Cor Hendriks – De sardonische lach (2): Senicide en sprookjestype ATU 981

In de vorige aflevering (http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-de-sardonische-lach-1-senicide-op-het-oude-sardinie/) zagen we, dat het verhaal van het doden van de oude mensen onderdeel uitmaakte van een sprookje, dat in de internationale typen catalogus van Aarne, Thompson en Uther is opgenomen als ATU 981 ‘De Wijsheid van de Verstopte Oude Man Redt het Koninkrijk’, maar dat we met evenveel recht ‘De afschaffing van het doden van oude mensen’ zouden kunnen noemen, zoals de studie uit 1937 van dit thema door Fritz Paudler, professor in de etnologie aan de universiteit van Praag, heette, want beide vlaggen dekken de lading niet helemaal [Het boek van Paudler (70 pag. Duits) is hier te lezen: https://portal.dnb.de/bookviewer/view/1032740558#page/n0/mode/1up].

Zijn studie is gebaseerd op 66 varianten: 21 uit het Bulgaars en Servokroatisch, 11 uit Oekraïne, 6 uit Wit Rusland, 6 uit Griekenland, 4 uit Roemenië, 2 uit Bessarabië (= Gagausisch), 2 uit Letland, 2 Boerjetisch, en één uit Afar (Erythrea), Albanië, Aramees (Mossul), Duits (Ödenburg), Estland, Kirgizisch, Kjachisch, Kunama, Nogaiïsch, waarnaast uit oude tijden een Griekse, een Latijnse en een Sanskriet versie. Eerst een vervolg van wat we in de eerste aflevering zagen.

Het eerste gebied, dat hij bespreekt, is Wit Rusland en Oekraïne, waar de uitdrukking ‘op de slee zetten’ wordt gebruikt en in mindere mate ‘op de bast zetten’ of ‘leggen’ en ook ‘op de slee weg varen’ (i.e. vliegen). Het ligt allemaal problematisch volgens sommigen, die met de verklaring komen, dat de slee en de bast een rol speelden in vroegere begrafenisrituelen, wat Paudler bestrijdt. In de verhalen is het wel degelijk, dat de oude man op een slee wordt gezet en dan van de helling afgegooid of zelf over de rand sleet, waarna hij verder vliegt om tenslotte te pletter te slaan, maar voordat het zover is, heeft hij zichzelf al gedood, zoals in één geval uitdrukkelijk wordt gezegd. De bast is lastiger, want die werd wel gebruikt in begrafenisriten, n.l. om iemand op te wassen, zodat de uitdrukking ‘het is tijd voor de bast’ zoveel wil zeggen als hij ligt op sterven. Maar bij de senicide wordt de bast net als de slee gebruikt: je gaat er op zitten of liggen en dan over de rand van de afgrond.

Dan behandelt Paudler het Servokroatische en Bulgaarse gebied en hier valt vooral het verhaal over het brood op. Een brood werd op het hoofd gelegd van de oude en dan werd met een bijl op het brood geslagen, zodat het de schuld van het brood was. In een bepaald gebied in Kroatië hebben vroeger de zogenaamde Nemsi, d.w.z. ‘niet stervers’, gewoond, die deze methode toepasten, maar in plaats van een brood een broodschop namen en er op sloegen met een ram blok, wat te zien is als een latere ontwikkeling van het verhaal. Uit Montenegro deelt Paudler in een voetnoot mee het slaan met de bijl op een in de nek gelegd vilt pakje.

Paudler onderscheidt drie typen: in het eerste type wordt het doden van oude mensen afgeschaft, omdat men door een wijs advies van een door zijn zoon tegen de gewoonte in gespaarde oude man het nut van oude mensen leert waarderen; bij het tweede type, omdat een man, die op het punt staat aan zijn vader de gewoonte uit te oefenen, terug schrikt door een opmerking van zijn eigen zoon, die hem bewust maakt van zijn eigen toekomstige lot; bij het derde type, omdat hij terug schrikt door een opmerking van de vader zelf. Het eerste type komt het meest voor. In het Wit Russisch Oekraïense gebied is de raad van de oude man na een misoogst om het dak stro uit te dorsen en dat zaad uit te zaaien; of gewoon het dak stro over de velden te verspreiden. Ook in een Kroatische en Servische versie komt dit voor. In drie Roemeense versies is de raad om de straat om te ploegen (waarop van de karren gevallen zaad ligt). In de enige andere Roemeense versie, die Paudler kent, moet de zoon optrekken tegen een monster, dat vanuit een hol met talloze gangen het land verwoest. De vader adviseert een merrie met een jonge veulen mee te nemen en vóór het hol het veulen te slachten, waardoor de merrie de terugweg zal weten. Ook dit motief is bij de Serven drie maal en bij de Kroaten twee maal te vinden. In vier van deze gevallen vindt de merrie de weg in de duisternis, een motief uit de Alexander romance.

Zeer recent is dit motief uit de Alexander romance besproken door I.M. Konstantakos naar het thema ‘The Wisdom of the Hidden Old Man. An Ancient Folktale of the East in the “Alexander Romance”’, in ‘Athenaeum. Studi di Letteratura e Storia dell’Antichità’ (Vol. 150.II, Pavia 2017, 444-481), die zo vriendelijk was om me op verzoek het hele artikel toe te sturen. Het probleem is hoe terug te keren uit het land der Duisternis, als je geen hand voor ogen ziet. Er zijn geen oude mannen, want die heeft de jonge Alexander in een overmoedige bui achter gelaten, maar één oude man wil graag mee en haalt zijn zonen over hem mee te smokkelen (zijn baard afscheren, etc.). Hij voorziet, dat zijn diensten nodig zullen zijn en dat hen een grote beloning wacht, dus laten ze zich overhalen. Eenmaal aangekomen bij de duisternis laat Alexander vragen naar een oude man en belooft tien pond goud. De oude man wordt gebracht en deze adviseert merries mee te nemen en hun veulens achter te laten. In een appendix geeft Konstantakos twee door de Alexander romance geïnspireerde werken. Het eerste is uit India, geschreven in de 9e eeuw, aangevuld in de 12e eeuw. Een jonge koning, die eens in India regeerde, tolereerde slechts jongelui om zich heen. Als hij op een campagne gaat, verbiedt hij oude mannen mee te gaan, maar één soldaat is dol op zijn vader en neemt hem heimelijk mee. Dan komen ze op een dag zonder water te zitten in een woud en de koning stuurt zijn mannen er op uit, maar die vinden niets. Ze wensen de raad van een oude man en de koning laat een proclamatie uitgaan, waarop de soldaat zijn vader brengt, die adviseert ezels te laten zoeken. (2017:478)

Het tweede verhaal betreft de Oghuz legende, de naam gevende held van de Oghuz Turken (Turkmenen) in Centraal Azië, zoals verteld door de Iraanse taalkundige Rashīd Al-Dīn (vroeg 14e eeuw) in zijn universele geschiedenis. Toen Oghuz op campagne was in het noorden, beval hij, dat als iemand tijdens de mars achter bleef hij zwaar zou worden gestraft. Er kwamen toen vele gewonden en oude mensen naar voren en hij beval, dat ze daar moesten blijven. Maar een van hen, de slimme Būshī-Hōdja, zei tegen zijn zoon Qara Sülük hem mee te nemen, want op een dag zal hij nodig zijn. Ook zij komen in een waterloos gebied en hij adviseert koeien een tijdje geen water te geven en dan los te laten; waar ze gaan graven is ondergronds water. De jongeman doet dit en wordt door Oghuz bevorderd tot kwartiermeester. In de loop van het verhaal geeft de verstopte vader nog vaker advies aan zijn zoon en een van die avonturen betreft het land der duisternis, waar hij met dezelfde oplossing komt als in de Alexander romance. Als beloning krijgt de oude man de stad Samarqand en Qara Sülük wordt benoemd tot groot emir. (2017:479)

Paudler verwijst ook naar de geschiedenis van Tyrus van Pompejus Trogus (1e eeuw VC). Dit verhaal is uitgebreid te vinden in de bespreking van het thema ATU 981 ‘Wisdom of Hidden Old Man Saves Kingdom’ in ‘Ariadne’s Thread: A Guide to International Tales Found in Classical Literature’, van William F. Hansen, p. 469 e.v. De vroegste getuigenissen zijn te vinden in de werken van twee Romeinse compilatoren, Justinus en Festus. Justinus vertelt hoe eens de kracht van de Tyriërs verminderd was door een serie oorlogen tegen de Perzen. De slaven, die zeer talrijk waren, maakten van deze gelegenheid gebruik om tegen hun meesters samen te zweren en hen te doden tezamen met de hele vrije bevolking, waarna ze de stad overnamen, bezit namen van de huizen van hun meesters, trouwden en kinderen kregen. Nu was er onder die slaven één, die zijn oude meester en diens jonge zoon had gespaard uit medelijden en verborgen hield. Ondertussen vergaderden de voormalige slaven over wat voor soort regering ze zouden nemen en ze besloten een van hen tot koning te verheffen. Degene, die als eerste de zon zal zien opkomen, zal worden gekozen, omdat hij de meest aangename voor de goden zal zijn. Dit werd meegedeeld aan Straton (de verstopte meester) en deze adviseerde zijn slaaf naar het westen te kijken. Dus terwijl iedereen naar het oosten keek, keek hij naar het westen en zag de zon schijnen tegen de hoogste delen van de stad, en was de eerste om op de zonnestralen te wijzen. Dit leek veel te slim voor een slaaf en deze bekende, dat het van zijn meester kwam. Nu zag iedereen in hoe superieur het intellect van vrije mensen was, waarop de oude man en zijn zoon gratie kregen en aangezien het volk geloofde, dat de twee onder bescherming van een godheid stonden, maakten ze Straton tot koning en na diens dood ging het rijk naar zijn zoon en zo voort (Epitoma Historiarum Philippicarum Pompei Trogi 18.3.6-16. Verwezen wordt naar AT 120: ‘The First to See the Sunrise’, hier een dierenfabel. Weddenschap tussen vos en zwijn, wie het eerst de zon ziet opkomen. De vos zit op een heuvel naar het oosten te kijken, het zwijn kijkt naar de hoge bomen in het westen en wint). Het eerste de zon zien komt bij Paudler voor in de Kjachische versie, waar het onderdeel is van drie voorwaarden voor de verkiezing tot heerser: als eerste een mensenhuid met goud vullen, als tweede als eerste de zon zien, en als derde een hond tot spreken brengen, wat allemaal geschiedt door listen van de oude man. Ook in vier Kroatische versies komt deze zonsopkomst vraag voor, in een er van in combinatie met andere onvervulbare voorwaarden voor de uitverkiezing (noch blootsvoets noch geschoeid; noch lopend noch gereden) en het dak stro uitdorsen na een misoogst. De andere zijn als de Servische versie, die te vinden is op de site van D.L. Ashliman: https://www.pitt.edu/~dash/type0981.html#serbia1. Hier was het een gewoonte in oude tijden om 50 jarigen te doden. De goede zoon heeft zijn vader verborgen in een wijnvat. Dan is er op een keer een weddenschap met een stel buren: wie het eerst de zon ziet opkomen; en de zoon kijkt naar de bergen in het westen en wint. Als de mensen horen hoe, zijn ze verbaasd over de wijsheid van oude mensen en het doden stopt. In een tweede Servische versie worden de oude mannen met 50 gedood, omdat ze geen militaire waarde meer hebben. Hier geeft de verborgen vader zijn zoon een goed militair advies, waardoor deze zijn eigen leven en dat van de anderen kan redden, waarna het doden van oude lieden wordt afgeschaft. Ditzelfde advies (van het doden van de veulen, zodat de merrie de weg terug weet, gebaseerd op de Alexander romance) geeft de vader aan zijn zoon in een Roemeense versie uit Transylvanië. Hier werden de oude mensen gedood, omdat ze geen nut hadden. De strijd is tegen een monster in een labyrint. In een versie uit Macedonië was het vroeger de gewoonte de oude mensen naar de berg te brengen, waar ze werden achter gelaten om te sterven van de honger of gedood te worden door wilde dieren. Dit werd gedaan om hongersnood te voorkomen en kinderen, die hun ouders niet doodden, werden gedood. Toen het bevel van de keizer kwam om een vrouwtjesbeer te doden, die boven het dorp verscheen, gaf de oude man zijn zoon, die hem in de kelder verborgen hield, advies, evenals bij een tweede bevel, waarna de gewoonte werd afgeschaft. In nog een Roemeense versie wordt gezegd, dat de gewoonte in een ver land was en dat de jongelieden er toe collectief hadden besloten; de jonge koning was het er mee eens en slechts één man kon het niet over zijn hart verkrijgen en verborg zijn vader in de kelder. Ook hier brak een hongersnood uit als gevolg van een misoogst en slecht weer, maar de vader gaf zijn zoon goed advies en zo kwam er toch het jaar er op een goede oogst en de koning was onder de indruk van het wijze advies en schafte het bevel af. Vergelijk het voorbeeld bij Ashliman uit Oekraïne, waarin het de gewoonte is om oude mensen te doden en als er dan een hongersnood komt, heeft niemand meer zaad voor de volgende oogst en is het de oude man, die adviseert de dakbedekkingen te dorsen. Onder de indruk van de wijsheid van de oude man wordt de gewoonte afgeschaft en mag iedereen voortaan zijn eigen dood sterven (https://www.pitt.edu/~dash/type0981.html#ashliman).

Een andere verwijzing van Paudler is naar het verhaal van Rome over de ‘zestigjarigen van de brug’ van Festus, wat uitgebreider te vinden is in de studie van I.M. Konstantakos (2017, 461). De Romeinse grammaticus Sextus Pompeius Festus (eind 2e eeuw AD) citeert een korte anekdotische navertelling als onderdeel van zijn uitleg van het Romeinse spreekwoord ‘sexagenarios de ponte’ (zie deel 1). Het verhaal was, dat na de bevrijding van Rome van de Galliërs (ca. 390-386 VC) er een voedseltekort in de stad was. Daarom werd gedecreteerd, dat personen van boven de zestig in de Tiber moesten worden gegooid. Eén inwoner kon het niet over zijn hart verkrijgen, verborg zijn vader en deze gaf waardevolle adviezen voor de noden van de staat op vele gelegenheden, via zijn zoon. Toen de hele zaak was onthuld, vergaven de Romeinen de jongeman en stonden oude mensen toe te leven.

Voor het tweede type verwijst Paudler in zijn algemeenheid naar verhalen over de slechte behandeling van oude mensen, waaronder het bekende Grimm sprookje van ‘De oude grootvader en het kleinkind’ (nr. 78), waarin de oude grootvader zijn kom heeft laten vallen, zodat die brak, en hij voortaan maar uit een houten bakje moet eten, waarop de kleinzoon hout gaat verzamelen om ook zo’n bakje te maken voor als zijn ouders oud zijn. In de aantekeningen bij dit sprookje van Bolte en Poliva wordt verwezen naar een Klein Russisch sprookje bij Afanasjev, waarin de grootvader naar de ‘dodengroeve’ [= afgrond] wordt gebracht en de kleinzoon om de slee vraagt, om die later voor hetzelfde doel te gebruiken. (II:139) In dit type speelt de handeling zich af tussen drie mensen: een oude grootvader, die gedood moet worden volgens de gewoonte, zijn zoon, die op weg is om hem te doden, en diens zoon, die meegaat en op de een of andere wijze aan zijn vader duidelijk maakt, dat hem later hetzelfde lot te wachten staat, waardoor deze er vanaf ziet zijn oude vader te doden.

Het derde type is een vereenvoudiging van het vorige type: in plaats van de kleinzoon is het iets, wat de oude vader tegen zijn zoon zegt tijdens de tocht naar de moordplek, wat de zoon van zijn plan af brengt. Als voorbeeld geeft Paudler een Aramese sage. In het gebied van de Tiari is een plek, Qarqirjane genaamd, en op die plek is een zeer diepe kloof. De Tiari hebben de gewoonte, dat als iemand oud wordt zijn zoon hem op de rug neemt, naar die plek gaat en hem werpt in die diepe kloof Qarqirjane. Op een keer was iemand met zijn vader op weg naar die plek en halverwege de berg ging hij zitten om te rusten, waarop zijn vader het hoofd schudde en zuchtte. De zoon vroeg, waarom hij zuchtte. En de vader vertelt, dat hij op dezelfde plek bleef staan om te rusten, waarop de zoon beseft, dat ook hij op een dag door zijn zoon de berg op zal worden gedragen en met de vader terug gaat en vanaf die dag hield het gebruik op. Paudler wijst er op, dat hoewel de Tiari en de Qarqirjane echt bestaan het verhaal een verzinsel is. Ook heeft het grote overeenkomst met een versie, die in Macedonië wordt verteld over een plek buiten het dorp, waar zestigjarigen worden geslacht en de zoon, die met zijn vader op zijn schouders naar de plek gaat, waarbij de vader onderweg zegt: ‘Draag me, zoontje, heel ver weg, zodat ook jij langer van het leven kunt genieten als jij oud bent en men jou slacht.’ Hierna volgt hetzelfde gesprek als in de Aramese geschiedenis met hetzelfde effect. Ook een Kirgizische sage hoort hier, waarin een oude man door zijn zoon in een zak naar de begraafplaats wordt gedragen en de vader door verstandig te spreken de zoon en diens jonge gezellen op andere gedachten brengt. In een andere Macedonische versie wordt de vader de berg opgedragen om er te verhongeren en als de zoon rust, spreekt de vader over zijn toenmalige daad. In de Albanese versie brengt de zoon de vader op een heuvel om hem een stoot te geven en hem in het water te storten, maar de vader verzoekt zijn zoon hem niet op die plek te doden, omdat hij hier zelf zijn eigen vader gedood heeft. Van de Griekse versies wordt een voorbeeld gegeven door Bolte en Polivka. Het is een sage over een rots [Zastas] op het eiland Hydra, waar een oude man naar een oude gruwelijke gewoonte in een mand vanaf gestort zal worden en tegen zijn zoon zegt: ‘Bewaar de mand goed, opdat je kinderen hem kunnen gebruiken als jij oud bent’ (II:138: De mand dient alleen voor het dragen). In de andere versies zegt de vader slechts, dat zijn zoon hetzelfde zal overkomen, maar in alle vijf gevallen betreft het neer storten: driemaal in een kloof, eenmaal in een rivier en eenmaal in zee. Het dragen is in een mand, eenmaal in een zak. Twee versies eindigen er mee, dat de zoon tegen de vader zegt: ‘Ga maar weer in de mand, dan breng ik je naar huis.’ Ook in de Kjachische versie wordt er gedragen, op een rots om de vader er vanaf te storten, waarbij de tocht halverwege wordt onderbroken en de vader in plaats van te zuchten, zoals in het verhaal van de Tiari moet lachen, omdat hij op precies dezelfde plek als zijn vader toen met zijn voet was blijven hangen [Het doet denken aan een verhaal wat Terence Hansen in zijn ‘Types of the Folktale in Cuba,’ etc. (L.A. 1957, 116) opneemt als *980B: Vader en zoon ruziën. De zoon sleept de vader de heuvel af naar de rand van het woud en de vader zegt: ‘Tot hier, mijn zoon, en niet verder, want ik sleepte mijn vader niet verder dan hier’ (d.w.z. op die plek doodde de vader zijn vader en omdat de zoon de cyclus niet wil voortzetten, stopt hier het verhaal). Bij hetzelfde type staat ook nog een ander verhaal uit Puerto Rico, waarin de zoon zijn blinde vader op aandringen van zijn vrouw het huis uit schopt, waarna de oude man sterft. Dan trouwt de [klein]zoon en diens vrouw wil hetzelfde, maar hij heeft medelijden met zijn vader en weigert aan de eis van zijn vrouw te voldoen].

Dat het om zogenaamde ‘zwerfsagen’ gaat, kunnen we opmaken uit het Kjachische verhaal van het lachen onderweg, dat ook te vinden is in de gegevens, die Klintberg heeft opgenomen in zijn catalogus van Zweedse sagen als T62: ‘Carrying an old man to family precipice’. Een zoon draagt zijn oude en gammele vader een heuvel op om hem neer te smijten vanaf de familie ravijnrand. Halverwege wordt hij moe en stopt met zijn vader bij een rustrots. De oude man lacht en de zoon vraagt waarom. De vader zegt: ‘Ik rustte hier ook, toen ik mijn vader ging gooien vanaf de familie ravijnrand.’ We moeten dit in verband zien met de andere sagen typen die Klintberg definieert, zoals T61: ‘Family precipice’ (ättestupa). Een steile berg is bekend vroeger een familie ravijnrand (‘ättestupa’) te zijn geweest. Oude en gammele lieden doodden zichzelf door naar beneden te springen op de grond of in het water om zo in Walhalla te komen, de verblijfplaats der gevallen strijders. T63: ‘Family club’ (släktklubba). Oude en gammele mensen werden in oude tijden gedood met de familieknuppel. Alle leden van de familie [i.e. gezinsleden] hielden het handvat vast, wanneer ze de persoon op het hoofd sloegen met de knuppel. Enige van die familieknuppels zijn bewaard gebleven. T64: ‘Killing old people among Laplanders’. De Lappen hebben traditionele methodes om hun oude lieden te doden, zoals een ‘snelle aftocht’ (rännskjuts), wanneer iemand in een slee wordt gezet en van een steile helling afgeduwd, een ‘koud bad’ (kallbad), wanneer hij wordt verdronken onder het ijs van een meer, of ‘Kerstvreugde’ (julglädje), wanneer hij wordt gestopt in een holle boom. T65: ‘“He does not want to go to his heavenly father.”’ Een man komt langs enige Lappen, die een gat in het ijs van een meer aan het hakken zijn. Hij ziet een oude man wenen en vraagt de anderen, wat er aan de hand is. Eentje zegt: ‘Hij wil niet naar zijn hemelse vader gaan.’ De passant begrijpt, dat hij aanwezig is bij een ‘koud bad’ (kallbad). En tenslotte T66: ‘Travellers ask for permission to bury person, who is still alive’. Enige reizigers (Zigeuners, Laplanders) vragen een dominee toestemming een lid van hun gezelschap, een oude, seniele vrouw, te mogen begraven op het kerkhof. Als de dominee hoort, dat ze nog niet dood is, weigert hij toestemming te geven. De reizigers doden de vrouw en begraven haar langs de weg.

Dit verhaal over het begraven van hun ‘oude moeder’ wordt ook in Zwitserland over de Zigeuners verteld. Te Runcaglia-Trun (in Raetië) ligt aan de oude dal straat een grote steenplaat, waaronder de Zigeuners ‘ihre Alte’ (d.w.z. hun oude moeder) levend zouden hebben begraven. Volgens de sage dansten de rouwdragers op de steen zo lang en zo enthousiast, dat daarvan het spoor van een schoen hak thans nog te zien is. Te Surava kent men een steen, de ‘crap schiangier (Schinderstein = vilder steen)’ genaamd. Daar hadden de Zigeuners hun keuken. Daarvan is de steen nog heden geheel roetig. Hier zouden de vaganten eveneens ‘ihre Alte’, die niet wilde sterven, levend begraven hebben. (Caminada 1962, 115) Ook in onze contreien zijn dergelijke verhalen genoteerd. Een geval speelt in Booischot (Boisschot) bij Heist-op-den-Berg in Antwerpen. Daar werd een oude vrouw in een put begraven met een fles water, een broodje en een mes. Een van de troep zei: ‘Goede reis, oudste moeder, in de jongste dag zullen we weer bijeen komen.’ Niet duidelijk is wie met die ‘troep’ bedoeld zijn. Het verhaal komt van Van der Laan (‘Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams België’, 1949, 486f), die wijst op de oude Scandinaviërs, bij wie grijsaards, die de dood niet vrijwillig zochten, levend in een graf werden gezet, een gebruik, dat ook voorkwam bij de Wenden, Zigeuners en in N. Duitsland. Doodzieken en stervenden werden gedood, zo ook bij de Germaanse stam der Heruler aan de Donau. Bij hongersnood werden op IJsland alle ouden, zwakken en gebrekkigen aan hun lot over gelaten. Het levend begraven wordt ook gezegd van de ‘Hussen’, de vrouwkes van de Alvermannekes in de buurt van Leuven, Lubbeek, Waanrode; rondom Diest heet ook de Alverman zelf een ‘Hus’. Te Aarschot worden ze ‘Heihussen’ genoemd. Hier wonen ze in de Dorenberg; ze werkten niet, doch leefden van roof en diefstal. Wie te oud werd, begroeven ze levend; men gaf ze een fles bier mee. Elders vertelt men van de ‘alvermannekes’ of kabouters in de buurt van Leuven: ze woonden in de Alverberg aldaar. Als ze 80 jaar werden, werden ze levend begraven met een broodje van vijf stuivers; men zei: ‘Vertrek, oud moederke, ge zult in uwe jonkheid wederkeren’ [Laan 1949, 157, die wijst op de overeenkomst met Zigeuners, die veel met de kabouters gemeen hebben. De ouden, die niet verder mee konden, werden onder water gedompeld en verdronken. In Sleeswijk-Holstein is zelfs het rijmpje bewaard, dat er bij opgezegd werd: ‘Duik onder, duik onder, / De wereld is je gram, / Je kunt niet langer leven, / Je scheidt er nu van’ (ID, 486: ‘Duuk ünner, duuk ünner, de Welt is di gramm’)]. Een Duitse versie wordt gegeven door Leander Petzoldt. In de omgeving van Unterbach (Wallis, Zwitserland) wonen dwergen. Eens kwamen zij naar een boer en vroegen om een schop. De boer leende hen een schop, wilde weten, wat ze er mee gingen doen en zag dat ze een groot gat groeven en een oud moedertje er in legden, dat vreselijk jammerde: ‘Laat me rächen (lopen), ich kann noch grächen (kruipen?)!’ Maar de dwergen waren onverbiddelijk, legden een kruik met wijn en een brood bij haar en dekten de kuil weer toe. (http://www.sagen.at/texte/sagen/schweiz/wallis/altentoetungderzwerge.html) In een sage uit Duitsland waren het uiteraard de heidense Sorbische Wenden uit Lausitz, die de schandelijke en wrede gewoonte hadden om zich te ontdoen van hun oude lieden, die niet langer in staat waren bij te dragen. Een zoon sloeg zijn vader dood, wanneer hij oud en niet meer in staat tot werken was, of hij smeet hem in het water, of hij duwde hem van een hoge rots af. Er zijn vele voorbeelden van, zelfs na de komst van het Christendom. Bijvoorbeeld, Herr Levin van Schulenburg, een hoge beambte in Altmark, reisde onder de Wenden in ca. 1580, toen hij een oude man zag worden weg gevoerd door een stel lieden. ‘Waar gaan jullie heen met de oude man?’ vroeg hij en kreeg het antwoord: ‘Naar God!’ Ze gingen hem offeren aan God, omdat hij niet langer in staat was zijn eigen onderhoud te verdienen. Toen de beambte begreep, wat er aan de hand was, dwong hij hen de oude man aan hem te overhandigen. Hij nam hem mee naar huis en nam hem in dienst als een poortwachter, een positie, die hij nog twintig jaar bekleedde. Een oude man uit Steinfurt had het verhaal, dat daar in oude tijden heidenen leefden, waarvan nog steeds wordt verteld, dat ze oude mensen van boven de zestig dood maakten. Ze hakten ze in kleine stukjes, die in grote potten werden gestopt. Dan werd in iedere pot een lampje gezet. Ze begroeven ze in de grond. Thans worden nog regelmatig van die potten opgegraven (https://www.pitt.edu/~dash/type0981.html#wendish) [Dit verhaal vertoont grote overeenkomst met dat van de dood van Virgil de tovenaar, die in stukjes werd gehakt met een lamp er  bij, zie https://books.google.nl/books?id=Qnfxnp_zQ3sC&pg=PA415&lpg=PA415&dq=death+of+virgil+the+sorcerer&source=bl&ots=0NeD0TEp5w&sig=a02bWBIe12RL9AlhIyGbKlZNvBE&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjpw4PYvsnZAhVJY1AKHXZ9BckQ6AEIajAM#v=onepage&q=death%20of%20virgil%20the%20sorcerer&f=false].

De door Klintberg genoemde familieknuppels worden ook gemeld in de studie van Raimund Pousset, ‘Senizid und Altentötung’ (https://books.google.nl/books?isbn=3658208783), 2018, §2.4.1. Er bestaan knuppels, waarmee oude mensen werden dood geslagen in Noord Duitsland, Scandinavië, Sardinië, Engeland en Bretagne. De oude Romeinse retoricus Aelianus berichtte, dat op Sardinië onwaardige gebrekkige oude lieden met knuppels werden dood geslagen. Knuppels hingen tot in de 19e eeuw aan stadspoorten van o.a. Wenen, Waldenburg, Neurenberg, etc. of werden als familieknuppel aan hoven en in kerken bewaard. In Osnabrück hing naast de knuppel een bordje met de tekst: ‘De siner Kindern gift das Brout / und lüd sülens naut, / den sallne slaun mit der Kusen daut!’ (Wie zijn kinderen geeft het brood en lijdt zelve nood, die zal men slaan met de knuppel dood). Uit Wit Rusland is een verhaal, dat zich afgespeeld zou hebben rond 1735, waarin een grootvader op de knieën voor zijn zoon, een knuppel in de hand, succesvol om zijn leven smeekte [waarschijnlijk doordat de kleinzoon de vader om de knuppel vroeg om hem te bewaren voor later als de vader aan de beurt is]. In Zweden bewaarde men tot in de 16e eeuw in kerken ‘ättaklubbor’ (familieknuppels), waarmee oude mensen door hun verwanten in een feestelijk ritueel zouden zijn gedood (2018:19f).

Het doden van oude mensen wordt ook besproken in de ‘Noordeuropese Mysteriën’ van de omstreden F. E. Farwerck (https://nl.wikipedia.org/wiki/Frans_Eduard_Farwerck). De knots diende o.a. om onder bepaalde omstandigheden mensen mee te doden met als grondgedachte, dat ze daarmee aan Wodan gewijd werden, waardoor zij Walhalla zouden beërven. Veelvuldig komt voor, dat ouden van dagen worden gedood – op hun eigen verzoek, om zodoende niet de strodood te ondergaan en toch in Walhalla te komen – met een hamer of een knots, die nog lang in Engelse en Duitse Christelijke kerken werden bewaard. (1978:172) Farwerck wijst op afbeeldingen aangebracht in het portaal van de kerk van Grossenlinden, waarvan een tweetal blijkbaar voorstellingen zijn van het ritueel doden van ouden van dagen [Waarschijnlijk worden hiermee dezelfde twee afbeeldingen als op de kaart van Hanns Rüst bedoeld. In kerken werden nogal eens de uiteinden der aarde met vreemde gewoonten uitgebeeld]. Hij wijst op een artikel van Gunnar Grandberg (‘Slaktklubben in Budkaulen’, Helsingfors 1934), die de thans nog bestaande volksoverleveringen verzameld heeft, die zeggen, dat men vroeger ouden van dagen, als ze niet meer konden horen en zien, met knotsen – die nog in de Zweedse kerken bewaard worden – in het openbaar dood geslagen had. Dit zou gezamenlijk door de familieleden en jongemannenbonden zijn geschied. De daders werden daarbij vermoedelijk gezien als representanten van Wodan (= Odin) (1978:397f) [Slaktklubben = slachtknuppel]. Een aanwijzing uit Engeland heeft hij opgeduikeld uit ‘Anecdotes and Traditions, derived from ms-sources’: “The holy mawle which they fancy hung behind the churchdoor, which when the father was seventy, the son might fetch to knock on the head, as effete and of no more use.” Dat de knotsen later in de christelijke kerken werden opgehangen, wijst volgens Farwerck in de richting van een herinnering aan religieuze handelingen. Dan wijst hij er op, dat eenzelfde gebruik bestond bij andere oude volken en verwijst naar Porphyrius (‘Over de onthouding’, IV, 21), die schrijft over de Massageten en de Baktriërs, Origines (‘Stromata’, V, 27) over de Skythen; en de Romeinen stortten zestigjarigen van de Tiberbrug. Hij ziet een restant van het gebruik in aan de stadspoorten in Silezië en Saksen opgehangen knotsen, soms met het versje: ‘Wie aan zijn kinderen geeft zijn brood / en daarbij zelf lijdt nood / die sla men met deze knots dood’ (naar Simrock, ‘Handbuch’, 238). Er is ook nog een andere methode, waarop grijsaards zich aan Wodan ‘gaven’. In de Gautreksaga wordt verteld, dat de bewoners in een afgelegen streek van West Gotland, als zij het leven moede werden, zich van een hoge rots afstortten. Zo nam Skapnartung zijn knecht met zich in de dood mede, als loon voor diens trouwe diensten, want Wodan liet alleen knechten toe, die in het gevolg van hun heer kwamen. Nadat hij zijn bezittingen verdeeld had, beklom hij met zijn vrouw en de knecht een hoge rots en zij stortten zich ‘verheugd en vrolijk’ omlaag. Er waren dus verschillende manieren om een einde aan het leven te maken voor diegenen, die niet gesneuveld waren en toch in Walhalla wensten te komen(1978:398) [In de vorige aflevering zagen we, dat deze rotsen ‘heilige berg’ werden genoemd. In de Eyrbyggja Saga wordt bericht over Thorolf, een IJslandse boer, die voor zijn god Thor op de landtong Thorsnes [= kaap van Thor] een tempel bouwde: “Op dit schiereiland staat een berg; tot deze berg koesterde Thorolf zo’n grote verering, dat niemand daarheen ongewassen mocht kijken… Deze berg noemde hij ‘Heilige berg’ en hij geloofde, dat hij daarheen zou gaan, wanneer hij stierf, en al zijn verwanten op het schiereiland.” En toen zijn zoon Thorstein verdronk, ging hij met zijn gezellen de berg in, waarin vuren branden en een gelag plaats heeft. (Peuckert, ‘Geheimkulte’, 2003:314f)].

In de vorige aflevering zagen we het verhaal aangestipt door Justin Nobel van de Obasute-yama, ‘Granny-Dump Mountain’, in Japan, waar kinderen hun zeventigjarige ouders heen brengen om er te sterven. Dit is opgenomen in ‘Folktales Told Around the World’, geredigeerd door Richard Dorson, p. 243-5, als ‘The Mountain Where Old People Were Abandoned’, naar Keigo Seki’s ‘Folktales of Japan’ (1963:183-86), type 981. Het was lang geleden; toen werden mensen, die zestig geworden waren en niet meer in staat iets te doen, in een berg ravijn gegooid. Dit stond bekend als ‘zestig ravijn verlating’. Een man ging op bevel van de landheer met zijn zestig geworden vader op zijn rug de berg op en onderweg brak zijn vader tot drie maal toe een tak af en de zoon vroeg of hij voor zichzelf de terugweg markeerde, maar de vader zei het te doen voor hem, waarop de zoon de vriendelijkheid van zijn vader besefte en hem mee terug nam en hem onder het portaal verborg. Hier beveelt de heer op een dag, dat een touw van as moet worden gemaakt. De vader adviseert zijn zoon een strak touw te weven en dat zorgvuldig te verbranden. Hiermee gaat de zoon naar de heer, die weldra met een nieuwe taak komt: een draad door een schelp [een van de taken, die Salomo op kreeg van de koningin van Sheba], wat een mier moet doen met een korrel rijst, waaraan de draad zit. De heer is zeer onder de indruk en de jongen onthult zijn bron, waarop de heer oude mensen wijs vindt en beveelt de ‘zestig ravijn verlating’ te stoppen.

Op de site Senicide staat een link naar Japan, waar de naam ‘Ubasute’ wordt gebruikt voor het ritueel achter laten van oude mensen in de bossen (http://allthatsinteresting.com/ubasute), een blog van Krissy Howard (2016/17), volgens wie het woord Ubasute ‘achter laten van een oude vrouw’ [Pousset, 20: ‘De tante/oude vrouw/oma weg gooien’] betekent en gedaan zou zijn in tijden van hongersnood, iets wat door velen ontkend wordt ooit gebeurd te zijn. De zoon gaat met zijn oude moeder op de rug een berg op en onderweg gooit ze twijgen van nabij staande bomen op de grond, zodat haar zoon de weg terug kan vinden. Het is een ritueel, aldus Howard, waarin de vrouw gewillig participeert, zichzelf opofferend voor het welzijn van de familie. Op de top laat de zoon zijn moeder achter en zij blijft er op de dood wachten. Overigens werden oude mensen niet alleen op bergtoppen achter gelaten, ook in bossen gebeurde dat en berucht is het ‘zelfmoord bos’ van Aokigahara, aan de voet van de berg Fuji (zie http://allthatsinteresting.com/the-creepy-confines-of-japans-suicide-forest). Het verhaal van de vrouw, die de takken strooit, is ook op Wikipedia te vinden (https://en.wikipedia.org/wiki/Ubasute), maar het is duidelijk, dat het verhaal maar half wordt verteld en dat het niet gaat om een ritueel, maar om het verhaal van de wijze oude vrouw en de zoon, die door deze actie bekeerd wordt en zijn moeder weer mee terug naar huis brengt. Het is per slot een boeddhistische fabel. Ook Angryelf (https://hubpages.com/education/Ubasute-A-Dark-Page-in-Japanese-History) is er van overtuigd, dat het strooien van de oude vrouw een ritueel is: de vrouwen doen het kennelijk allemaal, opdat hun zonen de weg terug weten. Hetzelfde geldt voor https://oacp.org.uk/features/faith-hope-and-charity (beiden zonder referenties, maar gebaseerd op Wiki lijkt me).

Noriko Reider, in ‘Seven Demon Stories from Medieval Japan’, p.163, merkt op, dat volgens zowel Yanagita als Mihara ‘Ubasute-yama’ een volksverhaal in complete vorm is, dat behoort tot het verhaaltype ‘Slimheid aan het Werk’. Er zijn vier typen ‘Ubasute-yama’ verhalen. Het eerste type betreft een trio van grootvader, die in een ‘mokko’ (touwmand) door zijn zoon de berg op wordt gedragen om te worden achter gelaten, en de kleinzoon, die mee gaat en op de plek van verlating zegt, dat hij de ‘moko’ mee wil terug nemen om de volgende keer te gebruiken, waarop de vader tot inkeer komt en de grootvader mee terug neemt. In het tweede type heeft een heer het verlaten van oude mensen tot een wet gemaakt, maar één man verstopt zijn vader in de kelder. Op een dag dreigt de koning van een naburig land het land binnen te vallen, tenzij de heer enige moeilijke vragen weet op te lossen. De heer zit met de handen in het haar en looft een beloning uit voor wie een oplossing weet. De man vertelt het zijn verstopte vader, die de problemen oplost, en wanneer de heer de wijsheid van de oude man hoort, schaft hij het edict af. Het derde type is het afbreken van takken om de weg te markeren voor de zoon, waarop deze zo geraakt is, dat hij zijn ouder mee terug neemt. Het vierde type, het verkrijgen van rijkdom van de verlaten oude vrouw met behulp van een oni [berggeest] hoort niet meer bij ons thema in zoverre, dat ze natuurlijk wel achter gelaten wordt om op de berg te sterven.

Het thema van de oude man, die het koninkrijk redt, is al te vinden in de sage van Ahikar. Hier zijn het niet alle oude mannen, die gedood zullen worden; alleen Ahikar is die wijze oude, die gedood moet worden. Ahiqar is de vizier van Esarhaddon, de koning van Assyrië, die in ongenade valt door lasterpraatjes van zijn neef Nadin, die hij als zoon had geadopteerd. De koning veroordeelt Ahiqar ter dood, maar de man, die het bevel moet uitvoeren is een goede vriend van Ahiqar en verbergt hem in zijn eigen huis of in een geheime ondergrondse kamer onder het huis van Ahiqar en voorziet hem van eten en drinken. Dan zendt de Farao van Egypte een brief aan de Assyrische koning, waarin hij hem uitdaagt met een onmogelijke taak: het bouwen van een kasteel in de lucht, tussen hemel en aarde. De Assyrische vorst wordt verzocht een wijs man te sturen, die in staat is zo’n bouwwerk te construeren en al de andere raadsels op te lossen, die de Farao hem zal voorleggen. Anders zal Assyrië tribuut moeten betalen aan Egypte. De Mesopotamische koning overlegt met zijn beambten, maar zij blijken niet in staat het probleem op te lossen; alleen Ahiqar was in het verleden degene, die zulke vragen beantwoordde dankzij zijn grote wijsheid. De koning beseft dan de waarde van Ahiqar voor het koninkrijk en betreurt het verlies van zijn wijze vizier en zou willen, dat hij hem terug had. Dan komt de vriend van Ahiqar en bekent de wijze in leven te hebben gehouden. Ahiqar wordt meteen uit zijn schuilplaats gehaald en in zijn vorige positie hersteld, waarna hij naar Egypte reist, waar hij op listige wijze het probleem van het luchtkasteel als ook de andere raadsels afhandelt. In triomf keert hij terug naar Assyrië met de tribuut en geschenken van de Farao. De Assyrische vorst overlaadt hem met eerbewijzen en overhandigt hem de verraderlijke Nadin om hem streng te straffen voor zijn ondankbaarheid (Konstantakis, 465f) [Zie de minder goede samenvatting (bij narrative) op https://en.wikipedia.org/wiki/Story_of_Ahikar, waarin nog geen gebruik is gemaakt van dit artikel, wel van een eerder artikel van Konstantakos. Wel goed is http://www.earlyjewishwritings.com/ahiqar.html, waar het detail te vinden is, dat de vriend een slaaf doodt in plaats van Ahiqar en dat het nieuws van Ahiqars dood tot de Farao door drong, waarop deze zijn brief stuurt. Ook is de koning van Assyrië hier Sennacherib – ook op: https://archive.org/stream/TheStoryOfAhikar/Ahikar_djvu.txt. Het Ahikar verhaal is bij Thompson opgenomen als 922A: Vals beschuldigde minister herinstalleert zichzelf door zijn slimheid, waarbij wordt verwezen naar 981].

Ook in twee andere oude voorbeelden van Konstantakos gaat het om het redden van het koninkrijk, dit maal wel in combinatie met een algemene senicide. In een oude Chinese vertaling uit 472 AD van een verloren Sanskriet origineel, genaamd Tsa pao tsang ching ‘Het voorraadhuis van allerlei waarde volheden’, zijn twee versies van ATU 981 te vinden. De eerste is gesitueerd een lange tijd geleden in het Koninkrijk van Wegwerp Oude Mensen, waar het de gewoonte was oude mensen te verjagen. Een van de grote ministers had een oude vader, aan wie hij zeer gehecht was, groef een kuil in de grond, verborg zijn vader daar en voorzag hem van eten, wanneer hij daar toe gelegenheid had. Toen kwam een hemelse geest het paleis van de lokale vorst binnen gevlogen en stelde de monarch een lange lijst vragen en als hij, die goed beantwoordde, zou zijn rijk vrede genieten, zo niet dan zou binnen zeven dagen het rijk in chaos worden gestort en de koning zelf ten onder gaan. Sommige van de vragen van de geest zijn lastige raadsels of onmogelijke taken, van het soort gebruikelijk in volksverhalen over scherpzinnigheid, zoals het onderscheid maken tussen het mannetje en het vrouwtje bij twee identieke slangen, of de moeder en de dochter bij twee identieke merries; het gewicht van een witte olifant meten; en te bepalen, wat het bovendeel en onderste deel is van een perfect rechthoekig stuk sandelhout. In alle gevallen verzamelt de koning zijn ministers en beraadslaagt met hen over de problemen, maar heeft geen weet antwoorden, waarop de koning een proclamatie laat uitgaan en een beloning in het vooruitzicht stelt. De grote minister keert huiswaarts en consulteert zijn vader, die meteen de juiste oplossing aandraagt. Op het laatst is het hemelse wezen zeer blij en overdekt de koning met goud en zegent het land met eeuwige beveiliging tegen vijanden. De koning wil van de grote minister weten, hoe hij al die dingen wist en deze vertelt, na garantie van immuniteit, over zijn verborgen vader, waarop de wet van het verjagen van oude mensen wordt afgeschaft en de wijze oude man benoemt tot leraar van de koning. De tweede versie speelt zich af in de Indiase stad Varanasi (i.e. Benares), waar tijdens een hongersnood een arme man zijn ouders levend begroef, omdat anders het voedsel niet toereikend was voor zijn talrijke kinderen. De rest van de inwoners volgde zijn voorbeeld, wat een wet werd voor het hele koninkrijk. Eén man echter wilde zijn vader dit lot besparen en maakte een ondergrondse kamer en installeerde hem daar, zodat iedereen dacht, dat hij de regel van het levend begraven had gevolgd. Ook hier komt een genie en stelt vier raadsels aan de koning, die zeven dagen bedenktijd krijgt, anders wordt zijn hoofd verbrijzeld [De genie had waarschijnlijk een grote knots (zoals de genie in Gallands ‘Prins Ahmed en Pari Banu’)]. Uiteraard is de verborgen man de enige, die de raadsels kan oplossen en wordt de koning gered, die uit dank de wet van het levend begraven schrapt (Konstantakos, 463f). Het verhaal van de onoverwinnelijke vijand is ook in Nederland te vinden: een koning beveelt tijdens een hongersnood alle oude mensen te doden en hun vlees aan de soldaten te eten te geven. De legeraanvoerder verbergt zijn vader en geeft de soldaten varkensvlees. Een onoverwinnelijke vijand valt het land binnen. Niemand weet raad, maar de legeraanvoerder biedt de koning aan iemand te halen, die helpen kan. De koning accepteert en belooft bij succes een onderkoningschap. De aanvoerder haalt zijn vader uit zijn schuilplaats en die leert de koning zo veel krijgskunst, dat de vijand verslagen kan worden. (Jurjen van der Kooi, ‘Volksverhalen in Friesland’, 1984:397)

Het redden van het koninkrijk is ook onderdeel van een verhaal in de Middeleeuwse ‘Dolopathos’ (zie Duits: https://de.wikipedia.org/wiki/Dolopathos; Engels: https://en.wikipedia.org/wiki/Seven_Wise_Masters), dat verteld wordt door William Hansen. Een van de vroege koningen van Rome sterft en laat het koninkrijk na aan zijn jonge zoon. Het land gaat door een periode van onrust en rebellie en de stad wordt langdurig door haar vijanden belegert. Tijdens het beleg is iedereen hongerig en bang en de jonge koning wordt door zijn prinsen, die zijn gelijke in leeftijd en wijsheid zijn, overgehaald te decreteren, dat alle oude mannen en vrouwen ter dood moeten worden gebracht, omdat iedereen die dagelijks voedsel at zonder de stad te verdedigen met wapens noch voedsel te produceren door handarbeid onwaardig was te leven; bovendien zou iedereen, die zijn ouders zou sparen ter dood veroordeeld worden. En dus doodden de Romeinse zonen hun ouders, op één na, die met zijn vrouw samenspande om zijn wijze oude vader te sparen en hem onder de grond verborg. Weldra keerde de vrede terug, maar op den duur raakte het land meer en meer bestuurd op een arbitraire en onrechtvaardige wijze vanwege de afwezigheid van wijze en ter zake kundige mensen in de raad van de jonge koning. De jongeman nu, die zijn vader had gered, was een edelman aan het hof en hij bracht aan zijn vader verslag uit van alle zaken die in het hof aan de orde kwamen en zijn vader verschafte hem altijd oplossingen, die de zoon terug bracht naar het hof. Deze gestage stroom van goed advies bezorgde de jongeman een hoge plaats in de gunst van de koning en de afgunst van de andere edelen. Vermoedend, dat de vader van de man nog steeds in leven was, maar niet het lef hebbend er veel over te zeggen, hoopten ze het duo te ontmaskeren. Dus ze stelden de koning voor een bal te houden voor zijn prinsen, waarbij iedere man zijn beste vriend mee moest brengen, zijn ergste vijand, zijn beste nar en zijn trouwste dienaar. De jonge edelman rapporteerde dit aan zijn vader, die vroeg of iemand jaloers op hem was, waarop de zoon antwoordde ,dat al zijn makkers hem benijdden. Toen had de vader door, dat de opdracht een val was om zijn zoon er toe te verleiden zijn vader te brengen als zijn beste vriend, waarna hij kon worden aangeklaagd voor het ontduiken van het decreet van de koning. Hij zei zijn zoon als laatste zich te presenteren aan de koning en zijn hond, zijn ezel, zijn vrouw en zijn zoontje mee te nemen en hij instrueerde hem, wat hij moest zeggen bij ieder van hen. Toen de zoon naar het bal ging, balkte zijn ezel bij het geluid van de muzikanten. Hoewel zijn vijanden hem beschuldigden bij de koning, wilde deze weten, wat ieder ding voorstelde. De man antwoordde, dat de hond zijn beste vriend voorstelde, aangezien zijn hond hem vergezelde, waarheen hij ook ging, bij hem bleef in ieder gevaar en nooit blij was zonder hem of droef in zijn gezelschap. De ezel, zei hij, bracht hij als zijn beste dienaar, en hij somde de klussen op, die de ezel gewillig volbracht voor een magere beloning. Zijn zoontje stelde hij voor als zijn beste nar en zijn vrouw presenteerde hij als zijn ergste vijand. Zijn vrouw was boos, dat ze zo werd bestempeld en schreeuwde daarop tegen hem voor zijn ondankbaarheid, aangezien zij zo veel medeleven had getoond met zijn vader, die hij niet had geëxecuteerd, maar verborgen had gehouden onder de grond. Toen wees de jongeman de koning er op hoe waar zijn karakterisering was geweest, aangezien als resultaat van slechts één woord zijn vrouw zijn geheim had onthuld en daarmee hem ter dood had veroordeeld. De koning stond versteld van de slimheid van de jongeman en beval hem zijn vader te gaan halen. Toen de oude man kwam, benoemde de koning hem tot Vader van de Stad en Rechter van het Land en in korte tijd herstelde de wijze man wet en recht in het land.

Het ingeweven sprookje is ATU 921B: ‘Best Friend, Worst Enemy’ (zie Hansen, p. 51), waarin de taak is het brengen van de beste vriend, de ergste vijand, de beste dienaar en de grootste pleziergever, waarop respectievelijk hond, vrouw, ezel en zoontje worden gebracht. Hansen heeft een voorbeeld van nog een combinatie van ons thema met dit thema, helemaal uit Mexico, waar de koning decreteerde, dat alle oude mensen dood geschoten moesten worden en één zoon zijn oude vader onder de grond verborg en dagelijks te eten bracht. Hier is het een financier, die de jongeman wil testen, alvorens hem een lening te geven, en hem opdraagt zijn vriend en vijand te brengen. De vader zegt de jongen zijn hond en zijn vrouw mee te nemen, hen allebei een klap te geven in het bijzijn van de financier en dan zijn hond te roepen. De jongen deed aldus en zijn hond kwam meteen naar hem toe, maar toen hij zijn vrouw riep, zei zij tegen de man geen geld te lenen aan haar man, aangezien hij zijn vader onder de grond had verborgen. De financier was tevreden hier mee, gaf de jongeman de lening om aan zijn vader te geven, onthulde, dat er een plan was om de koning af te zetten en vroeg de jongeman om gouverneur te worden. En zodra de koning was afgezet, werd de zoon gouverneur en het bevel om oude mensen te doden werd ingetrokken.

We zagen bij Paudler, dat de Bulgaarse varianten bij hem flink vertegenwoordigd zijn. Dit blijkt ook uit de ‘Typenverzeignis der bulgarischen Volksmärchen’ van Daskalova e.a. (Helsinki 1995, 225f), waarin 18 versies zijn opgenomen en zeer krap samengevat. Volgens de toenmalige gewoonte of op bevel van de koning worden de oude mensen gedood. Eén zoon doodt zijn vader niet, maar verstopt hem. Het koninkrijk geraakt in een crisis, of de koning beproeft de wijsheid van de jongelui. Een juist oplossing vindt slechts de zoon, die zijn vader heeft verstopt. De koning ervaart, wie zijn raadgever is en beveelt, dat niemand meer de oude mensen doodt. Dit komt overeen met een Griekse versie van het sprookje te vinden in de blog van Nikolaos Kokkas, genaamd ‘Tradition vs. change in the orality of the Pomaks in Western Thrace – The role of folklore in determining the Pomak identity’ (http://pomakohoria.blogspot.nl/2010/09/tradition-vs-change-in-orality-of.html). Het verhaal wordt gepresenteerd als een voorbeeld, dat het respect dat de Pomaks aan de ouderen tonen van essentieel belang is. Volgens een relevant verhaal beveelt een padisâh (koning) het volk alle oude mensen te doden. Eén man verstopt zijn vader. Op een dag beveelt de padisâh zijn volk om een touw van zand te maken. Niemand kan zich voorstellen, hoe dit moet worden gedaan. De zoon vraagt zijn oude vader en volgt diens advies op. Hij gaat naar de koning en zegt, dat het touw van zand klaar zal zijn, als de koning hem muilezel melk geeft. De koning begrijpt zijn vergissing [d.w.z. nadat de zoon verteld heeft, dat hij het advies heeft van zijn vader] en ziet in hoe wijs oude mensen zijn (Noot: AaTh 981, cf. AaTh 1174A [= ‘Making a Rope of Sand’]. Het verhaal werd verteld op 20 april 2005 in een café in Xanthi door een zestigjarige Pomak uit Kalótyho (Ugurlú), een dorp op een paar honderd meter van de Bulgaars Griekse grens. Een Walach versie van het verhaal is te vinden bij M. Papageorgiou (1984, nr. 45.) We zagen boven in Japan het touw van as, het touw van zand komt bij Paudler voor in de groep Bulgaarse en Servokroatische versies (15, 17, 20, 22; 23: ketting van zand).

In de ‘Types of Indic Oral Tales’ van Thompson en Roberts (Helsinki 1960, 123) zijn twee verhaaltypen dooreen gemengd. In het ene geval, gebaseerd op twee versies, is een oude man verdreven of verstopt en nodig voor zijn advies en hij lost de vraag, die de koning stelt op. In het tweede geval, met drie versies, mag een jongen van zijn a.s. schoonvader geen oude mannen mee brengen naar de bruiloft met zijn dochter. Deze verstopt een oude man in een trommel en deze adviseert hen [i.e. de jongeman en zijn vrienden] hoe de taak te verrichten – het eten van onmogelijk grote hoeveelheden –, die de schoonvader hen oplegt.

Tot slot, in de ‘Mongolische Märchentypen’ van Lásló Lőrincz (Wiesbaden 1979, 308) is een samenvatting van drie versies opgenomen. Het type (ATU 981) wordt genoemd: ‘De geheimzinnige man redt het koninkrijk’ en begint met ‘De verhinderde doding van de oude man’. 1) De jongen verstopt zijn vader: volgens een wrede wet van de Khan moeten de oude mannen gedood worden. De jongen heeft medelijden met zijn oude vader en verstopt hem. 2) De hulp van de verstopte oude man: de adviezen van de vader opvolgend lost de jongen zeer moeilijke opgaven op: a) hij verwerft het zich in het meer weerspiegelende, maar in werkelijkheid op de berg liggende goudvat, b) tijdens een droogte vindt hij water, tijdens de regen haalt hij vuur, de khan geeft raadsels op, die zijn onderdanen niet kunnen oplossen, de jongen kan ze tenslotte naar de adviezen van zijn vader oplossen, een grote droogte plaagt het land, maar de akkers van de jongen zijn als gevolg van de van de vader geleerde wijsheid niet verzengd. 3) De opheffing van de wet: de khan ziet zijn vergissing in en heft de wrede wet op.

Het verhaal van de jongeman, die het goudvat vindt, dat op een berg ligt, maar waarvan de weerspiegeling in het water te zien is, is een echte ‘Schildbürgergeschichte’: het is als de vos, die denkt een kaas in het water te zien drijven [ATU 34], iets wat ook van mensen wordt verteld [ATU 1336]. Het is waarom Mechelaars ‘Maanblussers’ worden genoemd: omdat ze dachten, dat de toren in brand stond [AT 1335*]. Schildbürger (https://de.wikipedia.org/wiki/Schildb%C3%BCrger) worden door Thompson met de veel neutralere term ‘Numskulls’ (domkoppen) aangeduid, maar daarmee gaat verloren, dat een hele gemeenschap gedacht wordt uit domkoppen te bestaan, zoals in Schildbürg. Paudler wijst hier op bij de bespreking van de Aramese vertelling over de Tiari; deze zijn in de verzameling, waaruit de vertelling stamt min of meer de Schildbürger. Het onmiddellijk aan onze versie vooraf gaande verhaaltje vertelt over de Tiari en ook over dezelfde Qarqirjane het Schildbürger verhaaltje van het uitmeten van de brondiepte. Dit is waarschijnlijk een variant van ATU 1250: ‘Bringing Water from the Well’, waarbij een man zich vast houdt aan een over de put gelegde balk, waarna een ander naar beneden klimt en zich vast houdt aan zijn voeten, enzovoort. De bovenste wordt moe en laat los om in zijn handen te spugen. Een voorbeeld van een Schildbürger verhaal lijkt me, dat van de Nemsi, bij wie het brood was vervangen door een broodschop, waarop wordt geslagen met een ram of heiblok. Terug redenerend is ook het dood slaan met een bijl van iemand met een brood op zijn hoofd en dan het brood de schuld geven in dit kader te zien evenals het vilt pakje in de nek. Ook het Chinese ‘Koninkrijk van Wegwerp Oude Mensen’ is een komisch aandoende benaming, die wijst op een humoristische achtergrond.

Ik vond ook nog een aanvulling voor deel 1 in een artikel van Georg Elwert over ‘Alter im interkulturellen Vergleich’ (in: ‘Alter und Altern: ein interdisziplinärer Studientext zur Gerontologie’, geredigeerd door Paul B. Baltes, Jürgen Mittelstraß, Ursula M. Staudinger, p. 270). Bij de Tsjoektsjen (https://nl.wikipedia.org/wiki/Tsjoektsjen) verschijnt het doden van gebrekkigen en zieken op verlangen of met toestemming als hoog georganiseerde maatschappelijke institutie. De Windt (1899) schildert het aldaar ‘kamitok’ genoemde ritueel: in een familieraad wordt besloten of en wanneer een bepaalde oude persoon gedood wordt en hoe het dodingsfeest moet plaatsvinden. Dit feest vindt plaats onder deelname van het doods offer en wordt door deze kennelijk als uitverkiezing begrepen. Over de eveneens in Siberië wonende Jakoeten (https://nl.wikipedia.org/wiki/Jakoeten) bestaan vergelijkbare berichten. Het boek van De Windt, ‘From Paris to New York by Land’, uit 1903 is opgenomen bij Google books: https://books.google.nl/books?isbn=384571204X. Zie ook: https://www.lookandlearn.com/history-images/U187380/The-Kamitok-at-Oumwaidjik-on-the-Behring-Straits-strangling-the-aged?t=2&q=strangling&n=5 met een afbeelding van het wurgen uit 1897 (lezen met translator: https://sl.wikipedia.org/wiki/%C4%8Cuk%C4%8Di, waarbij ‘kamikaze’ de vertaling is voor ‘kamitok’; hij ‘niest’, moet natuurlijk zijn: hij wurgt.)
Over de praktijk van senicide bij de Oostslaven is een interessant artikel van Nataliya Korotkykh te lezen op https://medienportal.univie.ac.at/uniview/forschung/detailansicht/artikel/meine-forschung-senizid-in-der-geschichte-der-ostslawen.

Ook kwam ik een andere oude verklaring van de sardonische lach tegen in de mythe van Talos (zie http://www.maicar.com/GML/Talos1.html). De Suda (https://nl.wikipedia.org/wiki/Suda) vertelt, dat Talos [de bronzen man], die gemaakt was door Hephaestus, in het bezit was van de Sardiniërs, en dat, toen zij weigerden de bronzen man te overhandigen aan Minos, Talos in een vuur sprong, hen aan zijn borst klampte en hen doodde met hun monden open. Hier vandaan komt aldus de Suda de uitdrukking ‘sardonische lach’, die te zien is bij hen, die lachen om hun eigen of andermans problemen. De kwestie wordt behandeld in een artikel, genaamd ‘Talos, de bronzen automaat tegen de Sardijnen: de oudste banden tussen Kreta en Sardinië’ van Paola Ruggeri (https://www.academia.edu/31565243/Talos_l_automa_bronzeo_contro_i_Sardi_le_relazioni_pi%C3%B9_antiche_tra_Creta_e_la_Sardegna). […] Het lijkt me een gezochte verklaring voor de sardonische lach, die bovendien dubbelop is: lachen de Sardijnen, omdat ze verhit worden en daardoor hun mond open hebben, of lachen ze om hun eigen problemen? Ook lijkt me de associatie met de Carthaagse Moloch mee te spelen. Overigens wordt nog een andere verklaring gegeven op de site http://www.explorecrete.com/mythology/talos.html, waar gezegd wordt, dat er traditie is, dat zekere Sardoniërs (van Sardinië) het vurige einde hadden en hun lichamen werden gevonden met hun monden wijd open in agonie en horror. Volgens de legende brak Talos telkens, wanneer hij de vijanden van Kreta samen kneep of verbrandde uit in lachen. Dit zou de oorzaak kunnen zijn van de uitdrukking ‘sardonische lach’, het smalende plezier van de winnaar, die trots de verliezers bespot.

Het resultaat van ons onderzoek tot nu toe is een negatieve: het verhaal van de senicide bij de Sardiniërs is niet verbonden met de Sardonische lach. Allereerst zagen we dat het verhaal van het drankje, dat de sardonische lach zou geven, los staat van de senicide. Het is ook dubbelop om iemand een drankje te geven om hem een sardonische lach te geven en hem dan van een klif te gooien. Het verhaal over de Sardiniërs werd gekoppeld aan Cronus en aan de Carthagers, maar de aanwezigheid van Carthagers op Sardinië was pas voor het eerst in een tijd ruim na Homerus. Ook offerden de Carthagers volgens het verhaal kinderen en geen oude mensen. Blijft over het drankje, dat de sardonische lach geeft, dat we de volgende keer zullen bekijken.

1 Trackbacks & Pingbacks

  1. Cor Hendriks – De sardonische lach (3): de Sardinische plant | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*