Cor Hendriks – De Folklore van het Lieveheersbeestje (11): De Duitse volkskundeatlas (1)

Een van de grootst opgezette onderzoeken naar het lieveheersbeestje is dat van Gerda Grober-Glück in het kader van de ‘Atlas der deutschen Volkskunde’ (ADV). In 1969 verscheen van haar hand een voorpublicatie, die gebaseerd was op een lezing over volkslied en cartografie aan de hand van liederen voor het lieveheersbeestje. De in de jaren dertig in het kader van het onderzoek voor de ADV aan de informanten voorgelegde vraag was zeer uitgebreid. Niet alleen werd gevraagd naar de namen, die gebruikt werden voor het lieveheersbeestje en de meikever, maar ook of men een liedje kende met ongeveer de aanvang: ‘Herrgottstierchen (Maikäfer) flieg, dein Vater ist im Krieg usw.’, en of dit bij het lieveheersbeestje of bij de meikever hoort. Ook werd gevraagd naar de ter plaatse bekende versies van het lied. En juist deze laatste vraag is het danken, dat naast het bijna overal bekende Pommerlandlied de totale rijkdom van liederen ontsloten werd, waardoor het mogelijk was te komen tot een zinvolle cartografische weergave. Een probleem is de indeling van het materiaal. Grober-Glück kiest voor de inhoud en geeft op de eerste kaart drie typen weer:
A: het verzoek om mooi weer: naar God of naar de hemel, naar vader en moeder of naar een bepaalde plek (bron, hoge berg) vliegen en te kijken, te vragen of te zeggen, dat het mooi weer wordt. Soms is sprake van een orakel: zitten blijven of opvliegen beslist over slecht of goed weer.
B: het huis van het lieveheersbeestje is in gevaar en het lieveheersbeestje wordt tot vliegen naar zijn huisje gemaand, omdat het in brand staat en de kinderen in nood zijn.
C: er dreigt doodsgevaar, omdat mannen komen om het dood te schieten, slaan of steken.
A is over heel Noordwest Duitsland verspreid, in Luxemburg, oostelijk Midden Duitsland, delen van Zuid Duitsland en Oostenrijk. B zien we vooral in Oost Pruisen, Luxemburg en Midden Duitsland. C is regionaal beperkt tot de Eifel en Hessen.

Op de tweede kaart zijn vier thema’s bijeengebracht:
A: geschenken brengen, zoals suikerkrakelingen, een wegge, een boterbrood, een gouden kleed, een vingerring of duizend daalder.
B: orakels, waarbij wordt geteld om het uur van de dag of de levenslengte te weten, of wordt gekeken waarheen het lieveheersbeestje vliegt om de plaats van de toekomstige echtgenoot of echtgenote te weten, regen of zonneschijn of de toekomstige werkplek.
C: de oproep om te vliegen naar een bepaald huis(herberg, bakkers-, herdershuis) en daar iets doen of halen.
D: olie geven, anders wordt het doodgeslagen.
A is verbreid in Noordwest Duitsland langs de Elbe, in Rijnland en in Zuidwest Duitsland, Opper Saksen, Neder Oostenrijk en in de Steiermark. B zien we langs de Wezer, Noord Thüringen, Slezië en Oost Oostenrijk. C is vooral te vinden in Midden Duitsland en D wordt gevonden in de buurt van Limburg en rond Danzig.

De derde kaart gaat over het Pommerlandlied, dat over heel het Duitstalige gebied verspreid is, maar niet overal met dezelfde intensiteit en er zijn varianten, die apart op kaart 7 worden behandeld.

De kaarten 1 tot 3 geven een overzicht van de belangrijkste liedthema’s, maar er zijn andere, die draaien om de vader en de moeder of de hemel of gewoon de uitnodiging aan het lieveheersbeestje ‘om snel weer naar mijn huis te komen’. Het tonen van hun beperkte verspreidingsgebieden op de kaart heeft weinig zin, maar Grober-Glück wijst erop, dat de hoofdthema’s mengingen kunnen aangaan en elkaar deels overlappen, zoals het geschenken brengen en het naar een bepaald huis vliegen of het weertype en het orakeltype. Het is dus niet eenvoudig om de types van elkaar af te grenzen.

Op de vierde kaart worden de belangrijkste typen van het ‘weer’-thema weergegeven. Opvallend is de vrijwel totale afwezigheid van dit thema in het midden en oosten van Duitsland.
Het eerste type is: ‘flieg übers Haus! Bring uns morgen gut Wetter ins Haus’. Dit type heerst vooral in Mecklenburg.
Type 2, ‘flieg auf! Sag dem lieben Herrgott (of: deinem Vater und Mutter), daß morgen schönes Wetter wird’, heerst in Neder Saksen en in grote delen van Zuid Duitsland.
Type 3, ‘flieg in den Brunn! Bring uns heute und morgen eine schöne Sunn’, heerst voornamelijk in Zuidoost Duitsland en Noordoost Oostenrijk.
Type 4, ‘Marienkühle, steig aufs Stühle, steig auf den hohen Berg und guck, ob morgen schönes Wetter wird’, komt voor in Beieren.

Grober-Glück onderscheidt drie typen weer-orakel:
1. (Was wird sein,) Regen oder Sonne(schein)?’ dat vooral boven Dresden aan de Poolse grens heerst, maar ook rond Hannover voorkomt;
2. ‘lēwe, was steht in deinem Brēwe? [Liefie, wat staat er in je briefie?] Wenn’s gutes Wetter wird, dann flieg weg, wenn’s schlechtes Wetter wird, dan kriech weg’ heerst west van de Weser.
3. ‘flieg auf! Morgen wird schön drauf’ heerst rond het Ertsgebergte.

Op de vijfde kaart worden vier typen van het thema ‘Brandend huis’ onderscheiden.
Het eerste is het meest bekende en verbreide:
‘M., fliege!
Dein Häuschen brennt,
deine Kinder schrein,
M., fliege (of: trag Wasser zu!).’
[Lieveheersbeestje, vlieg! Je huisje brandt, je kinderen huilen, lieveheersbeestje, vlieg (of: breng water nabij).]
Het tweede is het tot Oost Pruisen beperkte:
‘M., flieg!
Dein Häuschen brennt,
(dein Speckchen sengt,)
deine Kinder schrein nach Butterbrot.’
[Lieveheersbeestje, vlieg ! Je huisje brandt (je spekje brandt aan,) je kinderen huilen om een boterham.]
Het derde, Slezische type, is slechts een van de vele versies:
‘M., flieg aus!
Dein Haus brennt aus,
deine Kinder sitzen drinne,
das Blut läuft aus der Rinne.’
[Lieveheersbeestje, vlieg uit! Je hius brandt af, je kinderen zitten binnen, het bloed stroomt uit de afvoergoot.]

Andere vervolgen na regel 2 met: ‘deine Kinderlein flennen, du mußt geschwinde rennen’, of: ‘deine Kinderlein müssen fasten, das Brot liegt im Kasten’. [Je kindertjes grienen, je moet snel rennen; of: je kindertjes moeten vasten, het brood ligt in de kast.]
Het vierde, Luxemburgse type kent geen brand, maar wanorde in het huis, die zeer verschillend wordt beschreven. De meest voorkomende vorm luidt:

‘M., flieg in die Luft.
Deine Töpfchen kochen,
deine Kinder weinen,
deine Schäfchen gehen auf dem Samen’.
[Lieveheersbeestje, vlieg in de lucht, Je potjes koken, je kinderen wenen, je schaapjes gaan op het zaad.]

Op de zesde kaart zijn de belangrijkste typen van het thema ‘geschenken brengen’ weergegeven. Hun verspreidingszwaartepunt hebben ze in West en Noord Duitsland, terwijl ze ten zuiden van de Mains vrijwel niet voorkomen.
Het eerste type roept het lieveheersbeestje op naar de ‘himmel’ te vliegen en een korf vol ‘Zuckerkringel’ (krakelingen) te brengen, vaak gevolgd door ‘Mir ein, dir ein, andern Kindern auch ein.’
Het tweede type luidt:
‘M., flieg in Herrgotts Garten!
Bring mir einen Weck
und dir einen Weck,
die andern können warten’
[Lieveheersbeestje, vlieg in Heer Gods tuin. Breng voor mij een wegge, voor jou een wegge, de anderen kunnen wachten] en komt vooral in de Palts voor.
Het derde type, ‘flieg hoch in den himmel und bring uns ein Stück (Butter)brot (of: eine Buttersemmel)!’, komt vooral in het zuidoosten voor.
Type 4, ‘flieg (zum Himmel) und hol mir meine Stutenbutter’, heerst in een gebied langs de Noordnederlandse grens west van de Weser.
Type 5 is ‘flieg auf die Weid, Bring unserm Herrgott ein goldenes Kleid’ [Vlieg op de wilg, breng onze Heer God een gouden kleed] en zien we in een beperkt gebied boven Wenen.
Type 6, ‘flieg fort! Bring mir einen goldenen Rock mit’, zien we vooral aan de Belgisch-Luxemburgse grens, maar ook wel bij de Tsjechisch-Poolse grens en lokaal in Bohemen.
Type 7, ‘flieg in den Himmel, Bring mir ein goldig’s Fingerringel’, zien we in het Ertsgebergte. Type 8, ‘flieg in die Welt! Bring mir 1000 Taler Geld’, komt alleen in Oost Pommeren voor.

Op kaart 7 worden de belangrijkste varianten van het Pommerland-lied afgebeeld. Het meest verbreid is de variant, die alleen de plaatsnaam ‘Pommerland’ verandert. Op de kaart staan alleen de vaakst voorkomende varianten aangegeven, dus de uitsplitsing naar plaatsnaam is er niet uit af te leiden. ‘Niederland’ komt voor in de Eifel, ‘Böhmerland’ in het oostelijk deel van Zuid Duitsland en het aangrenzende Oostenrijk. Andere varianten zijn ‘Engelland’, ‘Pulverland’, ‘Oberland’. De andere varianten veranderen het laatste deel na ‘Pommerland ist abgebrannt’:
a. ‘Die Kinder sind alleene, brechen Hals und Beene’ zien we vooral in het midden van Oost-Duitsland, waar we ook de grootste concentratie zien van
b. ‘Die Mädels sind davongerannt, die Jungens haben sich den A… verbrannt’. [De meisjes zijn weggerend, de jongens hebben hun k(ont) verbrand.]
Bij variant c. zijn alleen de eerste twee regels ‘M., flieg! Dein Vater ist im Krieg’ over, die worden gevolgd door: ‘deine Mutter ist in Sachsen, wo die Marienkäfer wachsen’.
[Lieveheersbeestje, vlieg!
Je vader is in de oorlog,
je moeder is in Saksen,
waar de lieveheersbeestjes groeien.]
Zwaartegebieden zijn hier Opper Franken en de Opper Pfalz.

Grober-Glück merkt op, dat van de 9000 inzendingen met uitzondering van het Pommerlandlied geen inzending de ander volledig dekte. Ook in het Nederlandse materiaal kon ik constateren, dat uiteindelijk ieder rijmpje anders is. Dit ligt in de aard van het materiaal, de orale herkomst, besloten. Grober-Glück ziet de oorzaak van deze verscheidenheid gelegen in het streven naar variatie, dat op alle gebieden van de volkscultuur te merken is. Als voorbeeld neemt ze het tweede type van kaart 6
(‘M., flieg; flieg in Herrgotts Garten.
Bring mir ein Weck
und dir ein Weck;
die andern können warten’),
dat twee varianten heeft. In de eerste verandert de laatste regel in
‘den andern Kindern einen Dreck’,
enerzijds vanwege de rijm anderzijds om te pesten. In de tweede variant moet het lieveheersbeestje naar een bepaalde tuin (b.v. ‘Pfarrers Garten’) vliegen met het bevel: ‘Rupf die roten Äpfelchen ab und laß die grünen fahren’. [Pluk de rode appeltjes af en laat de groene hangen.] We zien hetzelfde einde ook met een heel andere beginregel:

‘M., flieg nach Trier,
fahr weit weg,
flieg in den Himmel ‘nauf’.
[Lieveheersbeestje, vlieg naar Trier, ga ver weg, vlieg naar de hemel op.]

Nog vaker zien we een variatie op ‘Herrgotts Garten’, als ‘Bäckers, Pfarrers, Nachbars, Herren-, Himmelsgarten’ of naar de bezitter ‘Müllers, Meiers’. Het ‘Dreck’ uit de laatste regel wordt tot ‘Hundsdreck’, ‘Hinkelsdreck’, ‘Geißdreck’, ‘Säudreck’, ‘Scheißdreck’.

Op de negende kaart wordt ingegaan op de variabiliteit in bestemming, die het lieveheersbeestje wordt toegewezen. Zo wordt in het Beiers-Oostenrijkse ‘Weer’-type ‘M., flieg in Brunn…’, het onbepaalde ‘Brunn’ vaak vervangen door plaatsnamen, vaak bedevaartplaatsen (Hollabrunn, Mariabrunn bij Wenen, Annabrunn, Ottobrunn, etc.), maar ook door imaginaire plaatsnamen als Himmelsbrunn, Heiligenbrunn, Steinerner Brunn. Een andere variatie betreft de oproep naar de hemel te vliegen en daar iets te halen, met name een ‘Korb voll Zuckerkringel’, waarbij de korf ook een ‘Sack, ‘Faß, ‘Schoot’, ‘Scheepel’, ‘Pott’, of ‘Tüte’ kan zijn en de inhoud kan bestaan uit ‘Kringel’, ‘Semmeln’, ‘Plummen’, ‘Stuten’, ‘Äpfel’, ‘Geld’. In het type, waarin het lieveheersbeestje wordt opgeroepen weg te vliegen en een nieuw kleed te brengen, zien we i.p.v. een ‘neuen Rock’: ‘ein goldener, schöner, roter Rock’, ‘ein neues goldenes Kleid’, ‘ein neues Gewand’, ‘ein neuer Brautrock’, ‘neue Hosen und Schuh’, ‘ein neuer Anzug’, ‘ein Sack voll Kleider’, ‘Sommerkleider’, etc. Zo ook met de huizen, waarheen het lieveheersbeestje moet vliegen, waar we naast de genoemde huizen als ‘Bäckershaus’, ‘Wirthaus’ en ‘Hirtenhaus’ de merkwaardigste huizen vinden: ‘Kuchenhaus’, ‘Honighaus’, ‘Milchhaus’, ‘Butterhaus’, ‘Mühlhaus’, ‘Wohnungshaus’, ‘Tannenhaus’, ‘Wetterhaus’, ‘Sonnenhaus’, ‘Weihnachtshaus’, ‘der Mutter Beinhaus’

Een verdere variatie is gelegen in het gebruik van bijzinnen, die in de tekst worden ingeschoven of eraan toegevoegd. In het huisje-brandt-type is dit de regel: ‘dein Väterchen ist tot, dein Mütterchen ist tot’ met de toevoeging ‘deine Kinder schrein nach Butterbrot’. Hierna vervolgt een verwant Oost Pruisisch liedtype met:
‘Butterbrötchen hab ich nicht,
Schmalzbrötchen will ich nicht’.
[Je vadertje is dood, je moedertje is dood,
je kinderen huilen om boterbrood.
Boterbroodje heb ik niet,
vetbroodje wil ik niet (brood met boter of met spekvet gebakken).]

Zo kan het liedje
‘M., flieg in die Welt,
bring mir 1000 Taler Geld’
worden vervolgd met
‘1000 Taler sind nich genug,
noch ein seidenes Tuch dazu’.
[Lieveheersbeestje, vlieg in de wereld,
breng me 1000 daalders geld.
1000 daalders is niet genoeg,
[breng me] ook nog een zijden doek.]

Ook de aanvangsregels zijn door Grober-Glück in kaart gebracht. De meest voorkomende varianten zijn: ‘M., fliege auf!’, ‘M., fliege hoch auf!’ , ‘M., flieg (nicht) fort!’, ‘M., flieg davon!’ en ‘M., flieg auf und ab!’ Hiernaast bestaat er een menigte varianten, waarbij het lieveheersbeestje wordt opgeroepen naar de hemel te vliegen, in de lucht, over het dak, over het huis, in de hoogte, op de wilg of in de wind. Op een volgende kaart neemt Grober-Glück alleen de beginregel ‘M., fliege fort’ onder de loep en onderzoekt, met welk liedtype het zich verbindt. Het meest voorkomend is de verbinding met ‘bring mir einen neuen Rock mit’. Dan volgt ‘je huisje brandt’ en ‘sonst kommen die Franzosen und schießen dich tot’. [Breng me een nieuw kleed mee. Anders komen de Fransen en schieten je dood.]

Soms beïnvloeden de liedtypen elkaar. Gesproken wordt dan van contaminatie. Het Pommerlandlied heeft de neiging verbindingen aan te gaan met de opdracht naar de kroeg (‘Wirthaus’) te vliegen, waar vader een glas bier leegdrinkt. In Slezië verbindt de bekende oproep naar de hemel te vliegen en een stuk brood mee te brengen zich enige malen met de vraag naar het weer volgens het patroon:
‘M., flieg in den Himmel,
bring mir eine Schnitte Brot
und sage, ob es schön bleibt oder regnet’.
[Lieveheersbeestje, vlieg naar de hemel, breng me een snee brood en zeg, of het mooi blijft of regent.]

Niet alleen andere liedtypen kunnen invloed uitoefenen, ook andere genres van de volkspoëzie hebben hun doorwerking. Zo zien we in het materiaal van het Volkskundig Bureau diverse malen het liedje

‘Sinterklaas kapoentje,
gooi wat in mijn schoentje’,

waarbij ‘kapoentje’ de naam van het lieveheersbeestje is. Het liedje

‘Ons lief heertje,
geef mooi weertje’
fungeert ook als kindergebed zonder enige referentie aan het lieveheersbeestje. Ook worden lieveheersbeestjeliedjes door de kinderen als aftelrijmpje gebruikt. Bijzonder veelvuldig is de uitwisseling van typen en elementen in het genre dierliederen: we zagen al een slaklied (met het brandende huis), maar ook kraai kent zijn lied:

‘Kraaie, waar ga je?
Naar Engeland.
Je nestje brandt,
het rookt op het strand’.
Een duidelijk voorbeeld van contaminatie zien we bij de meikever. Zowel door de Duitse als de Nederlandse Volkskunde-atlas vroegen expliciet naar deze liedjes en de conclusie is duidelijk: het Pommerland-lied hoort in eerste instantie bij de meikever en is van daaruit doorgedrongen in het lieveheersbeestjerepertoire. In het Nederlandse materiaal zijn maar weinig versies van het Pommerlandlied te vinden, waarbij de Duitse invloed niet te miskennen is:

Uit Coevorden kwam:
‘Meikever vlieg,
Dein Vatter ist im krieg,
Dein Mutter ist im Pommelland,
Pommelland ist abgebrand.’

Uit Elsloo:
‘Maikäfer flieg,
Dein Vater ist im Krieg,
Dein Mutter ist im Pommerland,
Pommerland ist abgebrannt.’

Uit Eijs-Wittem:
‘Meikever vlieg,
De vader is in de krieg,
De moeder is in Pommerland,
Pommerland is afgebrand,
Meikever vlieg,
Je vader is in de krieg.’

Uit Hattem komt de variant:
‘Meiworm ga vliegen,
Moeder zal je kriegen,
Vader is naar het hooiland,
’t Hooiland is afgebrand.’

Tot slot nog een afwijkende vorm uit de collectie Boekenoogen, afkomstig uit Leiden:
‘Meikever ga vliegen,
Je moeder is in Bienen,
Je vader is in Bommelland,
Bommelland is afgebrand.’

Ook waren er enige versjes van het type ‘huisje brandt’, zoals uit Barneveld:
‘Meikever, vlieg op naar de blauwe hemel,
Je huisje staat in brand,
Meikever, vlieg op,
Je huisje staat in brand.’

Uit Zutphen kwam de mededeling: ‘Als we zo’n meikever aan een draadje hadden, zongen we een liedje om hem te bewegen te gaan vliegen. Ik herinner me alleen nog: “Oew huusken steet in brand…”’

Ook waren er een tweetal inzendingen van het ‘Vader en Moeder’-thema: uit Rheden:
‘Meikever vlieg nu vrij,
Je vader is in de oorlof erbij!’

en uit Zevenaar:
‘Meikever, ga vliegen,
ow moeder zal oe kriegen,
ow vader met de dikke stok
slaot ou heele kop kapot.’

Deze rijmpjes lijken nog maar weinig op de lieveheersbeestjeliedjes, die we gezien hebben. Zelf ben ik niet erg overtuigd van de juistheid van Grober-Glücks stelling, dat het Pommerlandlied primair bij de meikever hoort. Zoals eerder gesteld wordt de naam meikever ook voor het lieveheersbeestje gebruikt en heeft de meikever zijn eigen repertoire aan liedjes, onder andere samenhangend met de naam ‘meulenaar, mulderke’ en dat hij altijd zijn geld zit te tellen. Zo zegt een inzending uit Deventer:

‘Meikever, tel je geld,
ga dan maar vliegen,
in de blauwe hemel;
laat je huisje alleen.’

Volgens mij zijn deze laatste regels weer geïnspireerd door de lieveheersbeestjeliedjes. Zo zien we in een versje uit Den Bosch het thema ‘vader en moeder’:

‘Mulderke, mulderke, tel je geld,
En ga dan nog eens vliegen.
Je vader is een zatlap.
Mulderke, mulderke, onder de stoel,
Je moeder is een grootsmoel!’

Dezelfde correspondent zond nog een tweede meikeververs al even uniek:

‘Mulderke, mulderke, koningin,
Vliegt dan maar het Holland in.
Holland is een grote stad,
Waar dat kleine mulderke zat.’

Anderzijds kunnen aan de meikever toegeschreven versjes heel wel lieveheersbeestjeversjes zijn, zoals een versje, te vinden in de eerste jaargang van het blad Volkskunde, waar Pol de Mont van het ‘moldenerreke’, dat of zijn geld moet tellen of moet malen, een Brussels versje geeft, dat luidt:

‘Vlieg, vlieg, veuleke,
Naar ’t meuleke,
Naar ’t land van Luik,
Naar de berestruik (of: molenstruik),
Over de blokken,
Over de stokken (of: zokken),
Over Onze Lieve Vrouw van ’t kerkhof.’

Hetzelfde versje met kleine variaties, door Laura Hiel verzameld in het land van Dendermonde. Bij haar luiden de eerste regels: ‘Vlieg, vlieg, meuleke! Dat beestje gaat naar het meuleke’, en bevatten een dubbelrijm, die voor de originaliteit van de (een halve eeuw oudere) versie van De Mont met ‘veuleke’ pleiten. De lieveheersbeestjenaam zou in dit geval ‘Vliege-vliege-veuleke’ zijn. Het vliegen over stokken en blokken zien we ook bij het lieveheersbeestje. Een versie uit Breskens luidt:

‘Pimpampoentje,
Tiereliereloentje,
Vlieg op stokje,
vlieg op [blokje],
vlieg op Lieven’eertjes kerk’offe.’

Ook in België vinden we dit rijmpje:
‘Pimpampoentje,
Hazemoentje,
Vliegt over de blok,
vliegt over de stok,
vliegt over Onze-Lieve-Heertjes-kerkhof.’

We zijn ondertussen toegekomen aan de slotparagrafen van het artikel van Grober-Glück. Na de behandeling van de rol van woord- en regelvariatie, de betekenis van toegevoegde zinnen, de zelfstandige rol van de beginregel en de uitwisseling tussen de liederen blijft de vraag over of deze dingen in alle typen op dezelfde wijze werkzaam zijn. Grober-Glück constateert verschillen: Bij het thema ‘geschenken brengen’ is het type

‘M., flieg auf die Weid
und bring unserm Herrgott ein goldenes Kleid’

een duidelijke constante, terwijl het huis, waarheen het lieveheersbeestje moet vliegen, en zijn verrichtingen daar van een even duidelijke variabiliteit blijk geven. De liedtypen van ‘het brandende huisje’ van het lieveheersbeestje zijn over het algemeen tamelijk stabiel; het reeds genoemde Luxemburgse type beschrijft daarentegen de wanorde in het huis en hoeve in grote verscheidenheid, waarbij steeds nieuwe invallen elkaar afwisselen: het soepje kookt, de melk kookt over, de kinderen liggen in het water, de paarden staan in de haver, het ezeltje loopt in het koren, de luiers drijven de rivier af, etc. Voorwaarde voor de sterke variabiliteit is o.a. de rijmloosheid van dit type.

In het voorafgaande gingen we van thema naar variant met de onuitgesproken aanname, dat de vorm de inhoud zoekt. Er zijn echter gevallen, waarbij sprake is van het omgekeerde verhouding. De vaste vorm laat namelijk inhoudelijk zeer verschillende, soms zelfs rechtstreeks tegengestelde varianten toe: het lieveheersbeestje krijgt de opdracht bier te ‘drinken’ of te ‘brengen’; het moet een kleed naar ‘God’ of naar ‘mij’ brengen; in hetzelfde lied zien we ‘mijn’ of ‘jouw’ vader of ‘mijn’ of ‘jouw’ huis.

An English PDF will follow at a later date.

1 Comments

  1. Mijn Complimenten voor je actie bij Jinek.
    Succes met je Missie!
    Deed mij denken aan een boekje van het Nieuw Amsterdams Peil uit 1980 met als frontpage kreet ‘Amsterdam en zijn potsierlijke ku(ns)tbeleid’. Voor AmSterDam kan je dus ook Den Helder invullen. …
    Ik ben R overigens Vlaar mee met het z.g. ku (ns)beleid. Mijn blacklight L’ami-art wordt ook niet gewaardeerd en mijn openlucht ‘MuCuM’ in de nieuwe spaarpot steeg naast Spui(‘T)straat 100 is Geweigerd …

Leave a comment

Your email address will not be published.

*