat zijn stellingen, waar iedereen het over eens is, die we dagelijks gebruiken, maar die niet bewezen zijn. Iemand, die zo’n algemeen aanvaarde stelling aanvalt, is of een genie of een gek. Meestal houden we het er maar op, dat de persoon in kwestie gek is.

De vernieuwing in de wetenschap verloopt volgens een vast patroon; er zijn weinig genieën en veel gekken. Achteraf komen we vaak tot de ontdekking, dat de gekken zo gek nog niet waren, maar dat weerhoudt ons er niet van om toch hetzelfde te doen: veel is gek en heel weinig geniaal. De mens houdt niet van radicale vernieuwing of hij nou wetenschapper is of niet. Telkens wordt weer het oude in een nieuw jasje gestoken, zodat het vertrouwde blijft aankleven. Toch is de verandering onvermijdelijk: wat teveel vasthoudt, gaat ten onder: dat is de survival of the fittest: de wet van de jungle. We weten, dat de wetenschap van nu die van morgen niet meer zal zijn, maar toch klampen we ons vast aan wat we nu hebben. Als er iemand komt, die zegt: ‘Die evolutietheorie, daar klopt geen bal van,’ dan kunnen we het misschien in theorie daarmee eens zijn, maar in de praktijk gaan we gewoon door met het denken in termen van de evolutietheorie, zoals we die op de middelbare school geleerd hebben. Dat we daarmee de vooruitgang van de wetenschap tegenhouden, zal ons een biet zijn, want momenteel liggen we goed in de markt. Na ons de zondvloed, althans dat hopen we, maar we zijn natuurlijk niet in staat om de vooruitgang tegen te houden. Er wordt geknabbeld aan de ivoren toren en op een dag stort het bouwsel in.

We leven in het tijdperk van de ruimtevaart, de atoombom en de telecommunicatie, d.w.z. in de 20e eeuw, gebaseerd op 20e eeuwse revoluties in het denken. De natuurkunde heeft de atoomfysica geproduceerd en de biologie de genetica; waar blijven de omwentelingen op andere gebieden? Weten we niets nieuws ten opzichte van het 19e eeuwse denken over evolutie, nu we de mutatie ontdekt hebben? Blijven we keurig achter Darwin aanhobbelen of achter het geologisch schema van Lyell met zijn miljoen en biljoenen jaren? In de 20e eeuw gaan de veranderingen razend snel; alles is in beweging en ook de gevestigde wetenschap wankelt op haar 19e eeuwse fundamenten.

De kosmologische theorie van Immanuel Velikovsky: inleiding

In het voorwoord van ‘Worlds in Collision’ vertelt Velikovsky, hoe hij tot de formulering van zijn onorthodoxe theorieën over ons zonnestelsel en de oude geschiedenis van het Nabije Oosten is gekomen. Naar aanleiding van zijn onderzoek naar de relatie tussen Mozes en Echnaton, in het verlengde van het boek van Freud, ‘Mozes en Monotheïsme’, kwam Velikovsky op het idee, dat er in de dagen van de Exodus, de uittocht van het volk van Israël uit Egypte, zoals duidelijk blijkt uit vele passages in de Bijbel, er een grote natuurlijke catastrofe plaats vond en dat zo’n gebeurtenis kan dienen voor het bepalen van de tijd van de Exodus in de Egyptische geschiedenis of het vast stellen van een synchronische schaal voor de geschiedenissen van de respectievelijke volken. Zo begon hij met ‘Ages in Chaos’, een reconstructie van de geschiedenis van de oude wereld van het midden van het tweede millennium voor onze jaartelling tot de komst van Alexander de Grote. Reeds in 1940 voelde Velikovsky, dat hij de werkelijke aard en omvang van die catastrofe had begrepen en voor negen jaar werkte hij aan beide projecten, de politieke en de natuurlijke geschiedenis. Hoewel ‘Ages in Chaos’ het eerst af was, volgde het in volgorde van publicatie ‘Worlds in Collision’ (1950 en 1952).

Het verhaal van ‘Worlds in Collision’ is gebaseerd op historische teksten van vele volken over de gehele aarde, op archeologische vondsten en ook op geologisch en paleontologisch materiaal. Uiteindelijk komt hij tot de conclusie:
1) er waren natuurlijke ‘upheavals’ (beroeringen) met een mondiaal karakter in historische tijden;
2) deze catastrofes werden veroorzaakt door buitenaardse factoren;
3) deze factoren kunnen geïdentificeerd worden.

In het eerste hoofdstuk gaat Velikovsky in op de bestaande theorieën over het ontstaan van ons zonnestelsel. De conclusie is, dat de oorsprong van de planeten en hun satellieten onopgelost blijft, noch weten we de waarheid met betrekking tot de kometaire systemen.

In het tweede hoofdstuk gaat Velikovsky dieper in op de planeet Aarde. Ook van onze eigen aarde is er nog veel, dat we niet kunnen verklaren. Zo weten we niet, waaruit de binnenkant van de aarde bestaat, terwijl we ook geen idee hebben hoe dik de buitenlaag is. Ook de aanwezigheid van ijzer is onverklaarbaar, evenals de aanwezigheid van zuurstof in de atmosfeer. Ook zit er veel meer zout in de zee dan verklaarbaar afkomstig uit gesteente. Verder treffen we bij onderzoek van de bodem vaak dikke lagen met skeletten van uitgestorven dieren aan, terwijl die soms weer overdekt zijn door lagen met zeefauna resten er in.

Cuvier (1769-1832), de stichter van de paleontologie van de gewervelde dieren, dacht dat grote catastrofes hadden plaats gevonden op aarde, waarbij herhaaldelijk zeebedding in continent en continent in zeebedding veranderde. De theorie van Cuvier met betrekking tot de vernietigende catastrofes werd echter vervangen door een theorie van evolutie in geologie (Lyell) en biologie (Darwin). Deze theorie is een honderd jaar lang aanvaard als waarheid door de natuurwetenschappers (d.w.z. geologen, biologen, en zelfs astronomen). We blijven echter zitten met het probleem van het ontstaan van bergen. Door de aanwezigheid van sedimentair gesteente met schelpen en skeletten boven op de Himalaya’s weten we, dat deze in vroeger tijden onder de zee lagen. Welke krachten duwden deze bergen van binnen of van buiten of van opzij omhoog tot hun huidige hoogte? Wat betreft de oorsprong van klei, zand en gravel op stolling en sedimentair gesteente werd de ijstijd theorie naar voren gebracht, waarbij verondersteld wordt, dat de laatste nog niet zo veel duizenden jaren geleden plaats had. Ook bij deze theorie doen zich weer immense problemen voor. Om namelijk deze ijs hoeveelheid te vormen is eerst een enorme verdamping van het zeewater nodig. Waardoor kwam deze verdamping (als er een ijstijd is)?

Lees het vervolg: Het Velikovsky Syndroom (18): J. Broekhuis’ ‘De tien plagen en Egypte’

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/?s=Velikovsky

Leave a comment

Your email address will not be published.

*