Cor Hendriks – De hostie in de pad (3): toverdrank

Het drankje gemaakt van de uitscheiding van haar pad door Billia la Castagna had het effect dat diegenen die ervan namen niet in staat waren de sekte te verlaten. Dit verhaal van het magische effect van een drankje is waarschijnlijk zeer oud en is al aanwezig in de eerste gevallen van ketterij in West Europa. In 1022 beweerde Adémar van Chabannes in zijn kroniek dat een boer uit Perigord de as van dode kinderen bij zich droeg, waarmee hij spoedig een Manicheeër maakte van iedereen aan wie hij het kon geven. Met veel meer details wordt hetzelfde verhaal verteld door Paul, een monnik van Chartres, die sprekend over de ketterij eerst aan de oningewijde iets wil onthullen over het voedsel, dat ze hemels noemen, en op welke wijze het was vervaardigd. Hij beschrijft de orgie. Wanneer vervolgens een kind werd geboren uit deze allersmerigste vereniging werd op de achtste dag daarna een groot vuur ontstoken en het kind werd gezuiverd door vuur op de wijze van de oude heidenen en werd aldus gecremeerd. De as werd verzameld en bewaard met even grote verering als Christelijke eerbied wordt gegeven aan het lichaam van Christus, aangezien het gegeven wordt aan de zieken als een viaticum op het moment van hun vertrek uit deze wereld. Waarlijk, zulke kracht van duivels bedrog was in deze as dat wie ook begaan was met de genoemde ketterij en had deelgenomen van hoe klein ook deel ervan, naderhand nauwelijks ooit in staat was om de koers van zijn gedachten van deze ketterij af te wenden naar het pad van de waarheid.

Rond 1114 beweert Guibert van Nogent dat een sekte in de buurt van Soissons de kinderen geboren uit hun orgiën cremeerden (na een bizar ritueel van het werpen van het kind van hand tot hand door de vlammen door degenen die rond het vuur zitten tot het dood is) en van de as brood maakten waarvan een stukje wordt gegeven aan ieder van hen als een sacrament. Wanneer dat is gegeten, is het zeer zelden dat men terugkeert tot zijn zinnen van die ketterij.
In 1184 is het William van Newburgh, die zegt van de Breton Eudo, bijgenaamd ‘de Stella’, dat wie bij toeval op hen stuitte en ook maar het geringste proefde van hun voedsel geestelijk was aangetast omdat hij deel had aan de diabolische maaltijd en meteen lid werd van deze allersmerigste bende. Walter Map beweert van de sekte der Publicanen of Patarinen, die zeer talrijk zijn in Anjou, Aquitanië en Bourgondië, dat ze hun tafelgasten strikken door middel van een van hun gerechten en zo tot een van hen maken.

In de Kroniek van Saint-Denis wordt van de Tempelieren beweerd: ‘De lichamen van overleden Tempelieren worden verbrand en hun as gemengd tot een poeder dat werd toegediend aan nieuwe leden als een magische drank om hen op hun abominabele pad te houden.’

In 1324 ontdekte de bisschop van Ossory, Richard Ledred, bij een kerkvisitatie te Kilkenny een lang gevestigd ‘diabolisch nest’ van twaalf ketterse en de magie toegewijde personen, wier meesteres Alice Kyteler een verwant van de kanselier was. Ze ontkenden, zoals de bisschop ons informeert, Christus en de kerk, verachtten de sacramenten, aapten tijdens hun nachtelijke verzamelingen de ceremonies van de Kerk na, offerden op kruispunten aan de duivel, die aan hen verscheen in de persoon van ‘Artis filius’ of van ‘Robinus filius artis’, en beging als incubus onkuisheid met hen, of hij nu handelde als Moor, als zwartharige hond of als kater; ze kookten zalven en poeders van de gebruikelijke, veelvuldige, onzuivere substanties, waarmee ze liefde en haat opwekten, mensen ziek of krankzinnig maakten en probeerden hen te doden.

Op de kettersabbat, ontdekt door de Dominicaan Anton van Savigliano in 1377-78 in de valleien van Piemont, is sprake van een oude vrouw, die aan de tafel een toverdrank uitdeelde, gebrouwen van vreemde ingrediënten met een kwaadaardig uiterlijk en zwaar, vaak dodelijk effect; en wie er van innam was voor altijd gebonden aan de duivel en de sabbat. De drank van Billia la Castagna hoort hierbij.

In Parijs in 1390 werd Jehenne de Brigue, bijgenaamd La Cordière, door Jehan de Ruilly beschuldigd een heks te zijn, aangezien ze toverij had gebruikt om hem te genezen. Ze had hem verteld dat hij behekst was door ene Gilette, bij wie hij twee kinderen had, en had geprobeerd hem te helpen door het maken van een wassen figuur (‘voult’) van Gilette, en door twee padden te zuigen. Bij een later verhoor in 1391 voegde Ruilly toe dat zijn page recent twee padden in zijn hof had gevonden en gedood. De advocaat presenteerde als bewijs, die de veroordeling steunden, diverse zaken zoals een stuk van een hostie, drie maagdenpalmbladen, een stuk houtskool, twee loten van een mosterdplant, een houtsplinter, was en haar. Deze dingen worden getoond aan de gevangenen. Macette, de vrouw van Jehan de Ruilly, die ervan werd beschuldigd Jehenne’s handlangster te zijn, legde hun magische gebruik uit, maar ontkende ze te gebruiken in enige hekserij. De doodstraf werd tenslotte uitgesproken en dezelfde dag uitgevoerd.

Nider, schrijvend in 1437, spreekt van een zalf, gemaakt van de lijken van gedode kinderen, gebruikt voor transformatie. Dit refereert aan rechtzittingen die plaats hadden in 1428 in Val d’Anniviers en Val d’Héreus nabij Siders en Sion. Mannen en vrouwen hadden daar in grote getale God, de heiligen en de Kerk afgezworen en zichzelf gegeven aan de duivel, die aan hen verscheen in allerlei dierengedaantes en hen zalf gaf om de stoelen in te smeren waarop ze van dorp naar dorp vlogen om zichzelf te vermaken in de kelder met wijn. Ook konden ze zich transformeren met de zalf in wolven om het vee aan te vallen of om zich onzichtbaar te maken; allerhande tover diende hen om mensen en hun vee ziek te maken of te doden en om de melk van de koeien weg te nemen. Zelfs louter dreigementen uit hun mond gaven hun vijanden ziekte, verlamming, blindheid, impotentie aan mannen, onvruchtbaarheid aan vrouwen, verdorven het graan op het veld evenals de wijngaarden. Vaak kwamen deze ketterse tovenaars en heksen ’s nachts bijeen op de sabbat, waar de duivel onder hen verscheen als Magister en preekte tegen het geloof, de biecht en het kerkbezoek. Zij consumeerden daar hun eigen kinderen, na hen op het vuur geroosterd te hebben of gekookt; kinderen van vreemden werden verlamd of gedood door magische aanraking, werden opgegraven op de kerkhoven en ook geconsumeerd. Ze waren met zo velen dat ze in het volgende jaar een cirkel wilden vormen; de duivel had hen beloofd dat ze weldra zo sterk zouden zijn dat ze geen gezag of rechtbank hoefden te vrezen, maar hun eigen rechtbank konden opzetten en heel het Christendom overweldigen.

In 1450 werd in het Gelderse Reimerswael een vrouw gebracht voor de schepenen, die werd beschuldigd een toveres te zijn, ‘dat sy den luiden t’eten geven soude, dat sy heir na loepen souden’ (dat ze de lieden te eten zou geven zodat ze haar zouden volgen). Ze werd voor drie jaar verbannen.
In 1457-59 waren er processen te Faido in Val Leventina nabij de Sint Gotthard. De sabbat wordt hier ‘barlotto’ (tonnetje) genoemd en bestaat uit nachtelijke orgiën, waarop kinderen hieruit geboren werden gegooid tot de dood volgt (zoals Guibert van Nogent vertelde); in wiens handen het stierf werd ‘pous’ (paus). Van de as van het gedode kind werd een sacramenteel poeder gemaakt om mensen te doden of hen te betoveren.
Volgens de inquisiteur Jaquier, schrijvend in 1458 over de Vaudois, gaan de meeste van hen door de lucht naar deze sabbat (‘synagoga diabolica’), gedragen door de kracht van de duivel op een stok of ander ding dat tevoren besmeerd was met een mysterieuze zalf. Deze zalf was gemaakt van de aftreksels van de kinderen gegeten op de sabbat, gemengd met andere ingrediënten.

Dan volgen in 1459 de processen in Arras, waar volgens de inquisiteur Pierre Broussart de vliegzalf gemaakt is van een pad gevoed met gewijde hosties, verpulverde botten van een gehangene, het bloed van kleine kinderen en wat kruiden.
En er is de anonieme ‘La Vaudereye de Lyonois en bref’, waar de leden leerden de hostie niet in te slikken maar naar de sabbat te brengen, waar hij werd misbruikt of gevoed aan padden, die werden verbrand en gemaakt tot destructieve poeders. Hun misdaden bestaan uit het doden van kinderen en het maken van stormweer.
Ook de vliegzalf van de heksen werden op dezelfde manier gemaakt. De geleerde canon van het Nederlandse diocees Dordrecht Jan Tinktoris beschuldigde rond 1450 in een preek de Waldenzen ervan dat ze uit vermoorde kinderen zalf bereiden waardoor ze in staat waren door de lucht te vliegen met de duivel op boelschap.

Mathias Widman von Kemnat beschrijft rond 1475 de ‘ketzerei und sect, die allergroste, Gazariorum, das ist der unholden (‘heksen’), und die bei der nacht fahren uff besamen (bezems), offengabeln (ovengaffels), katzen, bocken oder uff andern dingen dazu dienend.’ Op hun bijeenkomsten wordt een orgie gehouden gevolgd door eten en drinken. Wanneer ze naar huis gaan, ‘werffen sie vor (uitspugen) den unflait (‘kots’) irer natur in ein kuffen (kuip)’, en wanneer men hen vraagt, waarom ze dat doen, antwoordden ze, dat ze dat doen om het heilig sacrament te smaden.
Een van de besproken zaken is: ‘Item wanneer de arme verleide mens zich de duivel te leen heeft gegeven, dan geeft de meester hem een busje met zalf, een stok, bezem of wat daartoe hoort. Daarop moet de verleide naar de ‘school’ (= sabbat) gaan en leert er hoe hij de staf moet smeren met de zalf, en de zalf wordt duivels gemaakt van de vaste delen van kinderen die gebraden en gekookt zijn en met andere vergiftige dingen als slangen, hagedissen, padden, spinnen. De zalven gebruiken ze ook zo, dat als ze iemand ermee beroeren of eenmaal bestrijken, moet de mens een boze dood te [laten] sterven meteen gelukken. Item ze maken poeder uit de ingewanden, uit de longen, lever, hart enz., en wanneer het nevelig is, dan werpen ze het poeder in de nevel, die zuigt het op in de lucht. Die lucht is [dan] vergiftigd, zodat de mensen meteen sterven of anders een eeuwige ziekte krijgen en dat is oorzaak dat in sommige dorpen de pest heerst en in de buurt vlakbij is men fris en gezond.’
Na een tweede methode voor het maken van de zalf (van een vrome man die ze doodmartelen) volgt het verhaal hoe ze de zalf gebruiken om bronnen te vergiftigen: ‘Item ze nemen de huid van een kat, doen de zalf daarin en vullen de huid met erwten, linzen, gerstekorrels etc. en binden de huid dicht en leggen die in een frisse bron. Drie dagen daarna drogen ze de vrucht en verpulveren die en wanneer het stevig windig is, dan stijgen ze op een hoge berg en werpen het poeder in de wind, die waait het op de vruchten van het veld, daardoor wordt de akker onvruchtbaar.’

Antoinette Rose uit Villars-Chabod nabij Annecy bekende in 1477, dat poeders werden gemaakt van de beenderen en ingewanden van kinderen om schade (‘maleficia’) en ziekte bij kinderen en dieren teweeg te brengen. De duivel gaf de ketters (Valdois) een zalf om ziekte te veroorzaken; daarmee raakte ze de hand aan van de 4-jarige dochter van Louis Fabre uit Filioz met als gevolg, dat het kind plotseling ziek werd, twee weken wegkwijnde en toen stierf. Met de poeders die ze van haar meester de duivel had gekregen had ze een koe van Pierre Jacquemod aangeraakt en de koe stierf. Nog drie koeien van hem doodde ze, omdat hij eens een van haar geiten had geslagen. Ook had ze met die poeders hekserij bedreven (‘maleficiavisse’) op een koe van Pierre Girard, omdat hij haar haver had beschadigd. Hun meester de Duivel leerde hen in de synagogen om zoveel mogelijk schade te veroorzaken. En de Duivel zei haar geen vrees te hebben, want hij zou haar beschermen tegen alle kwaad en ze zou niet worden gearresteerd.

In 1479 in het diocees Lausanne bekende een vrouw op een nacht door een raam naar binnen te zijn gekropen en haar eigen kleindochter te hebben gewurgd en haar overblijfselen te hebben gebruikt om een dodelijk poeder te maken en een zalf die een bezem of stok door de lucht doet vliegen.

In de bul ‘Summis desidserantes’, uitgevaardigd door paus Innocentius VIII in 1484, zegt hij dat hij vernomen heeft dat in sommige delen van Opper Duitsland, evenals in de diocesen van Mainz, Keulen, Trier, Salzburg en Bremen zeer veel personen van beide geslachten, hun eigen heil vergetend en het Katholieke geloof afzwerend, met de duivels, die zich met hen mengen als mannen [incubus] of vrouwen [succubus], misbruiken en met betoveringen en liederen en toverspreuken en andere vreselijke bijgelovigheden en met toverij verwante overtredingen, lasteringen en misdaden, de bevallingen van vrouwen verhinderen, de jongen van dieren, de vruchten van de aarde, de wijngaarden en de boomgaarden, etc., etc. En hij voegt toe: ‘Ook ontkennen ze het geloof zelf, dat ze hebben aangenomen met het ontvangen van de heilige doop, met hun eedbrekende monden.’

In de ‘Malleus’ is het verhaal opgenomen uit Niders ‘Formicarius’ over de inquisiteur Peter von Bollingen, aan wie een heks bekende ’s nachts met haar gezellinnen kinderlijken te stelen uit de graven en ze te koken in een ketel. ‘Van de vaste substantie maakten we zalven voor ons gevlieg, heksenkunsten en om onze wensen te bevredigen. De vloeistof deden we in een fles. Wie hiervan drinkt en bepaalde ceremonies uitvoert, is meester in onze sekte en ingewijd in de geheimen ervan.’

De beul (‘Henker’) Diepolt Hartmann uit Miltenberg geeft in 1494 voor de stadsraad van Frankfurt tijdens een ondervraging een overzicht van de ervaringen die hij had gehad met zo’n dertig toveressen in de jaren 1492-94: ‘Item ze nemen het crucifix op de weg [d.w.z. op een kruispunt] en verbranden het tot poeder en botten van onschuldige kindjes ook tot poeder op Witte Donderdag gemalen en water, daaruit maken ze een deeg en laten een mis erover lezen op een Witte Donderdag, daarmee betoveren ze de mensen.’

Sylvester Prierias, die de ‘Malleus’ citeert in zijn ‘De Strigimagarum Daemonumque Mirandis’ uit 1521, zegt dat wie ook drinkt van de vloeistof zich zal aansluiten bij de sekte.

Bij een proces in Hanau in 1564 verklaarde het meisje ‘Gotts Anna’ dat toen ze nog jong was ze bij haar moeder ‘door ingeving van een stuk brood erbij gekomen was’, wat wil zeggen dat ze een heks was geworden toen ze een jaar of twaalf was door het eten van een stuk brood dat haar moeder haar had gegeven.

In Wenen in 1583 bekende de 70-jarige Elisabeth Pleinacher haar 16-jaar oude kleindochter uit Mank in de Viertl een appel met de duivel erin te hebben gegeven; het gaf haar krampen. De Lancre vertelt in zijn ‘Tableau’ uit 1613 dat kinderen hem vertelden naar de sabbat te zijn ontvoerd, omdat de heksen een hand op hun hoofd legden of hen een stuk appel te eten gaven. En op een proces in Tambach in 1675 beschuldigde een bezeten vrouw een andere vrouw ervan haar door middel van een stuk cake de duivel ingegeven te hebben. In 1656 te Paserborn riepen meer dan dertig bezetenen onafgebroken over Trinike Morings als zijnde een tovenares, die de duivel door brandewijn, koeken, appels, bier, vlees en nog meer andere zaken in de mensen had gedreven.

In de ‘Geschiedenis van de Noordelijke Volkeren’ uit 1555 van Olaus Magnus is het ook door middel van een pot bier dat nieuwe leden van de sekte werden gerekruteerd. Hij spreekt uiteraard van zaken die meer rationele mensen geneigd zijn om allemaal onzin te noemen, dus hij moet zich tegen hen verdedigen en schrijft: ‘Bij wijze van verdediging van de informatie bij Euanthes, Agriopas en andere schrijvers wil ik hier met een paar voorbeelden laten zien hoe deze dingen gebeuren in de genoemde gebieden tot op de huidige dag. Want zodra iemand, of hij Duitser is of inboorling, nieuwsgierig is tegen Gods bevel en wenst zich aan te sluiten bij het gezelschap van deze vervloekte lieden, die zichzelf naar eigen genoegen veranderen in wolven, […] dan vraagt hij aan een, die meester is in zulke magie deze kunst om te transformeren die geheel tegen alle natuur is, namelijk omdat die hem een kan bier te drinken geeft […], waarbij bepaalde woorden zijn gesproken. Dan kan hij wanneer hij maar wil zijn menselijkheid totaal transformeren in wolfgedaante, terwijl hij in een kelder gaat [om er wijn te zuipen!] of naar een ver weg woud.

Iets dergelijks is te zien in de getuigenis van de Lijflandse ‘weerwolf’ Thieß, die bij zijn proces in 1691 verklaarde dat hij niet als weerwolf wilde sterven: ‘… hij wou het voor zijn dood een ander bijbrengen, die hij het maar kon bijbrengen.’ Gevraagd hoe hij het iemand anders kon aanbrengen antwoordde hij: ‘Hij wilde het zo doen, zoals het bij hem was geschied, en hoefde slechts iemand één keer toe te drinken en 3 maal in de kan te ademen en de woorden te zeggen: “Het wordt jou zoals mij,” en wanneer dan de ander de kan aannam, dan was hij [Thieß] ervan bevrijd.’

Ook het geheime genootschap van de ‘Bokkenrijders’ kende zulke praktijken. In 1750 verklaarde de 17-jarige bedelaarsjongen Nol Caldenbergh voor de rechters te Schinnen: ‘… voordat we gingen stelen van de zusters Cadé gaf de kapitein iedereen een half glas brandewijn waarin hij iets deed uit een ander glaasje. Toen ik het gedronken had, was ik echt dronken en was geworden als een wildeman.’ Ook een andere rover zei ‘compleet dronken te zijn geworden en als een wildeman en als bezeten door de duivel.’ Ook anderen zeiden dat de drank hen deed lijken op wilde dieren. In de Duitse ‘Relation’ uit 1781 wordt verteld dat het rekruteren voor de bende van Kirchhoff vaak geschiedde langs ‘sympatische’ weg door een glas wijn of aquavit of door een snuif tabak; de snuif werd ook gebruikt om meteen een berijdbare geit tussen de benen geschoven te krijgen.
Het drinken van een of ander drankje wordt ook verteld in een sage uit de Hoge Alpen over de ‘flanmaçons’ (vrijmetselaars, opgevat als diabolische organisatie), die op hun bijeenkomsten op de ‘clapier’ (steenhoop) van Chanaba, waar ze op de top een ‘cirkel’ (heksenring) achterlieten, ieder de baard van vader duivel, die ook aanwezig was, in zijn glas doopte en dan het extract dronk.

Er is ook het verhaal dat de duivel zichzelf op de sabbat tot poeder verbrand, dat wordt uitgedeeld aan de leden van de sekte. Bodin, sprekend over een proces dat plaats had in 1574 in Poitiers, beschrijft de sabbat: ‘Er was daar een grote zwarte geitenbok die sprak als mens tegen de deelnemers; en [ze] dansten rond de geit; vervolgens kuste iedereen hem op zijn anus, met een brandende kaars [in de hand]; en wanneer dat gedaan was, verteerde de bok zichzelf in het vuur en iedereen nam wat van de as om de os te doden…’
In het district Lyon in 1598 vierde volgens Boguet de Duivel de mis en ‘na de gedaante van een geitenbok aangenomen te hebben verbrandde hij zichzelf in vuur en [werd] gereduceerd tot as, die de heksen verzamelden en verborgen om het te gebruiken bij het uitvoeren van hun perfide en abominabele plannen.’
De Belgische heks Claire Goessen was in 1603 aanwezig bij zo’n zelfoffer van de Duivel. ‘Ze heeft zichzelf laten wegvoeren naar de nachtelijke bijeenkomst te Lembeke, waar ze na de dans net als alle deelnemers een geitenbok bij de staart had gekust, welke geit vervolgens werd verbrand en zijn as uitgedeeld aan en meegenomen door de gasten.’
Jeanne de Belloc in 1609 had gezien dat de Grootmeester zichzelf bij de bijeenkomst in de vlammen had geworpen tijdens de sabbat en zichzelf verbrandde tot hij gereduceerd was tot poeder, en de grote en waardige heksen namen de genoemde poeders om kleine kinderen te beheksen en hen naar de sabbat te brengen en ze namen ook een beetje ervan in de mond om nooit [iets] te onthullen.’
In 1652 verklaarde een Franse heks dat op de sabbat ‘de duivel zichzelf in brand stak en van de as had gegeven die allemaal in de lucht vloog om schade te doen aan de vruchten van het veld.’
En in Lille in 1661 zeiden de meisjes van het weeshuis van Madame Bourignon: ‘Een dier werd vereerd en ze begingen er mee schandelijkheden en aan het einde verbrandden ze het en iedereen nam as waarmee ze personen of andere dieren lieten wegkwijnen of sterven.’

Dit motief kan ook worden gevonden in een ‘parel van een niet-volkse sage’, gepresenteerd door Roeck in een artikel over de demonologische heks en de sageheks. De beschrijving is tamelijk standaard. Na de dans bereikte de sabbat zijn hoogtepunt: de grote geitenbok werd verbrand en ieder van de heksen nam wat van de as om ermee schade te doen.
Een ander gebruik van as door de heksen wordt gerapporteerd door Paul-Yves Sébillot in Bretagne: ‘De heksen (‘sorciers’) kunnen zichzelf onzichtbaar maken door op een altaar as van een verbrande kat te leggen.’
De macht om onzichtbaar te worden wordt ook vermeld in de bekentenis van de 71-jarige Michael Haisch uit Vaihingen. Hij bekende in 1662 te Esslingen in staat te zijn mensen te bannen (= zorgen dat ze niet konden bewegen) en een toverpoeder te maken uit de beenderen van ongedoopte kinderen, en hij was ook in staat zich onzichtbaar te maken; hij had acht mensen gedood met zalven en poeders.
De Lancre rapporteert over de ‘heksenschool’: ‘Om nooit het geheim van de school te verklappen maken ze op de sabbat een pasta van zwarte gierst met de poeder van het verbranden van enige niet-gedoopte kinderen dat ze laten drogen, waarna ze dit poeder mengen met de genoemde pasta, het heeft deze eigenschap van stilzwijgendheid zo goed dat wie ervan eet nooit bekent.’
Deze ‘taart’ wordt ook vermeld in de bekentenis van Helen Guthrie te Forfar in 1661: ze groef met vier anderen het lijk van een ongedoopt kind op, dat begraven was op het kerkhof nabij de zuidoost deur van de kerk, ‘en namen diverse stukken ervan, zoals de voeten, handen, een deel van het hoofd en een deel van het zitvlak, en ze maakten daar een taart van, opdat ze ervan konden eten, zodat op deze wijze ze nooit een bekentenis zouden maken (naar zij dachten) van hun hekserijen.’

Ginzburg vraagt zich af of met de ‘paddenuitscheiding’, waarmee de drank van Billia la Castagna was gemaakt, een vervormde echo is van termen verbonden met ‘crapaudin’, ‘pain de crapaux’, wat in Frankrijk en elders de ‘amanita muscaria’ aanduidt. Maar tevoren heeft hij al gezegd, dat de naam ‘pin d’crapâ’ (paddenbrood) in Normandië wordt gegeven aan ‘agaric mushrooms’, d.w.z. aan de familie der Agaricaceae, waarvan de ‘fly agaric’, de ‘vliegenzwam’, slechts een van de vele is, die lang niet allemaal giftig zijn. In het Nederlands wordt de naam ‘paddenstoel’ gebruikt voor alle fungi, zowel eetbare als niet-eetbare. Het Engelse ‘toad-hat’ is het Nederlandse ‘paddenhoet’, wat gewoon een (verouderd) woord voor ‘paddenstoel’ (‘toad-stool’) is.

Niet alleen de pad, maar ook de duivel wordt verbonden met paddenstoelen. In sommige plaatsen in Duitsland wordt de naam ‘Satanspilz’ gegeven aan een paddenstoel, die ook in Nederland bekend is als ‘Satanszwam’, die eetbaar is. In Engeland wordt de naam ‘Devil’s Food’ gegeven aan de mandragora (alruin), maar in Nederlands sprekende gebieden, voornamelijk Vlaams, wordt de naam ‘Duivelsbrood’ gegeven aan ‘kampernoeliën’ (nog een algemeen woord voor paddenstoelen), giftige zowel als eetbare. Er wordt gezegd als waarschuwing tot de kinderen, dat de duivels erop rusten als op een stoel (wat ook wordt gezegd van kabouters) en zich ermee voeden, als een methode om hen af te houden van ze te eten.
De 16de-eeuwse Vlaamse botanist Dodoens noemde de fungi in het algemeen ‘Duyvelsbroot’ en zelfs de zeer gewaardeerde morel geeft hij de naam ‘Duyvelsbroot van de Lente’.

In het westen van Engeland worden namen als ‘Devil’s Corn’ en ‘Owd Lad’s Corn’ gegeven aan [de plant] muur (Stellaria holostea L.), mogelijk omdat deze plant, voordat hij bloeit, lijkt op gras en graan en omdat de zaden van dit heksenkruid ‘kleyn ghebroken / ende een papken daer af ghemaeckt / verweckt tot onkuysheydt / ende is als eenen wet-steen van de wellustigheydt’, aldus Dodoens.
De procesverslagen van het beroemde heksenproces te Logroño in 1610 geven aan dat op de sabbat de heksen de Duivel meel offerden dat tot brood werd gemaakt dat zo taai was als een schoenzool en het beeld van de Duivel erop had. Hij zegende dat Duivelsbrood en het werd uitgedeeld en gegeten door de heksen en de duivels: een godslasterlijke imitatie van de Heilige Communie van de Christenen!
Het detail van de afbeelding van de duivel op de hostie is al te vinden in 1324 bij het proces van Lady Alice Kyteler (zie boven): ‘Bij het doorzoeken van de kast van de lady vonden ze een hostie van gewijd brood met erop de naam van de duivel gedrukt in plaats van Jezus Christus.’
Boguet (1589) laat degene die de ‘mis’ viert zijn rug naar het altaar keren, ‘& puis esleue vn rond de raue teinte en noir, au lieu de l’hostie (en vervolgens hief hij een rondje van zwart geverfde raap op in plaats van de hostie)’, waarop alle heksen luid riepen: ‘Maistre, aide nous (meester, help ons)!’ Op dat moment piste de Duivel in een gat in de grond en maakte wijwater van zijn urine, die degene die de mis zegt over alle deelnemers sprenkelt met een zwarte ‘asperges’ (wijwaterkwast).
Dit komt in sterke mate overeen met het rapport van de sabbat door een jong meisje in Aquitanië (Haute-Garonne) in 1594, beschreven door Florin de Raemond, geciteerd door Guazzo (1608): Tijdens de ‘zwarte mis’ heft de celebrant een zwartgemaakte plak koolraap op, waarop alle aanwezigen roepen: ‘Meester, help ons!’ De kelk bevatte water in plaats van wijn. Ze maakten hun wijwater als volgt: de geit piste in een gat, gegraven in de grond, en met dit onverdunde water besprenkelde de celebrant allen met een zwarte wijwaterkwast.
In de Basses-Pyrénées in 1609 houdt de ‘Royne du Sabbat’ (koningin), die aan de linkerkant van de Duivel zit, in haar linkerhand ‘vne paix ou platine [bord], waarin de afbeelding van Lucifer is gegraveerd.’ De Duivel houdt zijn preek en gaat voort met andere ceremonies, ‘leuant vne certaine Hostie laquelle est noire & ronde, auec sa figure imprimée au dessus’, en met de woorden ‘Cecy est mon corps’ heft hij de hostie op tot zijn hoorns; en na deze opheffing vereren allen van de vergadering het met de woorden: ‘Aquerra Goity, Aquerra Beyty’, wat betekent ‘Cabron arriba, cabron abaro (geitenbok boven, geitenbok onder)’, wat ze ook doen bij [het opheffen van] de kelk. Na nog een preek krijgt iedereen een klein stukje van de hostie en om het makkelijker voor hen te maken om het te eten geeft hij hen twee slokjes van een of ander ‘hels medicijn’ en een bepaald drankje met zo’n gore smaak en geur dat ze zweten van het slikken, en toch is het zo koud dat het hun lijf en zenuwen bevriest.
Te Aix in 1610 verklaarde Magdalene de Demandouls dat de genoemde tovenaar (Gaufredy) de gewijde wijn over het hele gezelschap sprenkelt, waarop iedereen roept: ‘Sanguis eius super nos & filios nostros (Zijn bloed kome over ons en onze kinderen).’
Volgens Silvain Nevillon (Orléans 1614, zie deel 2) had de sabbat plaats in een huis en een lange donkere man las onverstaanbaar uit een boek met zwarte en karmozijnen pagina’s en hief toen een zwarte hostie op en daarna een kelk van een of ander gebarsten tin, geheel vuil en smerig. ‘Toen Tramesabot de mis zei, voordat hij begon was hij gewoon alle aanwezigen te besprenkelen met wijwater dat niets anders was dan urine, ondertussen zeggend ‘Asperges Diaboli.’ Volgens Gentien le Clerc, eveneens beschuldigd in dit proces, werd de mis gevierd en de Duivel was de celebrant. Hij was gekleed in een kazuifel waarop een gebroken kruis was. Hij keerde zijn rug naar het altaar wanneer hij de hostie en de kelk ging opheffen, die allebei zwart waren. Hij las op een mompelende toon uit een boek, waarvan de kaft zacht en harig als een wolvenhuid was. Enige bladen waren wit en rood, andere zwart. ‘Het wijwater is geel als de pis van een ezel en nadat het naar behoren was gesprenkeld werd de mis gevierd.’

In Duitsland in 1620 verscheen een anoniem boek getiteld ‘Wunderbarlichen Geheimnussen der Zauberey, darinn aus der Uhrgicht vnd Bekenntnuß vieler vnderscheidlicher Zauberer vnd Zauberinnen die vornembste Stück, so bey solchem Teuffelswezen umgehen, beschrieben werden.’ Hierin wordt ook het duivels wijwater gemeld waarmee zij die aanwezig zijn op de heksenbijeenkomst worden besprenkeld: ‘Sie brauchen auch weyhwasser, dann vns wahrhafftig gesagt ist, daß der Teuffel erst durch ein Loch [in plaats van in een gat] pisset, darnach alle die auf den Sabbath seindt, groß und klein, vnd daß bisweilen zween Teuffeln, bisweilen ein Mann das Volk damit besprengete.’

Het bovenstaande is de vertaling van het derde deel van een artikel genaamd ‘The Host in the Toad. The Development of a Fairytale Motif (V34.2)’, dat ik enige jaren terug schreef. De PDF van dit artikel (met voetnoten) is bijgevoegd.

PDF:
The Host in the Toad

2 Trackbacks & Pingbacks

  1. Cor Hendriks – De vliegende heks (1): Zalf en vliegstaf (intro) | Rob Scholte Museum
  2. Cor Hendriks – De vliegende heks (2): Zalf en vliegstaf (vervolg) | Rob Scholte Museum

Leave a comment

Your email address will not be published.

*