Cor Hendriks – Het boek Esther (3) met PDF

Volgens Trachtenberg was naar het overheersende polypsychisme van de Middeleeuwen de mens in het bezit van verschillende “geesten” (spirits): de ziel of neshamah, die opsteeg naar zijn Maker, daarbij achterlatend de nefesh en de ruah, die zeer wel in staat zijn tot het volbrengen van de semi-aardse functies, die de traditie hen toeschrijft. De neshamah vertrekt naar de hemel, zodra het lichaam ter aarde is besteld; de nefesh dwaalt ellendig heen en weer tussen zijn vroeger huis en het graf gedurende een week na de begrafenis en vertrekt dan ook, maar niet voorgoed, want zijn verlangen naar het vroegere lichaam brengt hem nog vaak terug naar het graf, totdat het na een jaar of zo volledig is weggekwijnd. De ruah laat zijn lichamelijke behuizing nooit in de steek, zelfs niet in de dood, en blijft voor altijd bij het lichaam. Dit schema houdt maar zelden stand, want de drie termen werden door elkaar gebruikt, zodat onduidelijk is of er sprake is van een “ziel” in de hemel, of een “geest” op aarde, maar wat wel duidelijk is, is dat nog lang nadat het lichaam in het graf is afgedaald, een geest de aarde blijft bewonen en vaak in contact komt met de levenden. Trachtenberg geeft hiervan de volgende anekdote: Een begrafenisondernemer in Worms kwam op een dag naar de synagoge en op de trap van het gebouw herkende hij een man, die hij onlangs begraven had. Op zijn verbaasde vraag antwoordde de geest, dat hij naar het Paradijs was overgebracht vanwege zijn deugdzame leven op aarde; zijn thuisbezoek was slechts bedoeld om zijn vrienden op de hoogte te stellen van zijn goede fortuin (lot). De krans van bladeren, die hij droeg, legde hij uit, was gemaakt van kruiden uit de Tuin van Eden en waren bedoeld om “de vuile stank van deze wereld te neutraliseren” [Trachtenberg, 61f]. We hebben deze stank neutraliserende kruiden al eerder gezien en zagen, dat die verband hielden met het “Drakengevecht”. Het zal duidelijk zijn, dat de Neshamah, Nephesh en Ruah de drie draden van het Lot zijn, de drie stromen Wit, Rood en Zwart.

De Nephesh is de levensadem, die Yaho in Adam blies (Gen. 2:7), waaruit we kunnen afleiden, dat de Nephesh een goddelijke gift is, een geschenk uit de Hoge. Levi noemt de Ziel (of Ego) een omkleed licht, dat drievoudig is: Neshamah (zuivere geest), ruach (ziel of geest) en Nephesh (bemiddelaar), en uit het voorgaande konden we afleiden, dat de Nephesh tussen de Neshamah en de Ruah gedacht werd, als het ware dus: boven Neshamah, in het midden de Nephesh en aan de grond de Ruah, met daaraan dan de kleuren wit (water), rood (bloed), zwart (aarde, as) [Blavatski 1, 185f; echter p. 199, n.1: Zo verbindt in de mens de Ruach de Nefesh met de Neshama]. De Neshamah, of bij God wonende ziel, wordt na de conceptie aangewezen om bij de geboorte van het nu in aanleg gevormde kind, dit nieuwe aardse wezen te bezielen. Deze gang naar de aarde betekent een verlaten van het Huis van de Vader en een afdalen in een verlatenheid, een ballingschap, die de Neshamah ontzettend voorkomt, en ze smeekt in de hemel, nabij God, te mogen blijven. De Neshamah is dat, wat aan de mens het patroon geeft, dat hem het evenbeeld van God doet zijn [vergelijk archetype: stempel en afdruk] en om in de gelijkenis van God te verschijnen, moet zij de weg gaan, die God met de schepping eveneens ging, deze weg naar de aarde, naar de vorm, naar het zichzelf opgeven om tot in de uiterste mogelijkheid, eigenlijk tot in de [Bultmanns] onmogelijkheid, Goddelijke vonken [= vuur!] aan de vorm te geven. Ook God gaat met de schepping mee in de wereld, woont, schijnt, straalt in de wereld. Dit wonen van God in de wereld heet de Shechinah. De Neshamah gaat dezelfde weg, daarmee de mens zegelend met het zegel van God. De Shechinah in ballingschap, de galuth shechinah, is de totaliteit van alle lijden in alle tijden en van alle wezens in alle werelden. Tegenover dit ene uiterste, het dieptepunt, staat de Verlossing, die gebracht wordt door de laatste Neshamah, de Verlosser of Mashiach. Zodra deze laatste Neshamah in deze wereld komt, houdt het koninkrijk Edom op en komt het koninkrijk van de Zoon van David [Weinreb, 9f].

Op haar afdaling [vergelijk Avatar] naar de aarde wordt de Neshamah niet klakkeloos in het diepe geworpen, maar begeleid door een engel, die haar de Thora onderwijst, de woorden, welke op aarde met de schepping het gebeuren van het heelal doen ontstaan. In deze “voorwereldlijkeThora is reeds het verhaal van de ballingschap opgenomen, wat niet zo vreemd is, want we zagen, dat de Thora tot het eind toe gevuld is met scheppingsverhalen. Zo is ook de splitsing van Salomons rijk, evenals het verdwijnen van Gods zichtbaarheid op aarde, de tempel, reeds in de voorwereldlijke Thora opgenomen en wanneer de engel dit verteld heeft, meldt hij dat het geboortemoment nadert. Een grote angst daalt neer over de Neshamah, die nu wel Psalm 22 zal zeggen. De engel gaat hem verlaten en met een schreeuw komt de Neshamah ter wereld. Haar enige troost is, dat de engel, die haar bracht, beloofde, haar aan het einde ook weer op te komen halen en niets rest haar dan de herinnering aan een Verloren Paradijs. Zo werd ook Adam, na uit het Paradijs te zijn gestoten, gekweld door een diep en hardnekkig verlangen om terug te keren naar het Paradijs, dat hij echter gesloten weet, onpasseerbaar door de twee engelen met het wentelende, het voorbijgaande [vgl. Symplegaden] [Weinreb, 11, 13f].

Volgens de oude verhalen raakt de engel bij de indaling van de Neshamah in het geboren wordende kind de bovenlip aan en brengt daarop een teken aan, dat de lip doormidden deelt. Deze tweedeling boven geeft uitdrukking aan de tweeheid, ontstaan, doordat God in de Shechinah in de schepping treedt. Het is dus een goddelijk teken. Dan keert de engel terug naar de hemel en geeft daar de sleutels tot de tempel terug. Hieruit kunnen we opmaken, dat het teken tevens een verzegeling was: de Neshamah zit opgesloten in het lichaam en zal pas bij de dood weer losgemaakt worden, met diezelfde sleutels. Dit merkwaardige zegel, waarmee ieder verschijnen verzegeld wordt, zijn we al vaker tegengekomen (o.a. in de ring van Salomo) [Weinreb, 14].

De Neshamah krijgt, zoals we zagen, de Thora mee bij zijn afdaling en is daarom ook in staat dit Boek naderhand te herkennen; het voelt er zich thuis en daarom noemt de mens dit Boek heilig, omdat hij voelt, dat er iets bijzonders mee is. Het Boek heet dan ook geschreven te zijn met de ruach ha-Kodesh, de Heilige Geest. Het is dus met hetzelfde zegel verzegeld als de Neshamah, dat wil zeggen heeft ook de structuur [= type] als “daar”, het “scheppingspatroon”. Het kan dus ook alleen gelezen worden door degene, die de “sleutel” bezit, de Heilige Geest [de parel van grote waarde; de verborgen schat; sesam open u; et cetera]. Ook het Esther verhaal is een tot het Bijbel complex horend verhaal en onderdeel van de grote Woord Harmonie, die als een wonder naar deze wereld is gekomen. De Thora kent in Leviticus en Deuteronomium reeds het patroon van dit ballingschap verhaal; maar daar heerst nog de wereld van vóór de verwoesting van de tempel; daar is nog het voorwereldlijke aan de orde. In het Esther verhaal is daarentegen het woord van deze wereld, die van na de verwoesting van de tempel, aan de orde. Het is het verhaal van de ballingschap, van elke ballingschap en bezit in de geladenheid van het woord, dat door de Ruach ha-Kodesh in deze wereld treedt, de diepste geheimen, de voorwereldlijke, de scheppingsmotieven [Weinreb, 35].

Esther Scroll (foto Wikipedia)

Esther Scroll (foto Wikipedia)

De Esther rol is dus bijzonder en wordt Megillah genoemd, wat oorspronkelijk “rol” betekende, maar thans alleen nog voor de Esther rol wordt gebruikt. Ook de Thora is op een rol geschreven, maar wordt niet megillah genoemd, wat is, omdat de wortel daarvan “bloot geven”, “het uiterlijk geven” (galui) betekent. De Thora leest men door telkens een kolom verder de rol aan de ene kant af en aan de andere kant op te rollen. Op deze wijze is het nog niet gelezene verborgen, zoals de toekomst verborgen is, en het gelezene verborgen als de wereld van voor de schepping. De Megillah of Esther rol wordt daarentegen in het geheel niet afgerold, maar reeds van te voren geheel uitgerold en dan in vieren gevouwen. Dit zijn – naar Weinreb opmerkt – de kleine dingen, waaraan Amalek vol zelfbewustzijn schouderophalend voorbijgaat. Maar wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd [Vamana/Klein Duimpje]. Het Esther verhaal, het ballingschap verhaal, is vierdelig, zoals we eerder al vier ballingschappen zagen. Dit is overeenkomstig de vier pijlers van deze wereld, de vier hoeken van de aarde, die de wereld omvatten, zoals de vier elementen de basis voor ieder verschijnen hier zijn. De Thora (Pentateuch: vijf boeken van Mozes overeenkomstig de vijf tattva’s, vijf zintuigen, vijf vingers; pentagram: zegel van Salomo) is dus een gesloten boek, een boek uit de voorwereld. Zij is als de Neshamah verborgen, opgerold, afkomstig uit een wereld vóór de onze. Daarom is het voor ons een Gesloten Boek. De naam van God staat er zo openlijk en veelvuldig in vermeld, dat het boek één grote naam uitdrukking van God is [het is dus met die Naam verzegeld!]. Daarentegen stamt het verhaal van Esther uit onze wereld en is daarom het galui, het openbare, het aan de uiterlijke kant spelende, en wordt dus uitgerold, terwijl het Esther heet, dat wil zeggen “ik heb mij verborgen”, omdat God zich erin verborgen heeft. Maar het wonder van het verhaal is, dat het – met God zo nadrukkelijk verborgen in het verhaal – toch vanuit de andere wereld geschreven is, met de ruach ha-Kodesh, de heilig (dat wil zeggen heel) makende ruach. Ruach is, dat wat verbindt, wat zich beweegt van het een naar het ander. De Wind heet ruach; en ook het feit, dat er richtingen bestaan, noemt men ruach. De ruach in de mens is de verbinder tussen het hier verschijnende en het wezenlijke, dat heel maakt, dat de scheiding tussen boven en beneden, tussen hemel en aarde opheft [vergelijk religie à verbinden; yoga] Ook het Esther verhaal is dus een scheppingsverhaal, een schepping in de ballingschap, en bevindt zich daarom op een rol. Maar omdat we in dit verhaal leven, wordt de rol voor het lezen geheel open gerold en vervolgens naar het vierdelige karakter van de ballingschap opgevouwen [Weinreb, 62].

Met Esthers verschijnen voor Ahasveros zijn we bijna het midden van de rol genaderd, en de spanning loopt op tot het ondragelijke. Want we zagen, dat Haman de Ring van Ahasveros heeft gekregen om daarmee de wet tot de ondergang van de Jehudim tot een natuurwet te maken, een onafwendbaarheid. Al eerder merken we op, dat Achashverosh maar koning is over de halve wereld (de 127 landen), over die ene helft van het bestaan, die men de Din, het recht, de wet noemt, volgens de Traditie de linkerzijde. Het is de zijde der ontwikkeling, groei en voortplanting. De andere zijde wordt Rachamim genoemd, wat te maken heeft met de baarmoeder en barmhartigheid heet, wat wil zeggen: “Wat de wet ook zegt, ik handel volgens huiswetten uit een ander huis” en daarmee kan de Rachamim de Din doorbreken, opheffen, anders richten. De Rachamim ligt aan de rechterzijde en is de uiteindelijke maatstaf [vergelijk de maatstaf, waarmee Ezechiël de nieuwe tempel meet]. Het is de kant van de Boom des Levens. Die Rachamim stoort de gang van zaken in deze wereld, die uitsluitend in de Din gelooft. En dat doet de wereld graag, want door bestuderen kom je tot beheersen door toepassing van vaste regels (de wetten van Meden en Perzen). Het is de boom der Kennis, die de mens door de slang, door Amaleks ontwikkelingskracht de belofte geeft: “Jij kunt als God worden” [Weinreb, 142].

Esthers gang naar Achashverosh gaat in tegen de natuurwetten. Ze gaat haar dood en ondergang tegemoet. Maar zoals we zagen, was ze bij deze verschijning gekleed in de ruach ha-Kodesh, het kleed van de Heilige Geest [vergelijk Aegis]. En de koning brandt van toorn, want deze koningin is een spelbreekster, die zonder te zijn opgeroepen verschijnt. Maar in de hemel is er grote beroering ontstaan door de omkering, door het vasten. En de overlevering vertelt, dat God Esther daar ziet staan en dat er drie engelen komen om in dat paleis van de natuurmatigheid in te grijpen. Het zijn Gods gedachten, die de daad oproepen, gemanifesteerd in de engel, Malach. Een engel richt de hals van Esther op, zodat haar paniek overgaat in zekerheid; de tweede engel omhult haar met aantrekkelijkheid, schoonheid; en de derde greep de gouden scepter van de koning en rekte die uit, zodat Esther erdoor geraakt werd. Het is het oer licht (van het goud) zelf, dat tot doorbreken wordt gebracht. De wereld is niet zo vast als ze schijnt en tijdens zo’n “ontmoeting” (yoga moment) kan van alles veranderen; de scepter, die twee el lang was, wordt 12 el; anderen zeggen 16 of 24, 60 of zelfs 200 el, en Esther wordt door dit oer licht “aangeraakt”. Niet Achashverosh was het, die in zijn genade of goedheid Esther aanraakte, want voor hem bestaan die begrippen niet, zoals we zagen (hij is hard en dwaas); hij had Esther vernietigd, maar door de vasten, het drie dagen zak en as, is de poort opengegaan naar de andere wereld en ongekende krachten vloeien de wereld in en grijpen haar aan. Voor Achashverosh was de scepter kort; het oer licht is naar binnen, op hemzelf gericht: hij is de Grote Koning. Maar nu is met grote kracht, dat andere doorgebroken en doordringt heel de wereld en dan kan Achashverosh niet anders doen, dan naar deze gewijzigde wereld te handelen. En hij biedt haar de helft aan van zijn rijk (5:3), om precies te zijn “tot de helft”, want voorbij de helft zou betekenen, dat Achashverosh de Tempel zou moeten herbouwen, en daarmee zou hij zijn eigen Rijk opheffen. Maar tot de grens wil hij haar wel laten komen, want ze is toch heel bijzonder, deze vrouw, die in zijn paleis verborgen is. En Esther nodigt de koning met Haman uit voor een maaltijd, een mishteh, die zij zal maken, al gemaakt heeft. En de koning, die er niets meer van begrijpt, haast zich aan haar wens tegemoet te komen. Dolgraag wil hij meer weten van deze vrouw, die blijkbaar de macht heeft zijn scepter te verlengen, zijn toorn te doen ophouden, kortom de wetten van Meden en Perzen met de voeten te treden op zo’n manier, dat men er aan moet toegeven; want het nieuwe, dat er doorheen loopt, is de adem van de andere wereld. Het is de ruach ha-Kodesh, het verborgene, dat dóórbreekt, dat Achashverosh doet verlangen om bij Esther aan de maaltijd te zitten. Wat zou daar te eten en te drinken zijn? Welk geheim zou zich daar onthullen?

Het is de avond van de 15e, dat wil zeggen het begin van de 15e en de maan heeft zijn hoogste groei (idus) bereikt. Wie denkt op zo’n moment aan een ommekeer? Het is de avond van Pasen en Israël bevindt zich binnen en wacht op het komende.

Ook Haman is op de mishteh van Esther genodigd, als enige verdere gast. Er is ook verder niemand meer, nu Haman de ring draagt [de draak heeft de wereld in zijn greep; er is duisternis (= zak) en vulkaanuitbarstingen (= as), et cetera]. Hij is in een overwinningsstemming. Wanneer de Jehudim uit de weg zijn, houdt niets hem tegen om zelf koning te worden met Esther als zijn koningin. Haman weet niet, dat Esther een Jehudi is; hij kan dit niet weten, want hij kent alleen de lastige Jehudi Mordechai en niet de verborgen Jehudi Esther. De overlevering zegt, dat Esther de koning jaloers wilde maken, zijn ijverzucht wilde opwekken tegenover Haman. Ze schoof bij deze maaltijd haar zetel naast die van Haman en toen de koning haar zijn drinkschaal overhandigde om haar als teken van zijn genegenheid als eerste te laten drinken, gaf zij die over aan Haman, hetgeen de koning onaangenaam trof. Weer biedt hij Esther het halve rijk aan en weer wordt hij uitgenodigd om met Haman op de maaltijd te komen de volgende dag. Deze tweedeling is typerend voor het rijk der Meden en Perzen. Alles is daar gedeeld en daarom komt alles dubbel. We naderen dan ook het midden: de ene maaltijd ervoor, de andere erna. Het exacte midden van de rol begint bij 5:7: “Toen zei Esther…”, want die uitnodiging doet ze voor de tweede maal. Vanaf nu is alles een omgekeerde herhaling van het voorafgaande. Was de eerste helft de ballingschap, dan komt nu de uittocht, de verlossing, de bevrijding [Staal, 272; Weinreb, 170].

Ook voor Haman is het hoogste punt van de extase bereikt. We lezen, dat hij die avond verheugd en in blije stemming heenging. Maar toen hij in de poort Mordechai zag, die niet opstond en zich niet voor hem verroerde, ontstak Haman in hevige woede tegen Mordechai (5:9), We zien hier Mordechai als “steen des aanstoots” en de tekst schildert hem ook als een Steen, een Rots: hij verroerde niet, volgens de NRSV: hij beefde niet. Voor Haman is dit onbegrijpelijk, deze niet erkenning van de geweldige resultaten van de ontwikkeling; buigt de Jehudi dan nooit? Vol onrust komt hij thuis, in het huis van Amalek en somt tegenover zijn vrouw Zeresh en zijn vrienden de eerbewijzen op, waarmee koning en koningin hem overladen hebben. “Maar,” zo voegt hij toe, “dit alles baat mij niets, zolang ik de Jood Mordechai in de poort van de koning zie zitten.” En zijn vrouw Zeresh en zijn vrienden adviseren hem: “Laat een paal van 50 [!] el hoogte maken en zeg morgenvroeg tegen de koning, dat men daarop Mordechai moet spietsen; daarna kunt ge verheugd met de koning naar het feestmaal gaan.” Dit idee beviel Haman en liet een paal gereedmaken (5:10-15). De 50 kennen we van het jubeljaar; het is het begin van de nieuwe wereld, na het voorbijgaan van de zeven keer zeven, dat wil zeggen nadat de zeven alle bestaande mogelijkheden heeft gepasseerd. Voor Haman betekent de nieuwe wereld zo’n vaart aan ontwikkeling, dat er voor de Jehudi geen plaats meer is, dat zij geen poot meer hebben om op te staan: ze komen in de lucht te hangen [Weinreb, 171].

De legende vertelt hetzelfde verhaal, alleen sterker: toen Haman langs Mordechai kwam, liet deze hem de akte zien, waarmee hij zich als slaaf verkocht had. Thuis zond hij om zijn vrouw, die, zoals gewoonlijk, bij haar minnaars was, en om zijn 365 raadgevers. Zijn vrouw Zeresh stelde, dat er slechts één gevaar was, waaruit nog nooit een Jood was gered: de galg (Daniël uit de leeuwenkuil, de drie uit de brandende oven, Jozef uit de gevangenis, Menasse uit de krijgsgevangenschap, et cetera). En terwijl Zeresh de citer bespeelde, werd onder luid gejuich van alle huisgenoten de galg opgericht, waarna Haman naar het koninklijk paleis ging [Staal 273].

Echter volgens Weinreb ging Haman niet naar het paleis, maar op zoek naar Mordechai, vol vreugde over de Wet van de Boom, die hij in de ochtend zal gaan afkondigen. Deze boom moet een einde maken aan Mordechai en is dus een “sluitboom”, die de Jehudi periode moet gaan afsluiten. Wat is het geheim van die Mordechai, vragen we ons af en we achtervolgen Haman, die Mordechai vindt in het leerhuis, het Beth ha-Midrash, het huis van de Midrash. Daar is hij kinderen de Thora aan het leren. Haman telt wel 22.000 kinderen, 1.000 voor iedere letter van het alfabet, waaruit de Thora woorden zijn opgebouwd. Waarom is Mordechai in dit uur van het grootste gevaar bezig kinderen de Thora te leren en niet met de grootste wijzen aan het beraadslagen? Weinreb wijst erop, dat het woord voor kind, tinok, eigenlijk “zuigeling” betekent, althans een heel klein kind. Is Mordechai nu ineens peuterleider? Het gaat hier echter om een belangrijke zaak. De overlevering (de buiten Bijbelse traditie) zou niet op zulke aangelegenheden ingaan als het niet om iets heel principieels ging. Het is duidelijk, dat we nu toekomen aan waarom Jezus zei: “Wordt als kinderen”. Het kind staat nog dicht bij de wereld van voor de geboorte; het heeft nog nauwelijks van de Boom der Kennis gegeten en heeft nog geen oordeel naar de waarneming [vergelijk het sprookje ‘De Nieuwe Kleren van de Keizer’]. De volwassene heeft een enorm reservoir aan kennis en ervaring opgebouwd en dit alles is bezwaard met al het naar de aarde drukkende van deze wereld. Het is een onontwarbare mengeling van juist en onjuist oordeel, maar vooral een intellectueel verantwoord oordeel. Het kind heeft dat niet, het ruikt nog de adem van de hemel en heeft – als zuigeling – nog geen ander voedsel gehad dan dat van de moeder en Weinreb wijst op de overeenkomst in woordstructuur van de woorden shadaïm (borsten) en shamaïm (hemel). Dit voedsel van de Moeder [vergelijk manna] is op aards niveau datgene, wat de engel aan de Neshamah vertelde voor de geboorte [met de paplepel ingegeven].

We zagen, dat Mordechai op de dag van het uitroeiing besluit aan kinderen vroeg, wat ze op school geleerd hadden. Eigenlijk waren het drie tinokoth, die de teksten zeiden, nu in de vertaling van Weinreb: Vrees niet voor plotselinge schrik, noch voor de ondergang van de zijde der slechten, als hij komt (Spr. 3:25). Beraamt een plan, maar het wordt verbroken; spreekt een woord, maar het zal niet tot stand komen, want God is met ons (Jes. 8:10). Het derde kind zei: “Tot de ouderdom ben Ik dezelfde en tot de grijsheid zal Ik u torsen; Ik heb het gedaan en Ik zal dragen, Ik zal torsen en redden.” Niet Mordechais ongetwijfeld grote kennis is het, die dit weten bij hem doet opkomen, maar het kind in hem, het contact met de voorwereld, zei het hem. En zo was Mordechai verheugd, want hij wist: God zal redden. Haman zag de glimlach van Mordechai en vroeg naar de reden en Mordechai vertelde het, waarop Haman besloot in de 1e plaats de kinderen te doden, nog vóór Mordechai, want juist dat kind (vergelijk Mozes, et cetera) in de mens vormt het gevaar voor Haman. Dus moet het kind worden verstikt, door het te bedelven onder de wetten van Meden en Perzen [Weinreb, 175].

Weinreb wijst erop, dat de leraren van deze kinderen typische figuren zijn, want wie kan de tinokoth leren? Dat kunnen alleen mensen met een heel speciaal lot zijn, mensen, die met dit leven in botsing zijn geweest, voor wie deze wereld onaangenaam was. De afstammelingen van Haman, van Siserah, van Sanherib, dat zijn die leraren. Zo wordt Jacobs tweede zoon Simon de kinderleraar genoemd. Hij heeft – als stam – geen vaste plaats in het land en trekt rond, de kinderen lerend. Hij was het, die met Levi de catastrofe van Sichem (Gen. 34:25ff) veroorzaakte [zie ook Gen. 49:5-7], terwijl de stam Simon in de woestijn het debacle met Baal-Peor had (Num. 25:14).

Wanneer Haman Mordechai met de kinderen ziet leren, grijpt hem, ondanks de zekerheid van de ondergang van de Jehudim, toch weer een grote woede aan en hij werpt ijzeren ketenen over hen en stelt bewakers over hen aan en zegt: “Morgen zullen zij het eerst gedood worden, nog voor Mordechai!” Morgen, want het is nog steeds de avond, het begin van 15 Nissan. Iedereen weet, dat een nieuwe wereld komende is; de ondergang nadert en iedereen is overtuigd, dat Haman de toekomst heeft, óók de Jehudim menen dat en daarom vasten zij, onthouden zij zich van deze wereld der ontwikkeling. Zij weten, dat hun ondergang door Achashverosh is vastgelegd en toch vasten ze, een zinloze, irreële daad, een daad “om niet” (zoals God “om niet” handelt) [Weinreb, 176].

Dan bereiken we het holst van de nacht, het chatsoth, de “helft” van de nacht, het keerpunt en alles houdt zijn adem in, in afwachting van het komende. In het paleis kan de koning niet slapen. De overlevering zegt, dat met de koning hier in de eerste plaats God bedoeld wordt, tot wie het vasten en het lijden van de Jehudim doordringt. Daarom staat Hij op van de Troon der Wetmatigheid, van de Din, en begeeft zich naar de Troon van het Rachamim, de barmhartigheid. Op dit moment valt alles samen: het paasmaal van Israël, de arme, ongezuurde maaltijd, het vasten van de Jehudim, het keren van de nacht en van de maan. Maar wat betekent het, dat God niet slaapt, want God slaapt toch nooit? Weinreb meent, dat de mens in ballingschap de mening is toegedaan, dat God slaapt, omdat Hij uit het verborgene handelt, maar we hebben gezien, dat met het slapen van God iets heel anders wordt bedoeld: het is de pralaya, de nacht van Brahma. Wat betekent het nu, als gezegd wordt, dat God dié nacht niet slaapt? We vervolgen met Weinreb: Omdat God niet slaapt, is ook Haman in volle activiteit. Hij bereidt alles voor, voor de komende achtste dag. Hij is op weg naar de koning om de wet voor het hangen van Mordechai van de koning te laten uitgaan. Ook Esther slaapt niet; zij is bezig de maaltijd voor de komende dag te bereiden, waarbij het geheim onthuld gaat worden, het ongelooflijke. En ook de Jehudim slapen niet. Zij verwijten Mordechai, dat hij het zover heeft laten komen; waarom niet ook maar een beetje toegegeven, zo consequent valt toch niet te leven?! Zo slaapt ook Mordechai niet en leert met de tinokoth en hun lijden dringt door tot God als het geluid van schapen en geiten. De engelen menen, dat de ondergang van de wereld gaande is, maar Mozes zegt God, dat het de tinokoth van de Jehudim zijn, waarop God met Zijn troon schudt en daarmee de hele schepping [= kosmos] schokt. En dan komen ook de vaderen van Israël, de aartsvaders, voor God; op het keerpunt zijn ze wakker [zoals Brahma, die met Shiva naar Vishnu gaat], zijn ze aanwezig, worden ze gekend (in Gods Raadsbesluiten [boulè]). Dan stuurt God Michael naar de wereld om “te doen”. “Wie is als God?” [= Michael] treedt de wereld in en verstoort de slaap van Achashverosh. Ook Gabriël [“De kracht van God”] is meegekomen, die de koning 365 keer van het bed op de vloer gooit, telkens hem toefluisterend: “Ondankbare, beloon wie beloning toekomt!” Achashverosh begreep deze woorden niet en liet zich voorlezen uit de kroniek der Perzische koningen in de hoop, dat deze uitkomst zouden geven. De voorlezer was een van Hamans zonen. Toen hij gekomen was bij het verhaal, waarin beschreven was, dat Mordechai eens het leven van de koning gered had, sloeg hij de bladzijde ongelezen om, maar een engel sloeg de bladzijde weer terug en fluisterde tenslotte het verhaal in het oor van de koning. Michael nam de gedaante aan van een oude man, die voor de ogen van de koning zweefde en telkens riep: “Haman wil u doden en zelf koning worden! Straks zal hij u komen verzoeken, Mordechai te doden, de man, van wie ge zojuist gehoord hebt, dat hij u het leven gered heeft, zonder enige beloning daarvoor ontvangen te hebben.” Bij het horen van de naam Mordechai kwam de koning tot kalmte. Hij viel in een diepe slaap en droomde, dat Haman naderde met een zwaard in de hand om hem te doden. Juist op dat moment kwam Haman onaangediend binnen, de koning in zijn slaap storend. De koning vroeg zijn minister, hoe hij een van zijn gunstelingen eer zou kunnen bewijzen, en Haman, in de mening zelf die gunsteling te zijn, raadt de koning aan de man in koninklijk gewaad te kleden en hem op het koninklijk paard te zetten, met de koninklijke kroon op het hoofd, door de hele stad te laten rondrijden. Voor hem uit moest een der satrapen uitroepen: “Iedereen moet voor deze man, die de koning eer wil bewijzen, op de knieën vallen!” [Weinreb, 177; Staal, 273f].

Haman is blakend van zelfbewustzijn. Nu is zijn tijd gekomen. Hij kent de chatsoth, de ommekeer op de helft, niet. Wie überhaupt in deze wereld kent dit moment? Het moment, waarop Abimelek Sara moet loslaten (Gen. 20:3-7), het moment, waarop Abram zich de nacht deelde in de strijd met de vier koningen (Gen. 15:17), het moment, dat de uittocht uit Egypte gaat plaats vinden (Ex.12:29-31), het moment van de ommekeer bij Sanherib (2 Kon.19:35), het moment van de val van Belshazar (Dan. 5). Het is ook het moment, waarop de profeten hun gezichten zien en waarop de dromers hun dromen hebben. Zo droomde ook Achashverosh, toen Michael hem verscheen als bedelaar en Gabriël hem influisterde, dat het nu tijd was voor de vergeten beloning. Achashverosh had immers zijn overleven aan Mordechai te danken. Zonder deze Jehudi zou hij niet eens bestaan.

Voor Haman bestaat alleen Haman en ook de koning begrijpt, dat Haman zichzelf bedoelt, als koning in plaats van de koning. En de klap voor Haman kan niet harder zijn: dit alles, wat hij gezegd heeft, moet hij doen met Mordechai, de stille redder, de Jehudi, de steen des aanstoots, ja, voor de man voor wie de koning zelf een wet van Meden en Perzen had afgekondigd, dat hij vernietigd moet worden. Haman biedt Achashverosh heel zijn ongelooflijke rijkdom aan om onder deze verplichting uit te komen, wat Achashverosh welwillend accepteert, zonder echter zijn besluit te veranderen. Hij had nu begrepen, dat Haman hem wilde doden en dat de krachten van de ontwikkeling nergens voor stand hielden. Hij had iets van de ene en van de andere wereld gezien en wist, dat hij nu moest handelen volgens de andere. Maar een dwaas bleef hij.

Mordechai is ondertussen nog in het leerhuis met de kinderen en weet nog van niets. Wanneer hij Haman ziet komen, weet hij, dat Haman hem komt halen om opgehangen te worden. En hij richt zich in een laatste gesprek aan God. Maar nu is het Haman, die vraagt wat de kinderen geleerd hebben. En hij krijgt als antwoord, dat het onderwerp van gesprek de kleine hoeveelheid meel was, die bij het “korban”, het offer, in de tempel tot God wordt gebracht. Haman vraagt naar de geldwaarde van dat meel en dat blijkt heel weinig te zijn, waarop hij uitroept: “Dit kleine beetje meel van jullie heeft mijn 10.000 [= myriad] talenten zilver verdrongen.” Haman realiseert zich nu, dat de maatstaven voor de realiteit anders zijn dan de zijne. Zijn rijkdom, pracht en praal wegen niet op tegen dat onopvallende, dat onbeduidende [Klein DuimpjeVamana], dat in deze wereld niet meetelt. Wanneer Haman Mordechai de koninklijke kleding voorhoudt, kan deze hierin alleen ultieme spot ontdekken [Jezus’ mantel van Herodes]. Vooral gelooft hij in de hulp van God, ook voor hem is de wereld ommekeer vrijwel ondenkbaar. Daarom verkeert hij bij Hamans verschijnen in de hoogste angst en verlatenheid [Weinreb, 182]. Maar terwijl hij wordt aangekleed begint het hem te dagen en laat hij zich door Haman klaar maken voor de bekendmaking in de wereld van deze ommekeer.

En zo voert Haman Mordechai door Shushan. De wereld van de krachten der ontwikkeling kan het nog steeds niet vatten. De overlevering vertelt, dat Zeresh, de vrouw van Haman, meent, dat het Haman is, die door Mordechai als knecht wordt rondgeleid. Ook haar dochter meent dit en gooit, om Mordechai extra te beschamen, fecaliën [een strontemmer] over degene, die het koninklijk paard leidt. Wanneer ze ziet, dat het haar eigen vader is, stort ze zich [van het balkon] omlaag en sterft.

Pieter Pieterszoon Lastman - The Triumph of Mordechai (foto Wikipedia)

Pieter Pieterszoon Lastman – The Triumph of Mordechai (foto Wikipedia)

Nu staat alles op zijn kop; alles kolkt en bruist. Haman komt verdwaasd en bevuild thuis, terwijl Mordechai na het afleggen van de koninklijke gewaden weer in zak en as terugkeert naar de poort, nog steeds vastend, want de drie dagen zijn nog niet om en de wet op de uitroeiing van de Jehudim bestaat nog steeds. De uittocht uit Egypte heeft plaats gehad, maar de zee van het einde is nog niet doortrokken. Egypte zit nog op de hielen. Men eet het ongezuurde brood der armoede; het Mannah is er nog niet. Maar Haman en de zijnen weten, dat de nieuwe wereld is doorgebroken en dat als hij valt, hij tot de ondergang zal vallen.(6:13). De enige redding zou nog gelegen kunnen zijn in Esther, de geheimzinnige koningin. En terwijl Haman nog vol is van angst en ontzetting, komen de boodschappers van de koning, de eunuchen, om Haman naar de tweede maaltijd van Esther te brengen. We zijn nu voorbij de helft dus nu moet de koningin haar verzoek doen en weer biedt Achashverosh Esther tot de helft van zijn rijk aan. Nu onthult Esther wie ze is, dat zij juist tot diegenen behoort, die Haman wil uitroeien, dat zij tot “de andere zijde” behoort, die nu, in deze nieuwe wereld, pas zichtbaar wordt. Dit is voor Haman de genadeslag. Dat wat hij vervolgde, blijkt hetzelfde als de koningin, als de geheime zijde van de koning. Hoe is het mogelijk, dat hij dit niet zag! Is de ontwikkeling zo’n blind makende [= verblindende] zaak? Wordt men zo geobsedeerd (gefascineerd = spell bound) door de (slangen) krachten van de ontwikkeling, dat men voor zoiets (“onbeduidends”) totaal geen oog meer heeft?

Ook de koning is diep aangedaan van toorn; achter alles blijkt Haman te zitten en hij staat op van het feest en gaat de paleistuin in. Daar is Michael bezig jonge bomen om te hakken, wat de toorn van de koning alleen maar vermeerdert. Een nieuw hoogtepunt [crisis] in de wereld en de mens nadert. De koning gaat het paleis weer in, waar Haman bij Esther om genade smeekt. Juist als de koning binnenkomt, duwt Michael Haman over het bed, zodat hij boven op Esther valt. De koning meent, dat Haman Esther wil aanranden [zie Est. 7:8] en zijn woede kent geen grenzen. Dan bedekken de eunuchen het gezicht van Haman en een van hen, Charbonah, wijst op de galg van 50 el, die Haman voor Mordechai, de redder van de koning, had opgericht. En Haman wordt aan deze boom opgehangen. Juist de krachten van de ontwikkeling verliezen de grond onder hun voeten. Volgens de overlevering was de boom, die Haman zichzelf bereidde, de kots of doornboom. Alle bomen wilden wel dienen als plaats om Haman te hangen, want alles in de schepping wist, dat niet Mordechai, maar Haman zou hangen; alleen de mens weet het niet. Tenslotte werd de kotz aangewezen; al van de zesde dag van de schepping was de doorn voorbereid voor dit doel. Deze doorn beschermt het erin verborgen geheim van de Shoshanah roos [vergelijk Doornroosje]. Het argument van de braamdoorn was: “O Heer, ik heb geen beter argument dan mijn eigen naam kotz. Haman is ook een kwalijke doorn, en het is zeer terecht om een doorn op een doorn te hangen!” Deze zin herinnert Schwarzbaum aan “het slechte op het slechte”, van een slang op een doornstruik uit een fabel uit de Syrische Ahikar [Weinreb, 186; Schwarzbaum, 147f].

In de nieuwe wereld wordt alles omgekeerd. Mordechai krijgt nu de ring van Achashverosh en neemt de plaats van Haman in. Nieuwe boodschappers vertrekken, de 23e van de tweede maand Siwan, want 13 Adar blijft het vernietigen, maar nu zijn het de Jehudi haters, die worden uitgeroeid. De 10 zonen van Haman worden met de verdere aanhang gedood. Haman zelf wordt op 16 Nissan, de vierde dag van het geconcentreerde gebeuren gehangen. Voor de Jehudim heerst nu licht en vreugde, blijdschap en eer. Er is een andere wereld gekomen. Zo drukt het Esther verhaal de verlossing uit. Alle waarden worden omgekeerd. Men begrijpt zelf niet meer hoe het zit. Is men wakende of dromende? De ballingschap blijft uiteraard bestaan; Achashverosh blijft, evenals het land van Meden en Perzen. Maar nu is koningin Esther zichtbaar, is Mordechai, de Jehudi, de uitvoerder van de wetten en zijn de Jehudim geëerd. Maar we mogen niet vergeten, dat het Esther verhaal ieder jaar gelezen wordt, dat het Purim een jaarlijks terugkerend gebeuren is, die de maand Adar merkt tot op de huidige dag, zoals de strijd met Amalek [vergelijk Apophis] iedere dag herdacht wordt [Weinreb, 187]. Zie: https://en.wikipedia.org/wiki/Purim.

Op het Purim is het gebruik om “abnormaal” te doen. Gezegd wordt, dat je zo in de vreugde moet opgaan, dat je het verschil niet meer weet tussen: “Vervloekt zij Haman!” en “Gezegend zij Mordechai!” Ook verkleedt men zich op het Purim: het is een maskerade, een “carnaval”. Het is alsof je wil zeggen: dacht je dat ik dié was? Je hebt het helemaal mis, ik ben juist het tegenovergestelde. Ook worden geluk spelletjes gespeeld, zoals bijvoorbeeld kaarten. Want wat is “toeval”? Is het toeval, dat ik die kaarten kreeg, dat ik die worp had met mijn dobbelstenen [vergelijk I Ching; runen]? Ja, dat dacht Haman en hij komt met een normaal verdeling [winstkans berekening] aanzetten. Ook is het gebruik om cadeautjes te geven of geld aan de kinderen, het Purim geld, waarbij het bedrag van geen belang is.

Om wille van het Purim wordt de maand Adar gebruikt om het maanjaar aan het zonnejaar aan te passen. Adar is dus een schrikkelmaand [van ‘schrikken’: een grote of wijde stap nemen] en Purim valt in zo’n geval altijd in de 13e maand, zoals het echte Purim. We zien dus, dat het Purim een soort nieuwjaarsfeest is, zoals het Jul en de Saturnalia. Hoewel Weinreb de vergelijking Purim = Carnaval (een soort sociaal psychologische nutsinstelling om zich eens te kunnen laten gaan) kennelijk uit den boze vindt, is het Carnaval ook een omkeerfeest (en een nieuwjaarsfeest), net als het Babylonische nieuwjaarsritueel, en dat hun functie volkomen vergelijkbaar is met het Purimf eest [vDale, 528; Weinreb, 192, 190].

Aanvullende literatuur

Blavatsky, H.P., De Geheime Leer, Den Haag (1931?) (= 1888)
Schwarzbaum, Haim, The Mishle Shu’alim (Fox Fables) of Rabbi Berechiah Ha-Nakdan. A Study in Comparative Folklore and Fable Lore, Kiron (Isr.) 1979
Trachtenberg, Joshua, Jewish Magic and Superstition. A Study in Folk Religion, New York 1970

https://youtu.be/Do79YEYcwJs (1:16) ‘Purim in Israel 2019’, van Israel, 21 mrt. 2019 (28.345 w; 0 r). Tekst: ‘Happy Purim!!!! Join us in celebrating the most fun Jewish holiday of the year! Purim takes us back 2000 years to the Persian Empire where the Jews were living in exile. Our heroes are queen Esther and her uncle Mordechai who saved the Jews from a wicked decree calling for their murder. This holiday traditionally symbolizes the victory of the Jewish people over anti-Semitic tyranny – basically celebrating life! Watch to learn all about PURIM!

PDF:
Cor Hendriks – Het Boek Esther

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-boek-esther-1/
http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-het-boek-esther-2/

Leave a comment

Your email address will not be published.

*