Cor Hendriks – De sardonische lach (1): Senicide op het oude Sardinië?

Het was groot in het nieuws: het mysterie van de sardonische lach was opgelost, zoals ‘The Telegraph’ kopte (zie http://www.telegraph.co.uk/news/science/science-news/5344257/Mystery-of-the-sardonic-grin-solved.html), in 2009. Italiaanse wetenschappers geloven een eeuwen oud medisch raadsel te hebben opgelost, dat de wereld de uitdrukking ‘sardonische grijns’ gaf. De wortel van het woord ‘sardonisch’ ligt in de naam Sardinië, omdat een plant te vinden op dat eiland werd gebruikt in drankjes, die lijken een grimas na de dood gaven. Volgens de botanist Mauro Ballero van de Cagliari Universiteit in Sardinië ondersteunt hun ontdekking, wat vele cultureel antropologen hebben gezegd over de doods rituelen van de oude Sardiniërs. De plant werd in pre Romeinse tijden gebruikt voor het ritueel doden van oude mensen, die een last voor de samenleving waren geworden. ‘Volgens historici werden oude mensen, die zichzelf niet meer konden onderhouden bedwelmd met het kruid en vervolgens gedood door te worden gelazerd van een hoge rots of dood geknuppeld,’ schreef het onderzoeksteam. Er is veel literatuur over. De Griekse dichter Homerus was de eerste, die het woord sardonisch gebruikte, toen hij te weten kwam, dat de Punische lieden, die zich op Sardinië vestigden, aan veroordeelden en oude mensen het grimas veroorzakende drankje gaven. ‘De Puniërs waren ervan overtuigd, dat de dood de start was van nieuw leven, dat met een glimlach moest worden begroet,’ vertelde Dr. Ballero. De plant, die algemeen is op het Middellandse Zee eiland, is bekend als Oenanthe crocata, maar de Sardiniërs noemen hem waterselderij. Hij is in de verte verwant met peentjes en pastinaak, maar uitermate giftig.

Een kleine maand later kopte de ‘National Geographic News’: ‘Eeuwen oude Doodlach drank ontcijferd?’ (https://news.nationalgeographic.com/news/2009/06/090602-smiling-death-potion.html) Duizenden jaren, voordat de Joker strip slachtoffers vergaste in een grijnzende dood, waren de Fenicische kolonisten van het eiland Sardinië bezig met het aanbrengen van gedwongen glimlachen op de gezichten der doden. Nu hebben wetenschappers ontdekt, hoe die eeuwenoude zeevarende handelaren, die gruwelijke glimlachen zo’n 2800 jaar geleden maakten – niet met een gas, zoals Batmans aartsvijand, maar met een drankje gemaakt van een plant. Tegen de 8e eeuw v.C. had Homerus de term ‘sardonische grijns’ gemunt – sardonisch heeft zijn wortels in het woord Sardinië – in geschriften, die refereren aan het ritueel doden op het eiland d.m.v. het grimas makende drankje. Oudere mensen, die niet langer voor zichzelf zorgden en misdadigers ‘werden bedwelmd met het sardonische kruid en dan gedood door hen van een hoge rots te duwen, of door hen dood te slaan,’ volgens de nieuwe studie. Een verslag van dit verslag is te vinden op http://uniqueexplorer.blogspot.nl/2011/12/scientists-reveal-mystery-smiling.html. Zie verder ook https://www.seeker.com/sardonic-grin-has-roots-in-poisonous-herb-1764710191.html, waarop twijfels worden uitgesproken over de ‘Sardinische connectie’.

De tekst van de ‘National Geographic News’ is overgenomen op de site http://www.twcenter.net/forums/showthread.php?267154-Phoenicians-the-Joker-s-style-death-smiling-(Sardonic-grin), waarop ook de bovenstaande afbeelding te zien is van een Fenicisch masker uit de vierde eeuw v.C., gevonden in Tunesië, dat een grijns toont niet ongelijk aan die te zien op slachtoffers van een eeuwen oude Fenicische ‘sardonische grijns’ drank, toegediend op het eiland Sardinië, waarna naar het vorige artikel wordt verwezen en er uit geciteerd. Zie ook http://www.ancient-origins.net/history-ancient-traditions/ancient-method-forced-euthanasia-disturbing-truth-behind-sardonic-grin-021658, waarop meer foto’s van het Fenicische masker.

Het verhaal van deze vondst uit 2009 is ook te vinden op de Wikipedia site Sardonicism (https://en.wikipedia.org/wiki/Sardonicism), waar twee verklaringen voor het ontstaan van het begrip worden gegeven, enerzijds afgeleid van het werkwoord ‘sairo’, grijnzen, anderzijds van het woord Sardinië. Op Sardinië (Σαρδώ) groeide een plant, sardonion (σαρδόνιον), die stuiptrekkingen veroorzaakt, die lijken op lachen, en resulteren in de dood. In ‘Theory and History of Folklore’ bespreekt Vladimir Propp veronderstelde voorbeelden van ritueel lachen gepaard gaand met de dood en doden, allemaal betrekking hebbend op groepen. Deze karakteriseert hij als sardonisch lachen: “Onder het zeer oude volk van Sardinië, die Sardi of Sardoni werden genoemd, was het de gewoonte om oude lieden te doden. Terwijl ze hun oude lieden doodden, lachten de Sardi luid. Dit is de origine van de beruchte sardonische lach (Eugen Fehrle, 1930). In het licht van onze bevindingen beginnen de zaken er anders uit te zien. Lachen begeleidt de passage van dood naar leven; het schept leven en begeleidt de geboorte. Dus lachen bij het doden transformeert dood in een nieuwe geboorte, doet de moord als zodanig te niet en is een daad van vroomheid, die dood transformeert in nieuw leven.”

Propp (https://en.wikipedia.org/wiki/Vladimir_Propp) is mij wel bekend en van het genoemde boek heb ik een Franse vertaling gelezen en omdat er bepaalde dingen instonden, waarmee ik het niet eens was, heb ik me er uitgebreid in verdiept en ben tot de conclusie gekomen, dat de hem toegekende reputatie niet terecht is. Ik stond aanvankelijk dus sceptisch tegenover de bewering en besloot de achtergronden van het citaat na te gaan. Al snel kwam ik er achter ,dat die Eugen Fehrle een berucht Nazi kopstuk was, een hardcore NS ideoloog, een van diegenen, die de Volkskunde een slechte naam hebben bezorgd (zie https://de.wikipedia.org/wiki/Eugen_Fehrle). In 1930 was hij nog geen lid van de partij, maar al vanaf 1926 was hij mede uitgever van het tijdschrift ‘Volk und Rasse’. Het boek, waaruit Propp citeert, is ‘Arbeiten zur Volkskunde und zur deutschen Dichtung: Festgabe für Friedrich Panzer zum 60. Geburtstag am 4. Sept. 1930’. Panzer is ook een vooraanstaande volkskundige (zie https://de.wikipedia.org/wiki/Friedrich_Panzer_(Germanist)). Het boek is voor mij niet toegankelijk, maar de achtergrond bleek achterhaalbaar.

Allereerst stuitte ik op de Odyssee vertaling van William Cowper uit 1820, die in een noot op p. 402 meldt: “De scholiast informeert ons, dat de Sardiërs een barbaarse wet onderling hadden, volgens welke, op de drie dagen die apart waren gezet voor de verering van Saturnus, ze niet alleen de mooiste lui van hun gevangenen offerden, maar ook van hun oude lieden, allen die de leeftijd van 70 te boven gingen. Als deze slachtoffers weenden wanneer ze naar het altaar werden geleid, werden hun tranen als oneerzaam geacht en een bewijs van verachtelijkheid; maar als ze vrolijk de omstanders omhelsden en lachten, werden ze zeer toegejuicht. Vandaar, zegt hij, werd het gelach van een man in ellendige omstandigheden Sardonisch gelach genoemd.”

Meer informatie vond ik in de ‘Collected Works of Erasmus: Adages’, vertaald en geannoteerd door Denis L. Drysdall (Toronto 2005, 59 s.v. ‘Risus Sardonius – Sardonic laugh’). Zenodotus citeert in zijn ‘Verzamelde Spreekwoorden’ Aeschylus, die ruwweg als volgt rapporteerde in zijn werk ‘Over Spreekwoorden’: “Er is een volk, dat het gebied van Sardon, een kolonie van de Carthaginiërs, bewoont; het is hun gewoonte om aan Saturnus oude mannen te offeren, die de leeftijd van zeventig te boven gaan, en te lachen en elkaar te omhelzen, terwijl ze aldus doen. Want ze geloven, dat het ongepast was om jammerklachten te uiten bij een begrafenis of om tranen te plengen. Dit is hoe een nagemaakte lach een sardonische werd genoemd. Volgens dezelfde Zenodotus zegt Timaeus, dat het de gewoonte was van de Sardiniërs voor zonen om ouders, die een hoge leeftijd hadden bereikt op de rand van een afgrond te zetten of van een gat, waarin ze begraven zouden worden, en dan, hen aanvallend met knuppels, hen halsoverkop erin te slaan. Maar de ouders lachten, terwijl ze dit deden, want ze beschouwden dit als een gelukkige en nobele dood omdat hun kinderen, door hen te doden, alle respect voor hen verloren hadden.”

Erasmus geeft ook een epigram te vinden in bepaalde zeer oude commentaren op Hesiodus (Tzetzes, on ‘Works & Days’, 59), waarin het gezegde van de Sardonische lach op tamelijk elegante wijze wordt uitgelegd:

“Er is een zeker eiland genaamd Iberisch Sardinië,
Waar een giftig onkruid groeit.
Het is genaamd Sardinisch, lijkt op de wilde peterselie [i.e. = eppe: σέλινον],
Maar wanneer het wordt gegeten door onvoorzichtige mensen,
Wordt de mond weldra verdraaid en vertoont de gelijkenis van een lach,
Dan slaat de dood onmiddellijk toe,
Met een drogbeeld van een lach. Maar er zijn er ook die zeggen
Dat er een barbaarse stam der Sardiniërs is,
Die hun door ouderdom neergeslagen ouders wegvoeren,
Ze naar rotsige plaatsen brengen en daar dood slaan
Met stenen en met knotsen; deze ellendige lieden
Gooien zij vervolgens neer vanaf steile rotsen.
Terwijl dit plaatsheeft, lachen ze met goddeloze grappen,
En spelen achteloos de oudermoordenaar spelen.
Volgens anderen betekent deze uitdrukking echter,
Dat zij die aldus ter dood worden gebracht lachten, want
Zij slaan de dwaasheid van hun kinderen gade,
En de snelle en stormachtige veranderingen van de wereld.” (Drysdall 2005:64)

Het doden van oude mensen is senicide en op de site https://en.wikipedia.org/wiki/Senicide (waarover verderop meer) is ook een korte referentie opgenomen: ‘Het andere geval van Griekse senicide had plaats op het eiland Sardinië, waar mensenoffers van vaders van zeventig werden gebracht door hun zonen aan de Titaan Cronus.’ Geen referentie wordt gegeven, maar bij Eramus zagen we de vermelding van Saturnus, i.e. Cronus.

Veel gegevens vond ik in het boek van Lada Stevanović, ‘Laughing at the Funeral’ uit 2005 (dat in zijn geheel hier te lezen is: https://books.google.nl/books?isbn=8675870574). Ik begin op p. 12. In een Servisch lied lacht een moeder aan het graf van een zoon. Dit wordt door Čajkanović ‘magische lach’ genoemd, of met een Griekse uitdrukking ‘sardonische lach’ om de herkomst te verklaren. Volgens hem was het een gewoonte op Sardinië, dat kinderen hun oude ouders doden aan de rand van het graf. Die oude mensen lachten op het moment van sterven [Als referentie wordt opgegeven: Timaeus, ‘In Scholia Platonem’, 396 Bekk.]. Hij geeft diverse vergelijkbare voorbeelden van bij de Grieken, Romeinen, Germanen, Slaven, maar de schrijfster herhaalt die niet, dus in hoeverre ze betrekking hebben op het doden van oude mensen is niet duidelijk. Op p. 187f herhaalt ze nog eens: Sardinië: kinderen doodden hun ouders op de rand van het vers gegraven graf, terwijl de ouderen lachten op het moment van sterven [Naast Timaeus als boven ook Antidog. Dem. ‘in Schol. Od.’ XX, 302 cf. Čajkanović 1994, I, 295.].

Volgens Lada werden in Carthago kinderen geofferd aan Chronos. Chronos is eigenlijk ‘Vader Tijd’ (zie http://robscholtemuseum.nl/wp-content/uploads/2018/02/Vader-Tijd-met-het-Rad-van-Fortuin.png), die echter al in de Oudheid met Cronus (Kronos) werd gelijk gesteld. Het is de Carthaagse god Baal Hammon (https://en.wikipedia.org/wiki/Baal_Hammon), die de Grieken met Kronos identificeerden (zie onder Moloch bij https://en.wikipedia.org/wiki/Moloch#Carthaginian_Cronus). Lada meldt, dat volgens Clytarchus [‘in Schol. Plat. Rep.’, 1, 14, 396, Bekk.] de Feniciërs kinderen verbrandden, wat hun leden deed krimpen en hun monden uitrekten tot een op een lach lijkende grimas. En ze verwijst voor het bestaan van vreugde onder de aanwezigen, ook de moeders, naar Plutarchus (Over Bijgeloof, c. 13). Zo ook lachten de Mysirische moeders als hun kinderen voor de krokodillen werden gegooid (Aelianus, ‘De nat. an.’, 10, 21; etc.). Het feit, dat deze lach kunstmatig was veroorzaakt, deed niet af aan de vereiste functie in het ritueel.

Op de genoemde Wiki pagina van de Carthaagse Cronus staat Cleitarchus’ parafrase van een scholium bij Plato’s ‘Republiek’: “Daar staat in hun midden een bronzen beeld van Kronos, zijn handen uitgestrekt over een bronzen brandaltaar, waarvan de vlammen het kind om golven. Wanneer de vlammen op het lichaam aanvallen, trekken de ledematen samen en de open mond lijkt bijna te lachen tot het samengetrokken lichaam stilletjes in de oven rolt. Dit is dus die ‘grijns’ bekend als ‘sardonische lach’, aangezien ze lachend sterven.” Ook Diodorus Siculus (20:14) maakt melding van het bronzen beeld van Cronus met uitgestrekte handen met de palmen naar boven en aflopend naar beneden, zodat ieder van de kinderen, wanneer ze erop werden gelegd, naar beneden rolde in een soort gapend gat gevuld met vuur. En hij vertelt er bij, dat het de verwanten verboden was te huilen. Ook Plutarchus meldt (Sup. 171), dat de moeder er bij stond zonder één traan of klacht, want als ze ook maar één traan vergoot of klacht uitte, dan was ze haar geld kwijt en het kind werd toch geofferd. En het hele gebied voor het standbeeld was gevuld met een luide herrie van fluiten en trommels, zodat de jammerkreten niet de oren van de mensen bereikten (zie https://www.theguardian.com/science/2014/jan/21/carthaginians-sacrificed-own-children-study; alle bronnen zijn te vinden op http://www.roger-pearse.com/weblog/2012/05/31/sacrifices-of-children-at-carthage-the-sources met een uitgebreide toelichting over de archeologische bewijzen).

Lada maakt ook melding, dat een ritueel op Ceos, dat lijkt op dat van Sardinië, wordt beschreven door Strabo. Ik vond dit op http://garycorby.com/blog//2010/03/dead-at-60.html. Strabo schrijft: “Er wordt verteld, dat er eens een wet was bij de Keans – i.e. de bewoners van Keos –, die bevolen schijnt te hebben, dat diegenen, die ouder waren dan zestig dollekervel (ook dolle peterselie, pijpkruid geheten, Eng. hemlock) moesten drinken, opdat er voedsel genoeg was voor de anderen. De wet wordt vermeld door Menander, die schreef: ‘De wet van de Keans is goed, dat hij die niet in staat is om goed te leven niet ellendig hoeft te leven.’” (Geogr. 10:5:6) Op de site ‘Senicide’ wordt gezegd over het eiland Keos in de Aegeïsche Zee, dat, hoewel er verschillende varianten van het verhaal bestaan, de legendarische praktijk kan zijn begonnen toen de Atheners het eiland belegerden. In een poging de voedselvoorraad te behouden stemden de Keians er voor alle lieden boven de zestig zelfmoord te laten plegen door het drinken van dollekervel. Het citaat van Strabo is iets uitgebreider te vinden in een artikel van Pierre Schneider, genaamd: ‘The killing of old and sick individuals in the remote parts of the world: a case study in ancient Greek ethnography (Herodotus and Agatharchides of Cnidus)’ [hier te vinden: https://www.academia.edu/10363200/The_killing_of_old_and_sick_individuals_in_the_remote_parts_of_the_world_a_case_study_in_ancient_Greek_ethnography_Herodotus_and_Agatharchides_of_Cnidus]. Hierin worden ook de volgende gevallen van senicide in de Oudheid vermeld.

Herodotus maakt melding van de Massagetai, die weliswaar geen vast getal hanteerden, maar wanneer een man heel oud is, komt heel zijn familie bijeen en doodt hem, met kuddedieren er naast, dan koken ze het vlees en feesten erop. Dit wordt gezien als de gelukkigste dood; wanneer een man sterft aan een ziekte eten ze hem niet, maar begraven hem in de grond en klagen, dat hij niet lang genoeg wou leven om gedood te worden. (1:216) Op een andere plaats maakt hij melding van de Padaei, een stam in India, waar ze juist degene, die ziek wordt doden en opeten, wat natuurlijk aanleiding geeft tot wantoestanden, want ook al ontkent iemand, dat hij ziek is, hij wordt niet geloofd, gedood en opgegeten, een man door mannen, een vrouw door vrouwen, diegenen met wie zij het meest omgaan. (3:99)

Agatharchides van Cnidus leefde in de tweede eeuw VC, maar zijn rapport gaat terug op een verslagen van expedities langs de kust van de Rode Zee tijdens de regeringen van Ptolemeus II en III. Over de Trog(l)odyten – een collectieve naam voor diverse stammen langs de Afrikaanse kust van de Rode Zee – schrijft Agatharchides: “Wanneer personen, die door de last der jaren worden neergedrukt, wat iedereen overkomt, niet langer de kudden kunnen volgen, winden ze een koeienstaart om hun nek, maken de knoop stevig dicht achter hun keel en maken een eind aan hun leven. Wanneer echter iemand de dood probeert te ontlopen, is er een omstander, die bereid daartoe is, die plotseling, alsof hij de taak uit aardigheid op zich neemt, hem tegelijk verwijten maakt voor zijn gedrag en hem op dezelfde manier doodt. Zij verwijderen dus niet alleen de ouden uit het leven maar ook diegenen, die door louter ziekte of het kreupel worden van een der ledematen niet meer in staat zijn de kudden te vergezellen.”

Vrijwel hetzelfde zegt Diodorus Siculus (3:33:5-6): “Zij, die niet langer de kudden kunnen vergezellen vanwege ouderdom binden de staart van een os om hun eigen nek en maken zo een eind aan hun leven uit hun eigen vrije wil; en als een man zijn dood uitstelt, heeft ieder, die dat wenst, de autoriteit om de strop om zijn nek te bevestigen, en als een daad van goodwill en na de man berispt te hebben zijn leven te nemen. Eveneens is het een gewoonte van hen om diegenen uit het leven te verwijderen, die kreupel zijn geworden of die in de greep zijn van ongeneeslijke ziekten; want ze beschouwen het een zeer grote schande voor een man om aan het leven te hangen, wanneer hij niet in staat is iets te verrichten waard om voor te leven. Dus kan men iedere Troglodiet gezond van lichaam en van krachtige leeftijd zien, aangezien geen van hen boven de 60 leeft.”

Dit verhaal over de Troglodieten wordt – zeer kort – aangestipt door Justin Nobel in zijn artikel ‘Growing Old with the Inuit’ (https://nowheremag.com/2015/04/growing-old-with-the-inuit-3) in een passage, waarin de senicide bij de Inuit in context wordt geplaatst, helaas allemaal zonder referentie. In Japan als je 70 wordt, dragen zonen hun moeders en vaders op een hoge bergtop genaamd Obasute-yama, oftewel Oma-dump Berg, en op de top achter gelaten om te sterven. De Bactriërs, die huidig Noord Afghanistan bewoonden, wierpen de ouden en zieken voor speciaal getrainde honden, genaamd ‘begravers’. De straten lagen vol mensenbotten. In Noord Afrika wurgden oude Troglodieten, die niet langer in staat waren om hun kudden te hoeden, zichzelf door de staart van een os om hun nek te bevestigen. Ten oosten van de Kaspische Zee vermoordden de Derbiccae mannen, zodra ze 70 werden en aten ze op. Vrouwen werden slechts gewurgd en begraven. Onder de Massagetae, die leefden nabij de Aralzee, offerden verwanten oude mannen en stoofden hen tezamen met wilde beesten, terwijl de Iazyges van Sarmatië, die zwierven in de landen ten noorden van de Zwarte Zee, door hun eigen kinderen werden gedood met zwaarden [dit laatste niet op https://en.wikipedia.org/wiki/Iazyges.] Hetzelfde artikel met andere opmaak op https://www.funeralwise.com/digital-dying/searching-for-an-inuit-afterlife-nursing-homes-come-to-the-arctic-and-a-way-of-death-changes].

Een gecomprimeerd overzicht wordt gegeven door Eduard Meyer in ‘Geschichte des Altertums’, Band 1, Vol. 1, §60. Dat de oude lieden gedood worden, wordt behalve van de Troglodyten overgeleverd van Sardinië (Timaeos, p. 171 GEFFCKEN, bij schol. Plat. rep. 337 c = Aelian v.h. IV, 1. Tzetzes ad Lycophr. 796), van de Tibareners (Euseb. Praep ev. I, 4, 7), van de Kaspiërs (Strabo XI, 11, 1. 8; Euseb. Praep ev. I, 4. 7), van de Herulers (Procop. Goth. II, 14, 2f); dat ze door de nakomelingen worden opgegeten, van de Massageten (Herod. I, 216, vgl. Strabo XI, 8, 6), van de Kallatiërs en Padaeërs in de binnenlanden van India (Herod. III, 38. 99), van stammen van de Indische Caucasus (Megasthenes bij Strabo XV, 1, 56), van de Derbikers aan de Kaspische Zee (Strabo XI, 11, 8; Aelian v.h. IV, 1; Euseb. Praep ev. I, 4, 7: alleen de 70 jarige mannen worden gegeten, de oude vrouwen opgehangen en dan net als de eerder gestorvenen begraven). En in §61: De gewoonte, dat de oude lieden vrijwillig door vergif uit het leven scheiden, heeft ook op Keos geheerst: Heracl. Pol. 9, 5. Strabo X, 5,6. Aelian v.h. 3, 27. Val. Max. II 6, 8.

Op de site https://en.wikipedia.org/wiki/Senicide wordt van de Heruli, een Germaanse stam uit de tijd van de volksverhuizingen (ca. 400-800) gezegd, dat volgens Procopius in ‘De Oorlogen’, de Heruli de zieken en oude lieden op een hoge stapel hout plaatsten en dood staken, voordat ze de stapel in brand staken. Op deze site wordt ook het Romeinse spreekwoord ‘Zestigjarigen moeten van de brug gegooid worden’ (‘sexagenarii de pontes’; Plinius, Nat. Hist. XXX, 4) besproken. De realiteit hiervan was al in de Oudheid onderwerp van discussie en Festus in de 4e eeuw AD geeft een aantal verklaringen over de oorsprong, waaronder mensenoffers bij de oude Romeinse inboorlingen, een associatie met Hercules en het idee, dat oude mannen niet zouden moeten stemmen, omdat ze niet langer een plicht voor de staat vervullen. Het idee om oude mannen van de brug te gooien komt waarschijnlijk overeen met de laatste verklaring van Festus. Dat wil zeggen, jongere mannen wilden niet, dat oudere generaties hun wensen en ambities overschaduwden en stelden daarom voor de oude mannen van de brug te gooien, wanneer het stemmen plaats had.

Een tot nu toe onbesproken traditie, teruggaand op de Oudheid, ontdekte ik op de wereldkaart van Hanns Rüst uit de 15e eeuw, waarvan een heel goede afbeelding te vinden is op de site http://www.themorgan.org/incunables/145336. Je kunt heel ver inzoomen op het noorden, dat op deze kaart aan de linkerkant ligt. De hele wereld is omgeven door de rond lopende Oceaan en naar het noorden toe loopt de Kaspische Zee uit in deze Oceaan. In het land boven de Kaspische Zee worden de oude mensen, die het leven zat zijn dood geslagen. De bijgevoegde tekst is enigszins cryptisch: ‘man dot den sat’, wat betekent dat men degenen, die het leven zat zijn dood slaat; en we zien een jongeman met een glimlach met opgeheven knots naar een op de grond gelegen oude man slaan, die zich niet verweert. Het naast gelegen land is ‘Hirkania reich’, dus we bevinden ons in een gebied, dat thans Kazachstan is. Vlak onder het noorden op een eiland in de oceaan staat de tekst ‘die springet sich dot’, dus hier plegen de mensen, die het leven zat zijn zelfmoord door van een rots te springen, en we zien een mannetje boven op een hoge rots staan en een andere beneden aan de rots liggen. Deze kennis had Rüst niet van zichzelf, maar betreft oude geografische kennis en is ook te vinden in de uitleg van de geleerde Pierre d’Ailly (ca. 1400, https://nl.wikipedia.org/wiki/Pierre_d%27Ailly) over de volkeren, die in de onherbergzame gebieden van het Noorden wonen. Hij vertelt, dat de Hyperborese bergen een gematigde temperatuur hebben en dat de volken al daar zeer lang leven en elkaar dan dood slaan als ze het leven moe zijn. (D’Ailly 1930, 240f) In het elfde hoofdstuk geeft hij de mening van Plinius en ook van Marcianus, dat de aarde bewoond is tot op de polen, waar de dag en de nacht een duur hebben van zes maanden. Daar wonen de gelukkigste volken van de aarde: lieden, die niet sterven, maar zich werpen van een hoge rots in zee, wanneer ze het leven beu zijn. Men noemt ze Hyperboreeërs in Europa en Arompheeërs in Azië. (D’Ailly 1930, 235, idem 527). Dit was algemeen bekend bij de geleerden in die tijd en o.a. te vinden bij Roger Bacon.

Het verhaal van de Hyperboreeërs is te vinden bij Pomponius Mela. “En wanneer ze genoeg hadden geleefd meer dan dat ze verveeld waren geraakt, bekransten ze hun hoofden lachend met bloemenkransen en wierpen zich languit in zee vanaf een bepaalde rots. Dit is hun vreemde begrafenisrite.” (‘Utopian Thought in the Western World’, van Frank E. Manuel & Fritzie P. Manuel, 2009, p. 86.)

Het verhaal is opgenomen door Andrew Crichton & Henry Wheaton, in hun ‘Scandinavia, Ancient and Modern…, Vol. 1, 1838, p. 18. “Wanneer voldaan [= ‘zat’, zie de kaart van Rüst; Eng. satiated, sated] met leven, dat was uitgerekt tot een extreme oude leeftijd, kroonden ze blij hun hoofden met bloemen en plonsden voorover vanaf de berg steilten in de diepte van de zee. Pomponius Mela zegt in ‘De Situ Orbis’, III, 5: ‘Hilares redimiti sertis in pelagus ex certa rupe præcipites dant; is eis funus eximium est.’ Dergelijke rotsen worden nog steeds getoond in Zweden, zoals de Hunneberg [i.e. reuzenberg] en Halleberg (Heilige Berg), in West Gothland, aan het lagere uiteinde van het Wener Meer. Deze werden figuurlijk de Hal van Odin genoemd, omdat ze beschouwd werden als een soort van voorportaal of vestibule naar het Scandinavisch Elysium.”

De term ‘Hall of Odin’ is opgenomen in de ‘Dictionary of Phrase & Fable’ (2001:520) en zijn de rotsen, zoals Halleberg en Hunneberg, van waaraf de Hyperboreeërs, wanneer ze het leven zat waren, zich in zee plachten te werpen; zo genoemd omdat ze de vestibule waren van het Scandinavische Elysium [Ook bij Bulfinch, zie http://levigilant.com/Bulfinch_Mythology/bulfinch.englishatheist.org/dic/h.html. In het Nederlands op http://www.dbnl.org/tekst/beer004woor01_01/beer004woor01_01_0019.php]. Op Wikipedia wordt gezegd: ‘Halleberg is considered by some to be the location of Valhalla. Part of the mountain is still called Häcklan. One of Odin’s name was Häcklaman’ (https://en.wikipedia.org/wiki/Halleberg).

Op de genoemde site https://en.wikipedia.org/wiki/Senicide wordt gezegd, dat in Noordse folklore de ‘ättestupa’ (ätt: familie, geslacht; stup: afgrond, steile helling) een klif is, waar oude mensen vanaf zouden springen of worden gegooid, naar de dood. Terwijl de praktijk geen historisch bewijs heeft, is het blijven bestaan als een ‘urban legend’ en een metafoor voor onvoldoende zorg voor de ouderen. Dit is ook te vinden op https://en.wikipedia.org/wiki/%C3%84ttestupa, waar ook wordt gemeld, dat Solinus schreef over de gelukkige Hyperboreeërs bij de Noordpool, waar het een half jaar dag is tussen de lentenachtevening en de herfstnachtevening, en dat hij het klimaat beschreef als zo gezond, dat de mensen daar niet stierven, maar zichzelf vanaf een klif in zee wierpen.

Op de Senicide site wordt voor Servië door verwezen naar de site https://en.wikipedia.org/wiki/Lapot. De Lapot is een mythische praktijk, die bestond uit het doden van je ouders of oudere leden van de familie, zodra ze een financiële last voor de familie werden. Volgens T.R. Georgevitch, schrijvend in 1918 over de oostelijke hooglanden van Servië, werd het doden gedaan met een bijl of stok en het hele dorp werd er bij uitgenodigd. In sommige plaatsen werd maïsmoes op het hoofd van het slachtoffer gelegd, zodat het leek, alsof de maïs de doder was. Volgens Georgevitch zou deze legende kunnen zijn ontstaan uit verhalen rond de Romeinse bezetting van lokale forten. “De Romeinen … waren zeer oorlogszuchtige lieden. Hun leider beval alle mannen van de forten tot 40 jaar om actieve strijders te zijn, van 40 tot 50 bewakers te zijn van de forten, en na 50 gedood te worden, omdat ze geen militaire waarde meer hebben. Vanaf die tijd werden de oude mensen gedood.”

Het detail van de ‘maïsmoes’ (corn mush) wordt duidelijker uit het verslag van Lada Stevanović, die over de Lapot meldt (p. 191f): Lapot ook ‘prokletije’ genaamd ritueel. Materiaal uit Oost Servië van de 19e eeuw, maar enige aanwijzingen uit Zuid Servië, waar het ‘bupe-lupe’ (klanknabootsing voor slaan) wordt genoemd, en in Montenegro (pustenovanje en pustenkovanje). Diverse methoden van het doden van de oude mensen, meestal na een feest, als een rond brood op het hoofd was gelegd van de persoon, die ging sterven. Vervolgens werd het brood geslagen met een hamer. Andere methoden waren wurging en slaan met een staaf. Bij het doden met het brood was een spreekwoord, dat er op volgde: ‘Ne ubijamo te mi, nego hlebac’ (Geef niet mij de schuld, maar het brood!’ (A comedy of innocence, volgens Walter Burkert) [volgens Jovanović (1997, 147) is ‘prokletije’ een magische rite uitgevoerd door leden van een gemeenschap door stenen te gooien om een onbekende bedrijver van een misdaad te straffen, en dus iets heel anders dan ‘lapot’!].

Meer gegevens worden ons meegedeeld door Dubravka Ugrešic, in een voetnoot in haar ‘Baba Yaga Laid an Egg’ (2207:314 n. 42): Lapot was een eeuwen oude gewoonte, verondersteld te zijn bedreven in Servië en Macedonië, waarbij oude vrouwen die niet langer in staat waren hun brood te verdienen werden gedood met een bijl of dood gestenigd. In Montenegro werd deze gewoonte ‘pustenovanje’ genoemd, van het woord ‘pust’ (vilt). Ze waren gewoon de hoofden der oude mensen met een stuk vilt te bedekken, dan een zware steen op hun hoofden te drukken (de Montenegrijnen zouden ook ontrouwe vrouwen stenigen).

Keren we terug naar de site ‘Lapot’, waar het een en ander wordt verduidelijkt. In een studie, gepubliceerd in 1999, argumenteert Bojan Jovanović, dat eerdere antropologen zoals Trojanović, Georgevitch en Čajkanović mythe met realiteit hadden verward en dat het wel bekende verhaal van een kleinzoon, die zijn grootvader had verstopt om hem te beschermen tegen de lapot na een slechte oogst en hem terug bracht naar het dorp, toen de wijsheid van de oude man een manier om te overleven had getoond, de basis was voor het vast stellen, dat de oude mensen gerespecteerd zouden moeten worden om hun kennis en wijze raad [Trebješanin, Zarko (18 May 2000). “Lapot: naučni mit ili stvarnost” (in Serbo-Croatian). De traditie was het onderwerp van de TV docudrama ‘Legenda o Lapotu’ (De sage van de Lapot) van Goran Paskaljevic in 1972, waarin na een slechte oogst een oudere man, die niet langer kan werken, ritueel wordt doodgeslagen].

We hebben hier te maken met een sprookje van het type ATU 981 ‘De Wijsheid van de Verstopte Oude Man Redt het Koninkrijk’, dat ik in de volgende aflevering zal bespreken.

2 Trackbacks & Pingbacks

  1. Cor Hendriks – De sardonische lach (2): Senicide en sprookjestype ATU 981 | Rob Scholte Museum
  2. Cor Hendriks – De sardonische lach (3): de Sardinische plant | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*