Cor Hendriks – De wereld van Mohammed (1)

De profeet Mohammed wordt door Christenen beschouwd als een valse profeet om de simpele reden, dat hij Christus niet erkende als de zoon van God. Volgens Mohammed is God zo hoog, dat het onmogelijk is dat Hij een zoon zou hebben, die op een speciale missie naar de aarde kwam om de mensheid te verlossen van hun staat van gebondenheid. Daarentegen is hij van mening, dat Jezus een profeet was in een lijn van profeten, waarvan hij, Mohammed, het sluitstuk was met de definitieve boodschap. Wat was deze boodschap? In het verleden heb ik in het kader van een grootschalig onderzoek naar de betekenis van mythen ook een studie gemaakt van de Koran, het boek met de boodschap van Mohammed, het boek, dat door bijna een derde van de mensheid wordt beschouwd als het definitieve woord van God.

De Koran is ingedeeld in sura’s, hoofdstukken van zeer ongelijke lengte. De titel van sura 7 van de Koran is ‘Al Araf’. Hierin wordt verteld van een Boek [de Koran], dat uit de hemel is gezonden met richtlijnen. Het is een waarschuwing aan de afdwalers, opdat zij weten, dat “de HEER” vele steden verwoest heeft door zijn toorn vanwege hun zondigheid. “God” [De Elohim = Allah] heeft de mens geschapen, gemaakt en in de engelenraad gezet met de boodschap Adam te vereren, wat zij deden behalve Iblis, aangezien hij zich – van vuur zijnde – nobeler voelde dan Adam, die van klei was. Daarop werd hij om zijn hoogmoed uit het paradijs naar beneden verbannen. Desondanks weet hij toch Adam en Eva te verleiden, althans als Satan. Hij vertelt hen, dat als zij van de boom eten ze worden als engelen of onsterfelijk, maar als ze ervan eten, zien ze hun naaktheid en naaien bladeren aaneen. Maar voor God is niets verborgen en ook zij worden het paradijs uitgestuurd naar de aarde, waar zij zullen leven en sterven. De eigenlijke straf voor het eten van de appel was het verlies van het “stralenkleed”, waardoor Adam en Eva hun naaktheid zagen. Voor de kinderen van Adam zijn de richtlijnen gegeven en de zondaren spreiden hun bed in de hel, met over zich dekens van vuur, maar de gelovigen komen in het paradijs. Tussen hen in staat een heraut, die uitroept: “De vloek van God is op de boosdoeners, die de mensen doen afwijken van de weg van God en deze proberen krom te maken en niet geloven in het toekomstige leven.” En tussen hen zal een scheiding zijn en op de muur Al Araf zullen mensen zijn, die alles weten, door hun tekenen, en zij zullen roepen tot de bewoners van het paradijs: “Vrede voor jullie!”, maar ze zullen nog niet binnenkomen, hoe graag ze ook willen. En wanneer hun ogen richting de bewoners van het vuur gewend zijn, zullen ze zeggen: “O Heer, plaats ons niet bij de zondaars.” En zij die op Al Araf zijn, zullen roepen tot hen, die zij zullen kennen aan hun tekenen: “Jullie vergaren en jullie trots hebben je niet geholpen: Zijn dit degenen met wie God geen genade zal hebben? Kom dus het paradijs in, waar geen vrees je wacht, noch enig leed je overkomt.” (Koran 7:1-47)

Het commentaar vermeldt, dat Araf komt van ‘arafa’: “weten”, met een toespeling op degenen, die zich erop bevinden. Dat zijn zij, wier goede en slechte daden elkaar opheffen en daarom noch het Paradijs noch Gehenna verdienen. Het idee, analoog aan het Vagevuur (‘purgatory’), is mogelijk uit de Talmud afkomstig. In de midrasj op Ez. 7:14: “Hoeveel ruimte is er tussen de twee (paradijs en hel)?”, zei R. Jochanan: “Een muur”; R. Acha: “Een span” (ca. 22 cm); anderen zijn van mening, dat men elkaar kan zien [vgl. Luc. 16: 23]. Ook Mohammed laat de bewoners met elkaar converseren. (Koran, p. 298) Dat deze op Al Araf staanden alles weten, wil zeggen, dat ze de bewoners van het paradijs herkennen aan hun witheid, de helbewoners aan hun zwartheid, waaruit we mogen afleiden, dat “zij van al Araf” zelf rood zijn, wat we in ieder geval uit de naam “vagevuur” kunnen afleiden: ‘purgatorius’ betekent reinigend en komt van ‘purus’: rein, puur, wat verwant is aan het Griekse ‘pyr’: vuur, en samenhangt met ‘pur-pura’: purper, nu eens donkerrood, dan weer violet, maar van licht: schitterend, schoon.

In het vervolg van de sura Al Araf vertelt Mohammed over hoe in het verleden er altijd, voor een grote ramp kwam, een profeet opstond om de mensen te waarschuwen, zoals Noach, maar uitgemaakt werd voor leugenaar, waarna het zondige geslacht verdronken werd. Zo was er de profeet Hud, die naar Ad werd gezonden om deze opvolgers van het volk van Noach te waarschuwen. Maar hij werd niet geloofd en heel het volk ging ten onder door de plotse wraak en toorn van de Heer. Naar Themoud werd Saleh gezonden, die een vrouwtjeskameel als teken had. Zij waren de opvolgers van de Adieten en bouwden kastelen in de vlakten en huizen in de heuvels. Maar ze zwollen op van trots, verwierpen Saleh als een gezondene en sneden de hakpezen van de vrouwtjeskameel door en zeiden: “O Saleh, laat je dreigingen vervuld worden over ons als je 1 van de Gezondenen bent.” Toen werden ze verrast door de aardbeving; en ‘s morgens werden ze dood gevonden op hun gezicht in hun woning. En Saleh ging bij hen weg en zei: “O mijn volk! Ik maakte waarlijk de boodschap van mijn Heer aan jullie bekend; en ik gaf jullie een getrouw advies, maar jullie houden niet van trouwe raadgevers.” Ook Lot was een gezondene, die de sodomie aanklaagde, en alleen hij en zijn gezin werden gered, behalve zijn vrouw [Adith]; zij was een achterblijver: En wij [Elohim] regenden een regen op hen: en zie wat het einde was van de slechterikken! En naar Madian werd hun broeder Shoaib gezonden, maar hij werd niet geloofd en ze werden verrast door een aardbeving en de volgende ochtend lagen ze dood voorover in hun woningen. Na deze allen werd Mozes gezonden met tekens voor Pharao en zijn edelen en als bewijs van zijn missie gooide hij zijn staf en zie, het was een slang en hij haalde zijn hand tevoorschijn en zie, hij was wit [Mozes is dus zwart volgens comm. (Echter het wit is melaatsheid!)]. Maar er werden een stel tovenaars voor Pharao gebracht, die de toeschouwers begoochelden en hen bang maakten en zij lieten een grote tovenarij zien. Maar toen gooide Mozes zijn staf en alle wonderwezens werden opgeslokt. Maar nog steeds werd hij niet geloofd en dus zond God de vloed en de sprinkhanen en de kummal (luizen) en de kikkers en het bloed – duidelijke tekens –, maar ze gedroegen zich trots en waren een zondig volk. Uiteindelijk lieten ze het volk vertrekken, maar braken hun belofte, vanwaar de Heer wraak nam en hen verdronk in de zee.

Mozes bleef 40 nachten bij zijn Heer op de berg en benoemde Aaron tot zijn plaatswaarnemer. En Mozes vroeg aan God om zich aan hem te tonen, maar God zei: “Je zult me niet zien; maar kijk naar de berg en wanneer hij stevig op zijn plaats blijft, zal je me zien.” En toen God zich tot [? op] de berg manifesteerde, veranderde hij die tot stof! en Mozes viel flauw. En toen hij weer bijkwam, zei hij: “Eer aan U! (Etc.).” Daarna kreeg hij de tafels der Wet, maar voor de “onterecht trotsen” [de verdwaasde mensen] hebben al de door God gedane tekens weinig zin, want ze zijn slechts geïnteresseerd in het pad der dwaling. Zo ook het volk van Mozes, dat tijdens zijn afwezigheid van hun ornamenten een kalf maakte, rossig als goud en loeiend. Maar zagen ze niet, dat het niet tot hen kon spreken, noch hen op de weg leiden? Toch hielden ze het voor een god en werden overtreders! En toen Mozes terugkwam, was hij zeer kwaad. Hij smeet de tafelen neer en greep zijn broer bij zijn baard en trok hem naar zich toe, maar Aaron smeekte om genade. En over hen, die het kalf voor een god aanzagen, kwam de Toorn des Heren en eeuwige schande. Maar voor degenen, die berouw tonen, heeft de Heer genade. En toen de boosheid van Mozes voorbij was, raapte hij de tafelen op en in wat erop geschreven stond, was leiding en genade voor hen, die de Heer vrezen. En Mozes zocht 70 man uit voor een ontmoeting met de Heer en toen de aardbeving hen overviel, zei Mozes: “O mijn Heer, als het uw wens was, dan had gij hen vernietigd (etc.)”. Want Hij is de heerser van het koninkrijk van Hemel en Aarde en buiten Hem is er geen god. Hij maakt levend en doodt! (En dus is het noodzaak in God en zijn – ongeletterde – profeet te geloven).

God verdeelde de Israelieten in 12 stammen als volken en liet Mozes met zijn staf op de rots slaan, toen het volk dorstig was, en 12 fonteinen spoten op. En de Elohim zorgden voor wolken om hen te overschaduwen en zonden hen de manna en de kwartels. Maar ook zij hielden zich niet aan Gods geboden en de Heer zond de Toorn des Hemels op hen neer voor hun misdaden.

Dit overkwam ook de stad bij de zee, toen de inwoners de sabbat braken; toen kwamen de vissen openlijk op de sabbatdag, maar niet als ze geen sabbat hielden. En zo maakten We een gericht van hen, want ze waren misdadigers. En toen ze hun waarschuwingen in de wind sloegen, redde de Heer de oprechten en bracht een strenge kastijding over de boosdoeners. En toen ze trots bleven doorgaan, zei de Heer: “Wordt verachtelijke apen.” En de Heer verdeelde hen als volkeren over de aarde en sommigen zijn oprecht en anderen niet. Bij de Wetgeving schudden de Elohim de berg over hen, alsof het een schaduw was en ze dachten, dat hij op hen zou vallen. [7:150-170]

Ook heeft Mohammed nog het verhaal van iemand [Balaam?] aan wie We tekens gaven, maar die ervan afweek, zodat Satan hem volgde en hij een van de verleidenen werd. Hij kroop ter aarde en volgde zijn lust; daarom zag hij eruit als een hond met zijn tong uit zijn bek. [7:173-4] Al deze verhalen zijn tekenen van God en te vinden in de Heilige Boeken (bijbel, Talmud, etc] en Mohammed is de Waarschuwer voor het komende Uur [d.i. ‘Dies Irai’ = Doemsdag], want dit zal onverwacht komen. Maar de mensen zeggen tegen Mohammed over zijn boek de Koran: “Het is een oude gelogen legende!” (46:10) Maar hij brengt daar tegenin, dat dit alles terug te vinden is in de boeken van Mozes, waarin duidelijke waarschuwingen gegeven worden.

De sura in de tijd volgend op Al Araf heet Al Ahkaf [= sura 46 in de standaardtelling], de Zandheuvels, en hier woonde vroeger de profeet Hud, die de Adieten kwam waarschuwen. Dit waarschuwen voor de “jongste dag”, de komende wereldvernietiging, is hét thema van de Koran, evenals van het NT. Uit de oude geschriften heeft Mohammed een soort historisch schema gepeurd, zoals we zojuist zagen in de sura Al Araf. Na Noach kwam Hud in de tijd van Ad, zoon van Aus, zoon van Aram, zoon van Sem, die in Petraiïsch Arabië woonde. Zijn stam, de Adieten, waren reusachtig van gestalte en sterkte. Na de Babylonische spraakverwarring lieten zij zich neer in de provincie Hadramant, werden machtig en beheersten de omringende volkeren. Hun eerste koning was Sheddad, de zoon van Ad; deze bouwde een prachtige stad met de heerlijkste paleizen en tuinen en vereerde met het hele volk valse goden (d.w.z. de planeten). De profeet Hud leerde hen van de ene, ware God, maar ze lieten niet af van hun afgoderij, waarvoor hen een 3-jarige droogte en hongersnood gezonden werd. Gezanten gingen naar de heilige heuvels (waar later Mekka gebouwd werd) om om hulp te vragen en ze kregen te horen van hun afgoderij af te zien, maar ze lieten zich niet waarschuwen, trokken naar de heilige berg en God zond hen 3 wolken, wit, rood en zwart, en beval hen te kiezen. De gekozen zwarte wolk gaf echter in plaats van regen een verwoestende storm, die het hele land verwoestte en allen de ondergang bracht op een paar na, die de profeet Hud waren gevolgd en waaruit een nieuwe generatie ontstond, die echter, eveneens afvallig, voor straf in meerkatten (soort apen in NW-Afrika: Cercopithecus) werden veranderd. (WdM, 9) In de Koran refereert Mohammed vele malen aan deze wegvaging der Adieten, die hij steevast koppelt aan de wegvaging van Themoud, waarheen Saleh werd gezonden.

De Adieten (Het volk van Ad)

De Adieten (Het volk van Ad)

De afbeelding is afkomstig uit het recente artikel van teukufandy (40) met de titel ‘THE AD PEOPLE, THE GIANT ENTERPRISES THAT MASTERED? (https://steemit.com/story/@teukufandy/the-ad-people-the-giant-enterprises-that-mastered).

In ‘De wereld van Sjarazaad’ van Richard van Leeuwen vinden we de volgende beschrijving (naar Ibn Kethier?):
“Er was eens een stam, die Aad ibn Awad ibn Saam ibn Noeh werd genoemd (d.w.z. de Adieten). Het waren bedoeïenen, die de zandbergen van Jemen, tussen Oman en Hadramaut, bewoonden, een gebied, dat uitkijkt over de zee en dat as-Sjahar wordt genoemd. Hun wadi heette Moeghieth. (…) Er wordt beweerd, dat [hun stad] Iram rondging over de wereld, zodat hij zich nu eens in Syrië bevond, dan weer in Jemen, dan weer in Hidjaaz, dan weer ergens anders. (…) Maar zij, die zeggen, dat de stad van zilver en goud was, hebben ongelijk. (…) Het volk van Aad aanbad afgoden en God zond hen de profeet Hud om hen tot God te bekeren en Hem als enige te vereren. Zij weigerden echter en God strafte hen streng.

Hij zond hen een wind, die een smartelijke kwelling was, een snerpende koude ‘boeboeb’, die acht dagen en zeven nachten waaide, zodat er niemand van hen overbleef. De storm achtervolgde hen in de grotten en kloven van de bergen en joeg hen de dood in. Hij verwoestte hun stevige huizen en verheven paleizen, ondanks hun stevigheid. Ze zeiden: “Wie is machtiger dan wij?” God liet over hen neerdalen, wat machtiger was dan zij, een vernietigende storm. Uiteindelijk bracht deze storm een wolk voort en zij, die nog in leven waren, dachten, dat het een genadige wolk was, die hen heil zou brengen, maar God liet vonken en vuur op hen neerkomen, zoals op meerdere plaatsen wordt vermeld. (…) Hij zond hen zowel een koude storm als een vurige kwelling, de zwaarste kwelling, die er bestaat. De profeet Hud ligt volgens sommigen begraven in Jemen, volgens anderen in Damascus.

De Thamoed waren een beroemde stam, genoemd naar hun voorvader Thamoed. Het waren bedoeïen, die in de steenwoestijn tussen de Hidjaaz en Taboek woonden. Zij volgden de stam van Aad op en aanbaden net als zij afgoden. God zond een man naar hen toe, een van zijn dienaren, genaamd Salih. Deze riep hen op zich tot God te bekeren en uitsluitend Hem te aanbidden en de afgoden af te zweren. Een groep van hen stemde toe, maar de meesten weigerden. Zij benadeelden hem in woord en daad en ze namen zich voor hem te doden. Zij doodden de kameel, die God als bewijs tegen hen had gezonden. Daarom strafte Hij hen streng. (…)

Ze zeiden tegen hem: “Wij willen dat je je uit deze rots” – ze wezen op een rots – “een vrouwtjeskameel tevoorschijn laat komen, die er zo en zo uitziet,” – ze beschreven hem nauwkeurig en tekenden hem. Salih antwoordde: “Als ik doe wat jullie vragen, zullen jullie dan geloven in de boodschap, die ik jullie heb gebracht?” “Ja,” zeiden ze en hij nam hen de gelofte af. Hierna begaf hij zich naar de gebedsplaats en bad tot God de Almachtige. Hij vroeg Hem aan hun verzoek te voldoen. Daarop beval God de rots zich te splijten en er kwam een grote kameel uit, precies zoals ze hadden beschreven en getekend. Toen ze dat zagen, waren ze diep onder de indruk van dit onweerlegbare bewijs en een groot aantal van hen bekeerde zich. De anderen volhardden echter in hun ongeloof. God zond diegenen, die Salih wilden doden, een steen, die hen vermorzelde, en Hij deed hen weldra sterven. Toen de Thamoed op donderdag wakker werden, de eerste dag van de gelofte, was hun gezicht bleek (wit!), zoals Salih had voorspeld. ‘s Avonds riepen ze tezamen: “Nu is er toch één dag verstreken!” Toen ze de volgende dag ontwaakten, op vrijdag, was hun gezicht rood (!). ‘s Avonds riepen zij: “Nu zijn er twee dagen verstreken!” Op de derde dag, een zaterdag, was hun gezicht zwart (!). Zij riepen: “Nu is de termijn toch verstreken?!” Op zondag zaten ze te wachten, welke kwelling en straf er over hen zou neerdalen, want zij wisten niet, wat Hij met hen zou doen, of van welke kant hun straf zou komen. Toen de zon opkwam, klonk er een kreet uit de hemel boven hen en voelden zij de grond onder zich beven. Iedereen huiverde van angst, niemand bewoog zich of maakte geluid en zo kwamen ze om in hun huizen, roerloze, ontzielde lijken. Ze zeiden: “Er bleef slechts één slavenmeisje in leven, dat Kalba heette en dat zich fel tegen Salih had verzet. Toen ze de straf zag, rende ze zo snel mogelijk weg naar een bedoeïenenstam en vertelde hen wat er met haar stam gebeurd was. Ze vroeg hen iets te drinken en nadat ze had gedronken stierf ze.” (Leeuwen, 399f.)

Voor de drie kleuren rood, wit en zwart, zie http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-rode-witte-en-zwarte-haan/ en http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-rode-witte-en-zwarte-worm/.

Meer informatie:
http://robscholtemuseum.nl/c-ervana-top-illuminati-grand-wizard-we-control-islam-and-well-use-it-to-destroy-the-west-ww3/

6 Trackbacks & Pingbacks

  1. Cor Hendriks – De wereld van Mohammed (2): Het einde der tijden | Rob Scholte Museum
  2. Cor Hendriks – De wereld van Mohammed (3): De Duivelsverzen (De Ster) | Rob Scholte Museum
  3. Cor Hendriks – De wereld van Mohammed (4): The Satanic Verses (De Duivelsverzen) van Salman Rushdie (met PDF) | Rob Scholte Museum
  4. Cor Hendriks – De wereld van Mohammed (5): Salomo | De hemelreis van Mohammed | Rob Scholte Museum
  5. Cor Hendriks – De wereld van Mohammed (6): De religie van verdraagzaamheid? | Rob Scholte Museum
  6. Cor Hendriks – Abraham, Lot en de vernietiging van Sodom | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*